Over lijnen en vullingen van tabellen

U kunt op een aantal manieren lijnen en vullingen aan tabellen toevoegen. Gebruik het dialoogvenster Tabelopties om de lijn van de tabelrand te wijzigen en om wisselende lijnen en vullingen aan kolommen en rijen toe te voegen. U wijzigt de lijnen en vullingen van elke cel of kop- of voettekstcel afzonderlijk met het dialoogvenster Celopties of met de deelvensters Stalen, Lijn of Kleur.

Standaard overschrijft de opmaak die u in het dialoogvenster Tabelopties hebt geselecteerd, de opmaak die eerder op tabelcellen is toegepast. Als u echter de optie Lokale opmaak behouden in het dialoogvenster Tabelopties hebt geselecteerd, worden de lijnen en vullingen die u per cel hebt toegepast, niet overschreven.

Als u vaak dezelfde opmaak toepast op tabellen of cellen, kunt u beter tabel- of celstijlen maken en toepassen.

De tabelrand wijzigen

U kunt de tabelrand aanpassen in het dialoogvenster Tabelinstelling of het deelvenster Lijn.

  1. Kies Tabel > Tabelopties > Tabelinstelling als de invoegpositie in een cel staat.
  2. Geef onder Tabelrand de gewenste dikte, type, kleur, tint en tussenruimte op. (Zie Lijn- en vulopties voor tabellen.)
  3. Selecteer onder Tekenvolgorde lijn de tekenvolgorde uit de volgende opties:

    Beste verbindingen

    Als deze optie is geselecteerd, liggen er rijlijnen vóór de punten waar diverse kleuren elkaar kruisen. Wanneer daarbij lijnen zoals dubbele lijnen elkaar kruisen, worden de lijnen samengevoegd en de kruispunten met elkaar verbonden.

    Rijlijnen op voorgrond

    Als deze optie is geselecteerd, worden er rijlijnen op de voorgrond weergegeven.

    Kolomlijnen op voorgrond

    Als deze optie is geselecteerd, worden er kolomlijnen op de voorgrond weergegeven.

    InDesign 2.0-compatibiliteit

    Als deze optie is geselecteerd, worden er rijlijnen op de voorgrond weergegeven. Wanneer daarbij lijnen zoals dubbele lijnen elkaar kruisen, worden de lijnen samengevoegd en worden de kruispunten alleen op die punten met elkaar verbonden waar de lijnen elkaar in een T-vorm kruisen.

  4. Als u niet wilt dat de lijnopmaak van afzonderlijke cellen wordt overschreven, selecteert u Lokale opmaak behouden.
  5. Klik op OK.

Opmerking:

Als u de lijnen en vullingen uit een tabel verwijdert, kiest u Weergave > Extra's > Kaderranden tonen om de celgrenzen van de tabel weer te geven.

Lijnen en vullingen aan een cel toevoegen

U kunt vullingen en lijnen toevoegen aan cellen met gebruik van het dialoogvenster Celopties, het deelvenster Lijn of het deelvenster Stalen.

Lijnen en vullingen toevoegen met gebruik van Celopties

U kunt instellen welke cellijnen worden opgemaakt met een lijn of vulling door lijnen in de voorvertoningsproxy te selecteren of te deselecteren. Als u de vormgeving van alle rijen of kolommen in de tabel wilt wijzigen, moet u een wisselend lijn- of vulpatroon gebruiken waarin het tweede patroon is ingesteld op 0.

  1. Plaats met de tool Tekst  de invoegpositie in een cel of selecteer de cel of cellen waaraan u een lijn of vulling wilt toevoegen. Als u een lijn of vulling wilt toevoegen aan kop- of voettekstrijen, selecteert u de kop- of voettekstcellen aan het begin van de tabel.
  2. Kies Tabel > Celopties > Lijnen en vullingen.
  3. Geef in de voorvertoningsproxy aan op welke lijnen de wijzigingen moeten worden toegepast. Als u bijvoorbeeld een zware lijn wilt toepassen op de buitenlijnen maar niet op de binnenlijnen van de geselecteerde cellen, klikt u op een binnenlijn om deze te deselecteren. (Geselecteerde lijnen zijn blauw en niet-geselecteerde lijnen zijn grijs.)
    Selecteer in de voorvertoningsproxy de lijnen die u wilt aanpassen.

