Een LAN-server voor licenties voor beperkte functionaliteit instellen

Van toepassing op ondernemingen.

Als u LAN-licenties voor beperkte functionaliteit wilt gebruiken, stelt u een LAN-server voor licenties voor beperkte functionaliteit (of LAN-server) in, waarmee de computers van gebruikers verbinding maken om hun licenties te activeren.

Overzicht van de configuratie

U moet de volgende stappen uitvoeren om de LAN-server in te stellen voor licentieverlening van apps op computers van gebruikers.  

  1. Navigeer naar de Adobe Admin Console > Pakketten > Gereedschappen en download Server Configuration Tool (zipbestand).

  2. Pak de inhoud van het gedownloade bestand uit op de computer met de LAN-server. Gebruik de scripts (in de map scripts) om het volgende te doen:

    1. De server configureren.
    2. De server starten.
      Wanneer de server start, wordt de browser gestart met de URL https://<hostnaam>:<geconfigureerde_poort>.
  3. Ga naar de server op https://<hostnaam>:<geconfigureerde_poort> en genereer een authorisatiebestand.

  4. Ga naar Adobe Admin Console > Pakketten > Servers en maak een LAN-server (met behulp van het Autorisatiebestand).
    Wanneer u een LAN-server in de Adobe Admin Console maakt, wordt een Authority to Operate (ATO)-bestand gegenereerd. Het ATO-bestand zorgt ervoor dat de servercomputer kan fungeren als licentieserver voor Adobe-apps.

  5. Voltooi de serverconfiguratie door het ATO-bestand te uploaden naar de LAN-server.

  6. Nadat de server is geconfigureerd, maakt u pakketten voor LAN-activering en distribueert u deze naar de computers van de gebruikers.

     

    Opmerking:

    Installeer zelfondertekende certificaten om ervoor te zorgen dat de LAN-server veilig kan communiceren met de computers van de gebruikers.

Vereisten voor de LAN-server

Controleer voordat u aan de slag gaat of de computer die u voor de LAN-server gebruikt, voldoet aan de volgende minimale systeemvereisten. U hebt ook een SSL-certificaat nodig (gekocht of zelfondertekend) om de server te kunnen instellen.

Let op:

Adobe raadt aan geen zelfondertekende SSL-certificaten te gebruiken. Deze certificaten introduceren meer complexiteit, waardoor de implementatie van de LAN-server kan vertragen.

Dit zijn de minimale systeemvereisten voor een LAN-server:

  • Java SE Runtime Environment 8
  • Besturingssysteem:
    • Windows Server 2012, 2016 of 2019
    • CentOS 7
  • Ruimte op de vaste schijf:
    • Voor 1000 licenties voor eindgebruikers is ongeveer 200 kB ruimte op de vaste schijf nodig
  • Fysieke computers of virtuele machines worden ondersteund
  • Ondersteunde browsers voor de beheerconsole voor LAN-servers
    • Microsoft Edge
    • Google Chrome
    • Mozilla Firefox
  • De servercomputer die licenties verstrekt aan de computers van de gebruikers of de computers van de gebruikers hebben nooit toegang tot internet. 
  • De autorisatie van de server gebeurt offline door handmatig een bestand over te zetten.
  • Wanneer de LAN-server wordt ingesteld, zijn alle bestanden die worden geüpload naar of gedownload van de Adobe-servers leesbaar voor mensen.

SSL-certificaten genereren

Uw LAN-server communiceert via HTTP over SSL voor een veilige netwerkcommunicatie tussen de server en de computers van de gebruikers. Als vereiste moet een SSL-certificaat, samen met persoonlijke sleutels (van een serviceprovider of zelfondertekend) zijn ingesteld op de LAN-server.

Opmerking:
  • Als u een zelfondertekend SSL-certificaat gebruikt, moet het certificaat ook op alle computers van de gebruikers worden geïnstalleerd. Voor de configuratie van de server moet u ook PowerShell-scripts uitvoeren. Voor het uitvoeren van de scripts moet u het zelfondertekende certificaat installeren in het certificaatarchief van Windows. Zie Zelfondertekende certificaten toevoegen voor meer informatie.
  • U kunt een zelfondertekend certificaat of een certificaat van een andere aanbieder gebruiken. In beide gevallen gaat het script ervan uit dat het certificaat als hostnaam een onderwerp (Subject) of alternatieve onderwerpnaam (Subject Alternate Name) heeft. Als Subject Alternative Name wordt gebruikt, gaat het script ervan uit dat het certificaat een jokerteken bevat voor het domein van de host.

