ActionScript® biedt u de mogelijkheid symbolen te besturen tijdens uitvoering. Met ActionScript kunt u interactie en andere mogelijkheden in uw FLA-bestanden stoppen die niet mogelijk zijn met alleen de tijdlijn.

ActionScript® biedt u de mogelijkheid symbolen te besturen tijdens uitvoering. Met ActionScript kunt u interactie en andere mogelijkheden in uw FLA-bestanden stoppen die niet mogelijk zijn met alleen de tijdlijn.

Zie het onderwerp over symbolen en ActionScript in de Help op het web voor meer informatie over het besturen van symbolen tijdens uitvoering.

Instanties en symbolen beheren met ActionScript

Gebruik ActionScript® om filmclip- en knopinstanties te beheren. De filmclip- of knopinstantie moet een unieke instantienaam bevatten die met ActionScript moet worden gebruikt. U kunt de ActionScript-code zelf schrijven of de vooraf gedefinieerde gedragingen in Animate gebruiken.

Zie Gebeurtenissen afhandelen in de ActionScript 3.0-ontwikkelaarsgids voor meer informatie.

Instanties met gedragingen beheren

In FLA-bestanden waarin de Publicatie-instellingen voor ActionScript 2.0 zijn ingesteld, kunt u gedragingen gebruiken om filmclips en grafische instanties in een document te beheren, zonder ActionScript te schrijven. Gedragingen zijn vooraf geschreven ActionScript-scripts waarmee u ActionScript-codering aan uw document kunt toevoegen, zonder dat u zelf ActionScript-code hoeft te schrijven. Gedragingen zijn niet beschikbaar voor ActionScript 3.0.

U kunt gedragingen met een instantie gebruiken om deze in de stapelvolgorde van een frame te ordenen en om een filmclip te laden, verwijderen, afspelen, stoppen, dupliceren of slepen of naar een URL te koppelen.

Daarnaast kunt u gedragingen gebruiken om een externe afbeelding of een bewegend masker in een filmclip te laden.

Animate bevat de gedragingen die in de volgende tabel zijn opgenomen.

Gedrag

Doel

Selecteren of invoeren

Afbeelding laden

Laadt een extern JPEG-bestand in een filmclip of scherm.

Pad en bestandsnaam van JPEG-bestand.

Instantienaam van filmclip of scherm dat de afbeelding ontvangt.

Externe filmclip laden

Laadt een extern SWF-bestand in een doelfilmclip of scherm.

URL van extern SWF-bestand.

Instantienaam van filmclip of scherm dat het SWF-bestand ontvangt.

Filmclip dupliceren

Dupliceert een filmclip of scherm.

Instantienaam van filmclip om te dupliceren

X- en Y-verschuiving van pixels van het origineel om te kopiëren.

Ga naar en speel af bij frame of label

Speelt een filmclip af vanaf een bepaald frame.

Instantienaam van doelclip om af te spelen.

Framenummer of -label om af te spelen.

Ga naar en stop bij frame of label

Stopt een filmclip, waardoor de afspeelkop optioneel naar een bepaald frame kan worden verplaatst.

Instantienaam van doelclip om te stoppen.

Framenummer of -label om te stoppen.

Naar voorgrond

Verzendt de doelfilmclip of -scherm naar de bovenkant van de stapelvolgorde.

Instantienaam van filmclip of scherm.

Naar voren

Verzendt de doelfilmclip of -scherm een positie omhoog in de stapelvolgorde.

Instantienaam van filmclip of scherm.

Naar achtergrond

Verzendt de doelfilmclip naar de onderkant van de stapelvolgorde.

Instantienaam van filmclip of scherm.

Naar achteren

Verzendt de doelfilmclip of -scherm een positie omlaag in de stapelvolgorde.

Instantienaam van filmclip of scherm.

Slepen van filmclip beginnen

Begint met slepen van filmclip.

Instantienaam van filmclip of scherm.

Slepen van filmclip stoppen

Stopt de huidige sleephandeling.

Filmclip verwijderen

Verwijdert een filmclip die via loadMovie() uit Flash Player is geladen.

Instantienaam van filmclip.