    Opmerking:

    U selecteert de gehele buitenste selectierechthoek door in de voorvertoningsproxy te dubbelklikken op een buitenlijn. Dubbelklik op een binnenlijn om de binnenlijnen te selecteren. U selecteert of deselecteert alle lijnen door drie keer ergens in de proxy te klikken.

  4. Geef voor Cellijn de gewenste dikte, type, kleur, tint en tussenruimte op. (Zie Lijn- en vulopties voor tabellen.)
  5. Geef voor Celvulling de gewenste kleur- en tintinstellingen op.
  6. Selecteer desgewenst Lijn overdrukken en Vulling overdrukken en klik op OK.

Een lijn aan cellen toevoegen met het deelvenster Lijn

Het deelvenster Lijn is alleen beschikbaar in InDesign, niet in InCopy.

  1. Selecteer de cel of cellen waaraan u een lijn wilt toevoegen. Als u een lijn op kop- of voettekstcellen wilt toepassen, selecteert u de kop- of voettekstrij.
  2. Kies Venster > Lijn om het deelvenster Lijn weer te geven.
  3. Geef in de voorvertoningsproxy aan op welke lijnen de wijzigingen moeten worden toegepast.
  4. Selecteer indien nodig de knop Object  in de toolset. (Als de knop Tekst  is geselecteerd, worden de lijnwijzigingen toegepast op de tekst en niet op de cellen.)
  5. Geef een dikte en lijntype op.

Een vulling toevoegen aan cellen met het deelvenster Stalen

  1. Selecteer de cel of cellen waaraan u een lijn wilt toevoegen. Als u een vulling op kop- of voettekstcellen wilt toepassen, selecteert u de kop- of voettekstrij.
  2. Kies Venster > Kleur > Stalen om het deelvenster Stalen weer te geven.
  3. Zorg dat de knop Object  is geselecteerd. (Als de knop Tekst  is geselecteerd, worden de kleurwijzigingen alleen toegepast op de tekst en niet op de cellen.)
  4. Selecteer een staal.

Een verloop toevoegen aan cellen met het deelvenster Verloop

  1. Selecteer de cellen die u wilt opmaken. Als u een verloop op kop- of voettekstcellen wilt toepassen, selecteert u de kop- of voettekstrij.
  2. Kies Venster > Kleur > Verloop om het deelvenster Verloop weer te geven.
  3. Klik in de verloopbalk om een verloop toe te passen op de geselecteerde cellen. Pas de verloopinstellingen naar wens aan.

Diagonale lijnen aan een cel toevoegen

  1. Plaats met de tool Tekst  de invoegpositie in een cel of selecteer de cel of cellen waaraan u diagonale lijnen wilt toevoegen.
  2. Kies Tabel > Celopties > Diagonale lijnen.
  3. Klik op de knop voor het type diagonale lijn dat u wilt toevoegen.
  4. Geef bij Lijn de dikte, het type, de kleur en de tussenruimte op. Stel een tintpercentage en overdrukopties in en klik op OK.
  5. Kies Diagonaal op voorgrond in het menu Tekenen als u de diagonale lijn vóór de inhoud van de cel wilt plaatsen en Inhoud op voorgrond als u de diagonale lijn achter de celinhoud wilt plaatsen. Klik vervolgens op OK.

Lijn- en vulopties voor tabellen

Gebruik de volgende opties als u lijnen en vullingen voor een tabel of cellen gaat selecteren:

Dikte

Bepaalt de lijndikte van een tabel- of celrand.

Type

Bepaalt de lijnstijl, zoals Dik-Dun.

Kleur

Bepaalt de kleur van de tabel- of celrand. De weergegeven opties zijn beschikbaar in het deelvenster Stalen.

Tint

Bepaalt het inktpercentage van de opgegeven kleur die op de lijn of vulling moet worden toegepast.

Kleur tussenruimte

Past een kleur op de gebieden tussen de strepen, punten of lijnen toe. Deze optie is niet beschikbaar als Ononderbroken is geselecteerd voor Type.

Tint tussenruimte

Past een tint op de gebieden tussen de strepen, punten of lijnen toe. Deze optie is niet beschikbaar als Ononderbroken is geselecteerd voor Type.

Overdrukken

Wanneer deze optie is geselecteerd, wordt de inkt die in de keuzelijst Kleur is geselecteerd, over de andere kleuren 'gesmeerd' en worden die inktkleuren niet verwijderd.