KeyStore-bestand (JKS of PKCS12) (voor zelfondertekende SSL-certificaten)

Voor het instellen van een zelfondertekend SSL-certificaat moet u een KeyStore-bestand op uw LAN-server maken.

Opmerking:

De locatie van het KeyStore-bestand is vereist wanneer u de LAN-server configureert zoals wordt beschreven in de onderstaande stappen.

Voer de volgende opdrachten uit op de LAN-server om een KeyStore-bestand te maken:

  1. Een JKS-bestand maken met de volgende specificaties:

    • Geldigheid: tien jaar
    • Type: RSA
    • Sleutelgrootte: 4096 bits
    • Ondersteuning voor SAN (Subject Alternate Name)

    keytool -genkeypair -alias <sleutelalias> -keyalg RSA -keysize 4096 -sigalg SHA512withRSA -ext SAN=dns:localhost,ip:127.0.0.1,ip:::1 -keystore <keystore_bestand> -validity 3650

    Opmerking:

    De hierboven opgegeven SAN-gegevens zijn alleen vereist als u zelfondertekende certificaten gebruikt. De werkelijke vereiste hostnaam kan ook worden opgegeven in de SAN-optie.

    Bijvoorbeeld: SAN=dns:localhost,dns=x.y.z.com,ip:127.0.0.1,ip:::1

  2. (Optioneel) Een certificaat genereren vanuit het JKS-bestand dat in de vorige stap is gemaakt:

    keytool -exportcert -alias <sleutelalias> -keystore <keystore_bestand> -file adminService.cer

    Opmerking:

    Voeg het zelfondertekende certificaat toe aan de LAN-server en aan alle clients die toegang hebben tot de LAN-server.

  3. (Aanbevolen) Een JKS-bestand converteren naar een PKCS12-bestand:

    keytool.exe -importkeystore -srckeystore <src_bestand> -destkeystore <doelbestand> -srcstoretype JKS -deststoretype PKCS12 -deststorepass <wachtwoord>

    Opmerking:

    Aangezien JKS een eigen indeling is, wordt het aanbevolen de PKCS12-indeling te gebruiken.

  4. De hierboven gemaakte KeyStore verifiëren:

    JKS-bestandsindeling:

    keytool.exe -list -v -keystore <keystore_bestand> -storetype jks

    PKCS12-bestandsindeling:

    keytool.exe -list -v -keystore <keystore_bestand> -storetype pkcs12

    Nadat de opdracht succesvol is uitgevoerd, worden de gegevens van het KeyStore-bestand weergegeven. Deze omvatten de gegevens die u hebt ingevoerd toen u het bestand maakte, zoals de hostnaam van de server en de datum tot wanneer het bestand geldig is.

    Opmerking:

    Het hierboven opgegeven keystore_bestand moet de extensie .kcs of .p12 hebben.

KeyStore-bestand (PKCS12) (voor SSL-certificaten van serviceproviders)

Als u uw SSL-certificaten bij een serviceprovider hebt gekocht (zoals GoDaddy of Digicert), wordt het certificaat geleverd met de persoonlijke sleutels.

  1. Voeg dit certificaat toe aan de sleutelhanger (voor macOS) of het sleutelarchief (voor Windows).

  2. Nadat het certificaat is toegevoegd, exporteert u de persoonlijke sleutels met behulp van Keychain (voor macOS) of de tool MMC (voor Windows).

    De sleutels worden geëxporteerd in de PKCS12-indeling (.p12 of .pfx).

  3. De hierboven gemaakte KeyStore verifiëren:

    JKS-bestandsindeling:

    keytool.exe -list -v -keystore <keystore_bestand> -storetype jks

    PKCS12-bestandsindeling:

    keytool.exe -list -v -keystore <keystore_bestand> -storetype pkcs12

    Nadat de opdracht succesvol is uitgevoerd, worden de gegevens van het KeyStore-bestand weergegeven. Deze omvatten de gegevens die u hebt ingevoerd toen u het bestand maakte, zoals de hostnaam van de server en de datum tot wanneer het bestand geldig is.