Gedrag toevoegen en configureren

Zorg dat u met een FLA-bestand werkt waarvan de ActionScript Publicatie-instellingen gelijk zijn aan ActionScript 2.0 of eerder.

  1. Selecteer het object, zoals een knop die het gedrag moet activeren.
  2. Klik in het deelvenster Gedragingen (Venster > Gedragingen) op de knop Toevoegen (+) en selecteer het gewenste gedrag in het submenu Filmclip.
  3. Selecteer de filmclip die u wilt besturen met het gedrag.
  4. Selecteer een relatief of absoluut pad.
  5. Selecteer, indien nodig, invoerinstellingen voor de parameters van het gedrag en klik OK. De standaardinstellingen voor het gedrag worden nu in het deelvenster Gedragingen weergegeven.
  6. Klik onder Gebeurtenis op Bij vrijgeven (de standaardgebeurtenis) en selecteer een muisgebeurtenis in het menu. Laat de optie Bij vrijgeven ongewijzigd als u deze optie wilt gebruiken.

Aangepaste gedragingen maken

Maak een XML-bestand dat de ActionScript 3.0-code bevat waarmee het gewenste gedrag kan worden uitgevoerd en sla het bestand op in de map Gedragingen van uw lokale computer om aangepaste gedragingen te schrijven. 

Controleer voordat u uw eigen gedragingen maakt de XML-bestanden in de map Behaviors om de syntaxis te begrijpen van de XML-bestanden en de ActionScript-code die wordt gebruikt om gedragingen te maken. Als u nog nooit eerder gedragingen hebt geschreven, kunt u zich vertrouwd maken met de XML-tags die worden gebruikt om interface-elementen te maken (zoals dialoogvensters) en met ActionScript, de coderingstaal die wordt gebruikt om gedragingen te maken. Zie Animate uitbreiden om meer te leren over de XML-tags die worden gebruikt om interface-elementen te maken. Raadpleeg ActionScript 3.0 leren gebruiken om ActionScript te leren kennen.

U kunt ook gedragingen downloaden die andere Animate-gebruikers hebben gemaakt op de Adobe Flash Exchange-website. U kunt deze website bezoeken op: www.adobe.com/go/flash_exchange_nl.

 

  1. Wanneer u een XML-editor gebruikt, opent u een bestaand XML-bestand van het gedrag en geeft u het bestand de juiste naam van het gedrag dat u wilt maken.
  2. Voer een nieuwe waarde in voor het kenmerk category van de tag behavior_devinition in het XML-bestand.

    De volgende XML-code maakt een categorie met de naam myCategory in het deelvenster Gedragingen in Animate waarin het gedrag wordt weergegeven.

    <behavior_definition dialogID="Trigger-dialog" category="myCategory" 
    authoringEdition="pro" name="behaviorName">
  3. Voer een nieuwe waarde in voor het kenmerk name van de tag behavior_definition. Dit is de naam van het gedrag zoals het in de Animate-ontwerpomgeving wordt weergegeven.

  4. (Optioneel) Wanneer uw aangepaste gedrag een dialoogvenster vereist, voert u parameters in met de tags<properties> en <dialog>.

    Zie Animate uitbreiden voor informatie over de tags en parameters die u kunt gebruiken om uw eigen aangepaste dialoogvensters te maken.

  5. Voeg in de tag <actionscript> de ActionScript-code in om het gedrag te maken.

    Als u ActionScript nog niet kent, raapleegt u ActionScript 3.0 leren gebruiken.

    Bijvoorbeeld (uit het gedragsbestand Movieclip_loadMovie.xml) (ActionScript 2.0):

    <actionscript> 
      <![CDATA[     //load Movie Behavior 
        if($target$ == Number($target$)){ 
            loadMovieNum($clip$,$target$); 
        } else { 
            $target$.loadMovie($clip$); 
        } 
        //End Behavior 
      ]]> 
    </actionscript>
  6. Sla het bestand op en test het gedrag.

Dit werk is gelicentieerd onder de Creative Commons Naamsvermelding/Niet-commercieel/Gelijk delen 3.0 Unported-licentie  De voorwaarden van Creative Commons zijn niet van toepassing op Twitter™- en Facebook-berichten.

Juridische kennisgevingen   |   Online privacybeleid