Opmerking:

In Photoshop CS5 en Photoshop CS6 maakte 3D-functionaliteit deel uit van Photoshop Extended. Alle functies van Photoshop Extended maken deel uit van Photoshop CC. Photoshop CC kent geen afzonderlijke Extended-versie.

3D-instellingen voor renderen wijzigen

Renderinstellingen bepalen hoe 3D-modellen worden getekend. Photoshop installeert meerdere voorinstellingen met veel gebruikte instellingen. Pas de instellingen aan om uw eigen voorinstellingen te maken.

Opmerking:

Renderinstellingen zijn laagspecifiek. Als een document meerdere 3D-lagen bevat, geeft u voor elke laag renderinstellingen op.

Een rendervoorinstelling selecteren

De renderinstelling Standaard is de standaardrendervoorinstelling die de zichtbare oppervlakken van modellen weergeeft. De voorinstellingen Draadframe en Hoekpunten laten de onderliggende structuur zien. U combineert effen rendering en draadframerendering door de voorinstelling Effen draadframe te selecteren. U geeft een model als een eenvoudig kader weer, waarbij de buitenste afmetingen worden weergegeven, door de voorinstelling Selectiekader te kiezen.

  1. Klik boven in het 3D-deelvenster op de knop Scène .

  2. Kies onder in het deelvenster een optie in het menu Voorinstelling.

Geïnstalleerde rendervoorinstellingen

A. Standaardwaarde (Kwaliteit is ingesteld op Interactief) B. Standaardwaarde (Kwaliteit is ingesteld op Met raytracering en het grondvlak is zichtbaar) C. Selectiekader D. Diepte toewijzen E. Verborgen draadframe F. Lijnillustratie G. Normale instellingen H. Tekenmasker I. Gearceerde illustratie J. Gearceerde hoekpunten K. Gearceerd draadframe L. Effen Draadframe M. Omtrek transparant selectiekader N. Transparant selectiekader O. Tweezijdig P. Hoekpunten Q. Draadframe 

Opmerking:

De voorinstelling Tweezijdig wordt alleen toegepast op doorsneden. Hierbij wordt er in de ene helft van de sectie een effen model en in de ander helft van de sectie een draadframe weergegeven.

Renderinstellingen aanpassen

  1. Klik boven in het 3D-deelvenster op de knop Scène .

  2. Klik op Bewerken rechts van het menu Renderinstellingen.

  3. (Optioneel) U kunt tijdens het maken van wijzigingen het effect van de nieuwe instellingen bekijken door Voorvertoning te selecteren. Als u deze optie uitschakelt, worden de prestaties enigszins beter.

    Opmerking:

    Klik op de doorsnedeknoppen   boven in het dialoogvenster om unieke instellingen voor elke helft van de doorsnede op te geven.

  4. Schakel de rendering Vlak, Lijn, Hoekpunt, Volume of Stereo in door op het desbetreffende selectievakje links in het dialoogvenster te klikken. Pas vervolgens de gerelateerde instellingen (zie hierna) aan.

Opmerking:

Voor informatie over Volume-opties, met name gebruikt met DICOM-beelden, zie Een 3D-volume in verschillende rendermodi weergeven.

Vlakopties

Vlakopties bepalen hoe modeloppervlakken worden weergegeven.

Vlakstijl

Hiermee tekent u oppervlakken met een van deze methoden:

Effen

Hiermee tekent u schaduwen of reflecties met behulp van de GPU op een OpenGL-kaart.

Niet belichte structuur

Hiermee tekent u zonder belichting. Alleen de geselecteerde optie Structuur wordt weergegeven. (Diffuus is standaard geselecteerd.)

Plat

Hiermee past u dezelfde normale instellingen van het oppervlak voor alle hoekpunten van een vlak toe, waardoor er een vlak met facetten ontstaat.

Constant

Hiermee vervangt u de structuren door de opgegeven kleur.

Opmerking:

U past de kleur van vlakken, randen of hoekpunten aan door op het kleurvak te klikken.

Selectiekader

Hiermee worden de vakken weergegeven die de buitenste afmetingen van elk onderdeel weergeven.

Normale instellingen

Hiermee geeft u de X-, Y- en Z-onderdelen voor de normale instellingen van het oppervlak in verschillende RGB-kleuren weer.

Diepte toewijzen

Hiermee geeft u een grijs model weer waarbij met behulp van lichtsterkte de diepte wordt weergegeven.