Opmerking:

De locatie van het KeyStore-bestand is vereist wanneer u de LAN-server configureert, zoals wordt beschreven in de stappen in het gedeelte over serverconfiguratie hieronder.

Als de serviceprovider de certificaten uitgeeft, hoeft u ze niet te uploaden naar de clientcomputers.

Zelfondertekende certificaten toevoegen (voor Windows)

Volg deze stappen om een zelfondertekend certificaat toe te voegen op de LAN-server en op alle computers van de gebruikers.

  1. Typ mmc.exe in het dialoogvenster Uitvoeren van Windows en druk op Enter.

  2. Kies Module toevoegen/verwijderen in het menu Bestand.

  3. Selecteer Certificaten in het dialoogvenster Modules toevoegen of verwijderen en klik op Toevoegen.

  4. Kies Computeraccount in het dialoogvenster De module Certificaten en klik op Volgende.

  5. Klik in het scherm Computer selecteren op Voltooien.

  6. Klik op OK om het dialoogvenster Modules toevoegen of verwijderen te sluiten.

  7. Klik in het linkerdeelvenster om het onderdeel Certificaten uit te vouwen.

  8. Klik om het knooppunt Vertrouwde basiscertificeringsinstanties uit te vouwen.

  9. Klik met de rechtermuisknop op Certificaten en kies Importeren in het menu Alle taken.

  10. Klik in de wizard Certificaat importeren op Volgende.

  11. Klik op Bladeren, selecteer het certificaatbestand op uw computer en klik op Volgende.

  12. Volg de wizard totdat u de laatste stap bereikt. Klik vervolgens op Voltooien.

  13. Nadat het certificaat is geïmporteerd, klikt u om het knooppunt Certificaten uit te vouwen.

Controleer of uw zelfondertekende certificaat wordt weergegeven in de lijst met certificaten.

Certificaat bijwerken

 

1. Serverconfiguratietool downloaden

Allereerst moet u de Serverconfiguratietool downloaden via de Adobe Admin Console.

U gebruikt de Serverconfiguratietool om de LAN-server uit te voeren en te beheren.

  1. Ga in de Admin Console naar Pakketten > Gereedschappen.

  2. Download de Serverconfiguratietool voor uw besturingssysteem.

    Serverconfiguratietool downloaden

  3. Zet de gedownloade Serverconfiguratietool (.zip) over naar de computer die als LAN-server fungeert.

2. Server configureren en starten

In uw LAN-omgeving hebt u een servercomputer nodig die u instelt als LAN-server. De computers van de eindgebruikers maken verbinding met deze server om hun Adobe-licenties te activeren.

Zorg ervoor dat de LAN-server die u instelt, voldoet aan de minimale systeemvereisten.

Opmerking:

U hebt de volgende KeyStore-gegevens (zie de algemene vereisten hierboven) nodig om de server te configureren, dus houd deze bij de hand:

  • KeyStore-bestandstype: JKS of PKCS
  • Locatie KeyStore-bestand
  • Wachtwoord KeyStore-bestand
  • Alias KeyStore-bestand

Als u uw SSL-certificaat bij een van deze providers hebt gekocht, raadpleegt u de bijbehorende documentatie voor meer informatie over de bovenstaande gegevens:

Als een serviceprovider het SSL-certificaat verstrekt, exporteert u een keystore-bestand vanuit het certificaat.

2.a. De server configureren

Voordat u de server start, voert u de volgende stappen uit om de LAN-servercomputer voor HTTPS te configureren:

  1. Extraheer de inhoud van de Serverconfiguratietool (.zip-bestand).

  2. Open de Linux-terminal of Windows PowerShell en navigeer naar de geëxtraheerde map.

  3. Als u een externe database gebruikt, kunt u desgewenst de volgende scripts uitvoeren om de vereiste machtigingen aan de databasegebruiker te verlenen. Dit script stelt de databasetabellen op de externe databaseserver in. Voordat het script wordt uitgevoerd, moet een databasegebruiker worden gemaakt. Hierna kan het script worden geopend via de SQL-client en alle exemplaren van 'adobefrldbuser' vervangen door de nieuw gemaakte 'dbuser'.