Wisselende lijnen en vullingen in een tabel

U kunt lijnen en vullingen afwisselen waardoor het geheel beter leesbaar wordt of waardoor de algehele vormgeving van de tabel verbetert. Het afwisselen van lijnen en vullingen in tabelrijen heeft geen invloed op kop- en voettekstrijen. Maar het gebruik van wisselende lijnen en vullingen in kolommen heeft wel invloed op kop- en voettekstrijen.

De instellingen van wisselende lijnen en vullingen overschrijven de opmaak van de cellijnen, tenzij u de optie Lokale opmaak behouden in het dialoogvenster Tabelopties hebt geselecteerd.

Opmerking:

Als u op elke bodycel in de tabel niet alleen wisselende patronen maar ook een vulling of lijn wilt toepassen, kunt u toch met de instellingen van wisselende lijnen en vullingen dergelijke niet-wisselende patronen maken. Om een dergelijk effect te maken, geeft u 0 op voor Volgende in het tweede patroon.

Vóór (links) en na (rechts) wisselende vullingen in een tabel

Wisselende lijnen aan een tabel toevoegen

  1. Kies Tabel > Tabelopties > Wisselende rijlijnen of Wisselende kolomlijnen als de invoegpositie in een cel staat.
  2. Selecteer het gewenste patroontype voor Wisselend patroon. Selecteer Aangepast als u een patroon wilt opgeven, bijvoorbeeld één kolom met een dikke zwarte lijn gevolgd door drie kolommen met dunne gele lijnen.
  3. Geef bij Wisselend de vulopties op voor zowel het eerste patroon als het volgende patroon. U zou bijvoorbeeld een effen lijn kunnen toevoegen aan de eerste kolom en een Dik-Dun-lijn aan de volgende kolom, zodat er een wisselend lijnenpatroon ontstaat. Geef 0 op voor Volgende als u de lijnen op elke rij of kolom wilt toepassen.

    Opmerking:

    In tabellen die meerdere kaders groot zijn, stoppen de wisselende lijnen en vullingen voor rijen aan het einde van het kader. Ze worden dus niet herhaald in de volgende kaders van het artikel. (Zie Tabellen verbreken in kaders.)

  4. Selecteer Lokale opmaak behouden als u de opgemaakte lijnen die reeds op de tabel zijn toegepast, wilt behouden.
  5. Geef bij Overslaan: eerste of Overslaan: laatste op in hoeveel rijen of kolommen aan het begin of einde van de tabel de lijnkenmerken niet hoeven te worden toegepast en klik op OK.

Wisselende vullingen aan een tabel toevoegen

  1. Kies Tabel > Tabelopties > Tabelinstelling als de invoegpositie in een cel staat.
  2. Selecteer het gewenste patroontype voor Wisselend patroon. Selecteer Aangepast als u een patroon wilt opgeven, zoals één grijs gearceerde rij gevolgd door drie geel gearceerde rijen.
  3. Geef bij Wisselend de vulopties op voor zowel het eerste patroon als het daaropvolgende patroon. Als u bijvoorbeeld Na elke twee kolommmen voor Wisselend patroon hebt geselecteerd, kunt u de eerste twee kolommen grijs arceren en de volgende twee kolommen niet arceren. Geef 0 op voor Volgende als u de vulling op elke rij wilt toepassen.
  4. Selecteer Lokale opmaak behouden als u de opgemaakte vullingen die reeds op de tabel zijn toegepast, wilt behouden.
  5. Geef bij Overslaan: eerste of Overslaan: laatste op in hoeveel rijen of kolommen aan het begin of einde van de tabel de vulkenmerken niet hoeven te worden toegepast en klik op OK.

Wisselende lijnen en vullingen in een tabel uitschakelen

  1. Plaats de invoegpositie in de tabel.
  2. Kies Tabel > Tabelopties > Wisselende rijlijnen, Wisselende kolomlijnen of Wisselende vullingen.
  3. Kies Geen bij Wisselend patroon en klik op OK.

Dit werk is gelicentieerd onder de Creative Commons Naamsvermelding/Niet-commercieel/Gelijk delen 3.0 Unported-licentie  De voorwaarden van Creative Commons zijn niet van toepassing op Twitter™- en Facebook-berichten.

Juridische kennisgevingen   |   Online privacybeleid