Tekenmasker

Hiermee geeft u tekengebieden wit, overgesampelde gebieden rood en ondergesampelde gebieden blauw weer. (Zie Tekenbare gebieden bepalen.)

Structuur

Geeft de structuurafbeelding aan wanneer de vlakstijl is ingesteld op Niet belichte structuur. (Zie Instellingen 3D-materialen.)

Renderen voor einduitvoer

Deze optie geeft bij geëxporteerde videoanimaties vloeiendere schaduwen en realistische kleurenafloopgebieden van gereflecteerde objecten en omgevingen. Het duurt langer om deze optie te verwerken.

Reflecties, brekingen, schaduwen

Hiermee toont of verbergt u de renderfuncties Met raytracering.

Achtervlakken verwijderen

Hiermee verbergt u oppervlakken aan de achterkant van tweezijdige onderdelen.

Randopties

Randopties bepalen hoe de lijnen van draadframes worden weergegeven.

Randstijl

Deze stijl vertegenwoordigt de opties Constante, Plat, Effen en Selectiekader (zie voor een beschrijving de paragraaf Vlakstijl hiervoor).

Drempel vouw

Hiermee past u het aantal structuurlijnen aan die in het model worden weergegeven. Een lijn of een vouw ontstaat wanneer twee veelhoeken in een model elkaar bij een bepaalde hoek raken. Als de hoeken elkaar bij een lagere hoek dan de waarde bij Drempel vouw raken (0-180), wordt de lijn die zo ontstaat, verwijderd. Bij een instelling van 0 wordt het volledige draadframe weergegeven.

Lijnbreedte

Hiermee geeft u de breedte in pixels op.

Achtervlakken verwijderen

Hiermee verbergt u randen aan de achterkant van tweezijdige onderdelen.

Verborgen lijnen verwijderen

Hiermee verwijdert u lijnen die door lijnen op de voorgrond worden overlapt.

Vertexopties

Vertexopties passen de vormgeving van de hoekpunten aan (intersecties van veelhoeken waaruit een draadframemodel bestaat).

Vertexstijl

Deze stijl vertegenwoordigt de opties Constante, Plat, Effen en Selectiekader (zie voor een beschrijving de paragraaf Vlakstijl hiervoor).

Straal

Hiermee bepaalt u de pixelradius van elk hoekpunt.

Achtervlakken verwijderen

Hiermee verbergt u hoekpunten aan de achterkant van tweezijdige onderdelen.

Verborgen hoekpunten verwijderen

Hiermee verwijdert u hoekpunten die door hoekpunten op de voorgrond worden overlapt.

Stereo-opties

Stereo-opties passen instellingen voor afbeeldingen aan die met roodblauwe brillen worden bekeken, of worden afgedrukt op objecten die een lenticulaire lens bevatten.

Type stereo

Hiermee geeft u rood/blauw op voor afbeeldingen die met gekleurde brillen worden bekeken, of die verticaal zijn geïnterlinieerd voor lenticulaire afdrukken.

Parallax

Hiermee past u de afstand tussen de twee stereocamera's aan. Een hogere instelling geeft een meer driedimensionale diepte van het veld, waardoor items voor of achter het scherptevlak onscherp zijn.

Lenticulaire ruimte

Hiermee geeft u voor verticaal geïnterlinieerde afbeeldingen op hoeveel lijnen per inch een lenticulaire lens heeft.

Scherptevlak

Hiermee bepaalt u de positie van het scherptevlak ten opzichte van het midden van het selectiekader van het model. Voer negatieve waarden in om het vlak naar voren te verplaatsen en positieve waarden om het vlak naar achteren te verplaatsen.

Een rendervoorinstelling opslaan of verwijderen

  1. Klik boven in het 3D-deelvenster op de knop Scène .

  2. Klik op Renderinstellingen.

  3. Voer een van de twee volgende handelingen uit:

    • Als u een voorinstelling wilt opslaan, past u de instellingen aan en klikt u op de knop Opslaan .

    • Als u een voorinstelling wilt verwijderen, selecteert u deze in het menu Voorinstelling en klikt u op de knop Verwijderen .

Een 3D-bestand voor einduitvoer renderen

Wanneer u klaar bent met het 3D-bestand, maakt u de eindrendering om een versie in de hoogste kwaliteit te maken voor uitvoer naar het web, afdrukken of animatie. Bij eindrendering worden raytracering en een hogere samplesnelheid gebruikt om realistischer belichtings- en schaduweffecten vast te leggen.