    Standaard maakt het script een database: adobefrldb. Voor Microsoft SQL Server wordt ook een nieuw schema adobefrlschema gemaakt. Als u een andere naam voor de database wilt gebruiken, vervangt u alle exemplaren van adobefrldb in het SQL-script door de gewenste naam. Als u voor Microsoft SQL Server een andere naam voor het schema wilt gebruiken, vervangt u alle exemplaren van adobefrlschema door de gewenste naam. Nadat u het script hebt uitgevoerd, worden nieuwe tabellen gemaakt en krijgt de nieuwe databasegebruiker machtigingen om de bewerkingen invoegen, bijwerken en verwijderen uit te voeren met de zojuist gemaakte tabellen. U vindt de volgende scripts in de map db_setup.

    Microsoft SQL Server

    • MicrosoftSQLServerSetup.sql

    MySQL-server

    • MySQLServerSetup.sql
  4. Voer een van de volgende stappen uit en druk daarna op Enter:

    • Windows PowerShell: Typ een van de volgende opdrachten vanaf de locatie waar u de Serverconfiguratietool (.zip-bestand) hebt uitgepakt om de LAN-server voor licenties voor beperkte functionaliteit te starten.
      • Als u LAN-licenties voor beperkte functionaliteit wilt installeren als een service die automatisch wordt gestart wanneer de computer wordt opgestart, navigeert u naar de map scripts. Voer het script als volgt uit:
        cd scripts
        .\adobeLanService.ps1 -Setup
      • Om het LAN-serverproces voor beperkte licenties handmatig te starten, voert u de volgende opdracht uit:
        .\adobe-lan-server-setup.ps1
    • Linux-terminal:
      ./scripts/adobe-lan-server-setup.sh
    Opmerking:

    Gebruik het script adobeLanService.ps1 om de server in te stellen als een Windows-service. Navigeer naar de map \scripts om dit script te starten. 

  5. Voer de volgende gegevens in wanneer daarom wordt gevraagd:

    • Geef het type van het KeyStore-bestand op: JKS of PKCS
    • Geef het pad van het KeyStore-bestand op met extensie. Bijvoorbeeld: adminService.jks als u het KeyStore-bestand in de map van de Serverconfiguratietool hebt geplaatst.
    • Geef het wachtwoord op dat u hebt gebruikt toen u het KeyStore-bestand maakte.
    • Geef de alias op die u hebt gebruikt toen u het KeyStore-bestand maakte.
    Opmerking:

    Als u de PKCS-bestandsindeling gebruikt en als het PKCS-bestand is gemaakt zonder de optie -name of -alias, voert u 1 in als alias.

    • Geef een poortnummer op waarop de LAN-server wordt uitgevoerd. Of druk op Enter om de standaardpoort te gebruiken: 8463.
    • Geef aan of u de server wilt verbinden met een ingesloten database of een externe database.
    Opmerking:

    De volgende meldingen worden alleen weergegeven als u ervoor kiest om de server te verbinden met een externe database.

    • Hostnaam of IP-adres van databaseserver.
    • Poort van databaseserver.
    • Databasenaam op de databaseserver.
    • Naam van databaseschema onder de database.
    Opmerking:

    De naam van het databaseschema is alleen vereist als u Microsoft SQL Server gebruikt. Voor MySQL is deze informatie niet vereist.

    • Gebruikersnaam voor database.
    • Wachtwoord voor database.
    • Optie om verbinding te maken met de databaseserver via een SSL-verbinding.
    Opmerking:

    Als u verbinding maakt met een externe database, moet u ervoor zorgen dat de database correct is geconfigureerd. Zie Zorgen dat een server verbinding kan maken met een externe database voor meer informatie.

Als u uw server instelt op een Windows-computer, wordt, nadat de installatie is voltooid, de map adobeLanService gemaakt op de volgende locatie:

C:\Windows\System32\adobeLanService

2.b. De server starten

  1. Open Windows PowerShell met beheerdersrechten en navigeer naar de map die is gemaakt nadat u de stappen voor de serverconfiguratie (hierboven beschreven) hebt voltooid:

    .\scripts\adobeLanService

  2. Typ de volgende opdracht en druk op Enter:

    .\adobeLanService.ps1 -Start

Als u wilt controleren of de Window-service actief is, typt u services.msc in het dialoogvenster Uitvoeren en drukt u op Enter.

