Overzicht van de tool Positie

Met de tool Positie  in de toolset kunt u geselecteerde afbeeldingen rechtstreeks bewerken in combinatie met een opdracht voor transformeren (Object > Transformeren) of met een opdracht in een contextmenu, of door de afbeelding met een sneltoets te verschuiven in het kader.

De tool Positie is dynamisch en verandert automatisch om de verschillende situaties weer te geven:

  • Als u de tool direct boven een leeg afbeeldingskader of een kader met niet-toegewezen inhoud plaatst nadat u de opdracht Bestand > Plaatsen hebt gebruikt, neemt de aanwijzer de vorm van het pictogram voor geladen afbeeldingen  aan, ten teken dat u de afbeelding in het kader kunt importeren.

  • Wanneer u de tool direct boven een afbeelding plaatst, neemt de aanwijzer de vorm van de tool Handje aan, ten teken dat u de afbeelding kunt selecteren en in het kader kunt bewerken.

  • Wanneer u de tool boven een handgreep van een selectiekader van een inline-afbeelding plaatst, neemt de aanwijzer de vorm van een pijl voor het wijzigen van de afmetingen aan, ten teken dat u door te slepen de afbeelding groter of kleiner maakt.

  • Wanneer u de tool boven een afbeeldingskader of de bovenste container van geneste kaders plaatst, neemt de aanwijzer de vorm van het pictogram voor het selecteren van objecten  aan, ten teken dat u de afbeelding of het geneste kader onder de aanwijzer kunt selecteren. U kunt het kader zelf niet selecteren.

  • Wanneer u de tool boven een tekstkader plaatst, neemt de aanwijzer de vorm van een I aan , ten teken dat u tekst kunt invoegen.

Opties instellen voor de tool Positie

Als u een afbeelding verplaatst met de tool Positie, kunt u de muisknop een paar seconden lang ingedrukt houden om een dynamische voorvertoning (een ghosted-back afbeelding) van een willekeurig deel van de afbeelding buiten het kader weer te geven. U kunt de weergave en de vertraging van de voorvertoning regelen.

  1. Dubbelklik op de tool Positie  in de toolset.
  2. Selecteer in het menu Gemaskerd gedeelte van afbeelding tonen de snelheid waarmee de hele afbeelding tijdens het slepen moet worden weergegeven, of schakel deze optie helemaal uit.

Afbeeldingen transformeren

U kunt met opdrachten afbeeldingen verplaatsen, schalen, roteren en schuintrekken.

Een afbeelding verplaatsen

  1. Zorg dat het kader met het gewenste object voor u is uitgecheckt en selecteer het object met de tool Positie .
  2. Kies Object > Transformeren > Verplaatsen.
  3. Voer een van de volgende handelingen uit in het dialoogvenster Verplaatsen:
    • Voer de afstand in waarmee de afbeelding horizontaal en verticaal moet worden verplaatst. Bij een positieve waarde wordt het object omlaag en naar rechts op de x-as verplaatst en bij een negatieve waarde wordt het object omhoog en naar links verplaatst.

    • Als u het object over een exacte afstand en met een exacte hoek wilt verplaatsen, geeft u de afstand en de hoek van de verplaatsing op. De hoek die u invoert, wordt berekend in graden van de x-as. Positieve hoeken geven een verplaatsing naar links en negatieve hoeken geven een verplaatsing naar rechts. U kunt ook waarden tussen 180° en 360° opgeven. Deze waarden worden omgezet in de overeenkomstige negatieve waarden (bijvoorbeeld 270° wordt omgezet in ‑90°).

  4. Voer een van de volgende handelingen uit:
    • Wanneer u het effect wilt bekijken voordat u het toepast, selecteert u Voorvertoning.

    • Klik op OK om het object te verplaatsen.

Een afbeelding schalen

  1. Zorg dat het kader met het gewenste object voor u is uitgecheckt en selecteer het object met de tool Positie .
  2. Kies Object > Transformeren > Schalen.
  3. Als u de verhouding tussen de hoogte en breedte van het object wilt behouden, moet het pictogram Verhoudingen behouden in het dialoogvenster Schalen zijn geselecteerd. Schakel dit pictogram uit als u de X- en Y-waarden afzonderlijk van elkaar wilt schalen. Hierdoor kan de afbeelding worden schuingetrokken.
  4. Voer de horizontale en verticale schaalwaarde als een percentage (bijvoorbeeld 90%) of als een afstandswaarde (bijvoorbeeld 6p) in.

    De schaalwaarden kunnen negatieve getallen zijn.

  5. Voer een van de volgende handelingen uit:
    • Wanneer u het effect wilt bekijken voordat u het toepast, selecteert u Voorvertoning.

    • Klik op OK om het object te schalen.

Opmerking:

Als u de afbeelding in een bepaalde richting wilt schalen, gebruikt u de tool Positie om de handgreep van een geselecteerde afbeelding te slepen. Als u op de toets Shift drukt, wordt de afbeelding proportioneel geschaald.

Een afbeelding roteren

  1. Zorg dat het kader met het gewenste object voor u is uitgecheckt en selecteer het object met de tool Positie .
  2. Kies Object > Transformeren > Roteren.
  3. Voer in het tekstvak Hoek de rotatiehoek in graden in. Voer een negatieve waarde in om het object rechtsom te roteren en een positieve waarde om het object linksom te roteren.
  4. Voer een van de volgende handelingen uit:
    • Wanneer u het effect wilt bekijken voordat u het toepast, selecteert u Voorvertoning.

    • Wanneer u het object wilt roteren, klikt u op OK.

Een afbeelding schuintrekken

  1. Zorg dat het kader met het gewenste object voor u is uitgecheckt en selecteer het object met de tool Positie .
  2. Kies Object > Transformeren > Schuintrekken.
  3. Voer in het venster Schuintrekken de nieuwe hoek voor het schuintrekken in.

    De hoek voor het schuintrekken is de mate van het hellen die wordt toegepast op het object ten opzichte van de loodlijn op de schuintrekas. (De hoek voor het schuintrekken wordt berekend naar rechts van de huidige as.)

  4. Geef de as op waarlangs het object moet worden schuingetrokken. U kunt een object schuintrekken langs een horizontale, verticale of een hoekas.

    Wanneer u een geroteerde as gebruikt, typt u de hoek van de gewenste as in graden ten opzichte van de loodlijn.

  5. Voer een van de volgende handelingen uit:
    • Wanneer u het effect wilt bekijken voordat u het toepast, selecteert u Voorvertoning.

    • Wanneer u het object wilt schuintrekken, klikt u op OK.

Transformaties op een afbeelding wissen

  1. Zorg dat het kader met het gewenste object voor u is uitgecheckt en selecteer het object met de tool Positie .
  2. Kies Object > Transformeren > Transformaties wissen.

Dit werk is gelicentieerd onder de Creative Commons Naamsvermelding/Niet-commercieel/Gelijk delen 3.0 Unported-licentie  De voorwaarden van Creative Commons zijn niet van toepassing op Twitter™- en Facebook-berichten.

Juridische kennisgevingen   |   Online privacybeleid