Gebruik de eindrenderingsmodus voor het verbeteren van de volgende effecten in een 3D-scène:

  • Belichting op basis van afbeelding en globale omgevingskleur.

  • Belichting van objectreflectie (kleurenafloopgebied).

  • Minder ruis in zachte schaduwen.

Opmerking:

Een eindrendering kan afhankelijk van het model, de belichting en de mappen in een 3D-scène veel tijd in beslag nemen.

  1. Breng eventuele noodzakelijke aanpassingen aan het model aan, waaronder belichtings- en schaduweffecten.

    Opmerking:

    U hoeft de instellingen van Anti-alias voor de scène niet te wijzigen voordat er wordt gerenderd. Standaard wordt de instelling Best gebruikt.

  2. Klik boven in het 3D-deelvenster op de knop Scène en klik vervolgens op de scènevermelding in de onderstaande lijst.

  3. Selecteer Eindresultaat raytracering in het menu Kwaliteit onder in het deelvenster.

Nadat er is gerenderd, kunt u de 3D-scène voor uitvoer in een ander formaat afvlakken, de 3D-scène samenstellen met 2D-inhoud of de 3D-scène rechtstreeks vanuit de 3D-laag afdrukken.

Opmerking:

Voor geëxporteerde videoanimaties is Renderen voor einduitvoer beschikbaar als optie in het dialoogvenster 3D-renderinstellingen. Zie Renderinstellingen aanpassen.

3D-bestanden opslaan en exporteren

U behoudt de 3D-inhoud in een bestand door het bestand in de Photoshop-indeling of in een andere ondersteunde afbeeldingsindeling op te slaan. U kunt een 3D-laag ook als een bestand in een ondersteunde 3D-bestandsindeling exporteren.

3D-lagen exporteren

U kunt 3D-lagen in alle ondersteunde 3D-indelingen exporteren: Collada DAE, Wavefront/OBJ, U3D en Google Earth 4 KMZ. Wanneer u een exportindeling kiest, moet u met het volgende rekening houden:

  • In de indeling Wavefront/OBJ worden camera-instellingen, lichten of animatie niet opgeslagen.

  • Alleen bij Collada DAE worden renderinstellingen opgeslagen.

Ga als volgt te werk om een 3D-laag te exporteren:

  1. Kies 3D > 3D-laag exporteren.

  2. Kies een indeling voor het exporteren van structuren:

    • U3D en KMZ ondersteunen JPEG of PNG als structuurindelingen.

    • DAE en OBJ ondersteunen alle door Photoshop ondersteunde afbeeldingsindelingen voor structuren.

  3. (Optioneel) Als u naar de U3D-indeling exporteert, kiest u een coderingsoptie. ECMA 1 is compatibel met Acrobat 7.0 en ECMA 3 is compatibel met Acrobat 8.0 en hoger en zorgt voor enige compressie van netten.

  4. Klik op OK om te exporteren.

Beperkingen bij het exporteren naar een U3D-indeling

Controleer of de 3D-lagen die u als U3D exporteert alleen geometrie voor driehoekige objecten bevatten. Houd ook rekening met de volgende beperkingen bij het exporteren van 3D-lagen als U3D:

  • Primitieven van een hoger niveau, zoals NURBS, splines en curves, worden niet ondersteund.
  • Structuurtoewijzing is beperkt tot één onscherpe toewijzing per materiaal. De structuurtoewijzingen voor omgeving, spiegeling, lichtsterkte of dekking worden niet ondersteund.
  • Animatie van materiaal wordt niet ondersteund.

Een 3D-bestand opslaan

U behoudt de positie, belichting, rendermodus en doorsneden van een 3D-model door bestanden met 3D-lagen in de indeling PSD, PSB, TIFF of PDF op te slaan.

  1. Kies Bestand > Opslaan of Bestand > Opslaan als, selecteer de indeling Photoshop (PSD), Photoshop PDF of TIFF en klik op OK.

Dit werk is gelicentieerd onder de Creative Commons Naamsvermelding/Niet-commercieel/Gelijk delen 3.0 Unported-licentie  De voorwaarden van Creative Commons zijn niet van toepassing op Twitter™- en Facebook-berichten.

Juridische kennisgevingen   |   Online privacybeleid