Merk op dat de LAN-server wordt weergegeven met de status Actief.

In de map C:\Windows\System32\adobeLanService worden de volgende mappen gemaakt:

  • logs
  • downloads
  • uploads

Nadat de LAN-server is gestart, opent de standaardwebbrowser op de servercomputer de beheerconsole voor LAN-servers.Als u de server als een Windows-service hebt geconfigureerd, opent u handmatig de browser en navigeert u naar de LAN Server Management Console op https://<hostnaam>:<geconfigureerde_poort>/.

Beheerconsole voor LAN-servers

  1. Open de terminal en navigeer naar de map scripts in de map van het uitgepakte zip-bestand.

  2. Typ de volgende opdracht en druk op Enter:

    • Windows PowerShell:
      .\scripts\adobe-lan-server.ps1 start
    • Linux-terminal:
      ./scripts/adobe-lan-server.sh start

Nadat de LAN-server is gestart, opent de standaardwebbrowser op de servercomputer de beheerconsole voor LAN-servers op de volgende locatie:

https://<host name>:<configured_port>/

Beheerconsole voor LAN-servers

3. Het autorisatiebestand genereren

Ga op de LAN-server naar de beheerconsole voor LAN-servers en genereer een autorisatiebestand. Het autorisatiebestand maakt het mogelijk dat de LAN-server fungeert als Adobe-licentieserver.

  1. Ga op de LAN-server naar https://<hostnaam>:<geconfigureerde_poort> en navigeer naar het tabblad Serverinstellingen.

  2. Klik op Generate Authorization File.

    Tabblad om LAN-server in te stellen

Nadat de server de autorisatie heeft gegenereerd, wordt het bestand naar uw lokale station gedownload. U gebruikt het autorisatiebestand om LAN-servers te maken in de Adobe Admin Console.

Opmerking:

Het autorisatiebestand is een voor mensen leesbaar bestand dat de volgende gegevens bevat:

  • De UUID van de LAN-server.
  • Een tabel met activeringen van de computers van eindgebruikers.

Inhoud van een voorbeeldautorisatiebestand:

{"authReportSpecVersion":"1.0","payload":"{\"serverInstanceId\":\"4ee7f844-9dfb-33ac-82a8-f28256e58092\",\"activatedDesktops\":null}","checksum":"6ET9G2B2JM7VP2XK"}

4. Een LAN-server maken en een ATO-bestand genereren

Navigeer naar de Adobe Admin Console > Pakketten en maak LAN-serverinstanties. Voor elke serverinstantie kunt u de productrechten opgeven voor de computers van de gebruikers die verbinding maken met deze instantie.

Wanneer u een LAN-server maakt in de Adobe Admin Console, krijgt u een ATO-bestand (Authority to Operate) dat u uploadt naar de LAN-server. Het ATO-bestand zorgt ervoor dat de LAN-server als licentieserver voor Adobe-apps kan fungeren. De computers van de gebruikers kunnen vervolgens verbinding maken met de LAN-server om hun licenties te activeren. Wanneer eindgebruikers de Adobe-licenties op hun computer willen activeren, hoeven ze dan geen verbinding te maken met de Adobe-licentieservers.

  1. Ga in de Admin Console naar Pakketten > Server.

  2. Klik op Een server maken.

    Server maken
    Als u eerder servers hebt gemaakt, ziet u de lijst met servers en de knoppen aan de rechterkant.

  3. Upload het autorisatiebestand dat u hebt gedownload van de beheerconsole voor LAN-servers en klik op Volgende

    Autorisatiebestand uploaden

    Opmerking:

    Controleer de browserinstellingen als u bestanden niet kunt slepen. Schakel de functie voor slepen en neerzetten in de browser in of gebruik een andere browser, zoals Firefox.

  4. Geef de volgende gegevens op in het scherm Configureren:

    • DNS-adres en poortlocatie van de LAN-server
    • Stel Time-out LAN in om op te geven hoe lang de client kan worden uitgevoerd zonder contact op te nemen met de licentieserver.
    Opmerking:

    Zorg ervoor dat de serverlocatie die u opgeeft, bereikbaar is voor clients. Zo niet, dan mislukt de activering van licenties op clientcomputers.

  5. Voeg de naam van uw organisatie toe en klik op Volgende.

    Uw gebruikers zien deze naam als de naam van de organisatie in hun berichten.

  6. Selecteer de producten die op de huidige server moeten worden gehost en klik op Volgende.

    De rechten voor eindgebruikers zijn gebaseerd op de producten die u selecteert.

  7. Voer in het scherm Voltooien een naam voor de server in, controleer de servergegevens en klik op Server maken.

Nadat de LAN-server is gemaakt, wordt een ATO-bestand (Authority to Operate) gedownload.

Het ATO-bestand zorgt ervoor dat de LAN-server als licentieserver kan fungeren. De computers van eindgebruikers kunnen vervolgens verbinding maken met de LAN-server om hun licenties te activeren. Wanneer de eindgebruikers de Adobe-licenties op hun computer willen activeren, hoeven ze nu geen verbinding te maken met de Adobe-licentieservers.

De activeringsperiode van een LAN-server is maximaal 365 dagen vanaf de datum waarop u het ATO-bestand hebt gemaakt. De periode eindigt echter voor of op de einddatum van het contract. Nadat de activeringsperiode is afgelopen, moet u de server opnieuw autoriseren.

5. Een ATO-bestand uploaden naar de LAN-server

Om de configuratie van de LAN-server te voltooien, gaat u terug naar de beheerconsole voor LAN-servers en uploadt u het ATO-bestand dat u hebt gegenereerd toen u een instantie van de LAN-server maakte in de Adobe Admin Console.

  1. Ga op de LAN-server naar https://<hostnaam>:<geconfigureerde_poort> en navigeer naar het tabblad Serverinstellingen.

  2. Upload het ATO-bestand.

    ATO-bestand uploaden

    Controleer uw richten in het dialoogvenster Confirm Entitlements en klik op Confirm.

Uw LAN-server is nu ingesteld.

6. LAN-server upgraden

Als u problemen ondervindt bij het uitvoeren van de LAN-server in uw lokale omgeving, raden wij u aan de volgende stappen te volgen om te upgraden naar de nieuwste versie van de server.

  1. Ga op de LAN-server naar https://<hostnaam>:<geconfigureerde_poort>.

  2. Stop de LAN-server die momenteel actief is.

    Opmerking:

    Het stoppen van de server heeft geen invloed op de reeds geactiveerde licenties op clientapparaten.

    2.a Om de server te stoppen (als Windows-service)

    1. Open de Services (desktop-app). 

    2. Stop de FRL LAN Server-service.

      LAN-serverservice
      LAN-serverservice

    2.B Om de LAN-server te stoppen

    1. Ga naar de map waarin de huidige LAN-server wordt uitgevoerd.

    2. Typ de volgende opdracht en druk op Enter:

      Windows PowerShell

      \scripts\adobe-lan-server.ps1 stop

      Linux-terminal

      /scripts/adobe-lan-server.sh stop

  3. Vernieuw de browser om te controleren of de LAN-server succesvol is gestopt.

    LAN-server gestopt

    U kunt ook controleren of de server is gestopt via adobeLanService.log op C:\Windows\Logs\

    De volgende vermelding geeft aan dat de server is gestopt:

    Adobe LAN Server gestopt [<proces_id>]
    adobeLanService.ps1 -Service # Exiting

  4. Navigeer naar de Adobe Admin Console > Pakketten > Gereedschappen en download Server Configuration Tool (zipbestand).

  5. Zet de gedownloade Serverconfiguratietool (.zip) over naar de computer die als LAN-server fungeert.

  6. Gebruik het Keystore-bestand met de alias en het wachtwoord die u eerder hebt gemaakt.Zie SSL-certificaten genereren hierboven. 

  7. Zorg ervoor dat u voldoende machtigingen aan het bestand Server Configuration Tool (.zip) geeft voordat u het uitpakt, zodat alle bestanden worden uitgepakt en kunnen worden uitgevoerd.

  8. Ga na het uitpakken naar de map met scripts en verwijder de reeds geïnstalleerde service met de volgende opdracht:

    adobeLanService.ps1 -Remove

  9. Volg de stappen voor installatie van de service met behulp van het keystore-bestand.

Adobe, Inc.

Krijg sneller en gemakkelijker hulp

Nieuwe gebruiker?