Lees hier hoe u uw Adobe Connect-server implementeert door deze toegankelijk te maken via internet door het definiëren van een FQDN.

Adobe Connect-server gebruiken

  1. Definieer een FQDN (volledig gekwalificeerde domeinnaam) voor Adobe Connect op uw DNS-server (zoals connect.mijnbedrijf.nl). Wijs de domeinnaam toe aan het statische IP-adres van de computer die als host fungeert voor Adobe Connect.
  2. Als Adobe Connect ook buiten uw netwerk beschikbaar moet zijn, configureert u de volgende poorten in een firewall:

    80

    De standaardpoort voor de Adobe Connect-toepassingsserver. De tertiaire poort voor de vergaderingsserver (Adobe Media Server).

    1935

    De standaardpoort voor de vergaderingsserver (Adobe Media Server).

    443

    De standaardpoort voor SSL. De tweede poort voor de vergaderingsserver (Adobe Media Server).

  3. Als Adobe Connect en AEM verschillende domeinen hebben, voegt u de parameter ENABLE_CQ_PARAMETER_AUTH=true in het bestand custom.ini toe.

    Opmerking:

    Vanaf Adobe Connect 9.2 wordt de waarde van de parameter DOMAIN_COOKIE gedefinieerd in het bestand custom.ini als u de Adobe Connect-server en AEM-server op hetzelfde domein hebt geïnstalleerd.

  4. Als Adobe Connect-verkeer wordt omgeleid via een gateway (met een ander IP-adres), moet u ervoor zorgen dat de firewalls zijn geconfigureerd voor het accepteren van aanvragen van het IP-adres van de gateway.

Als u de aanpassingen wilt herstellen, voert u ze opnieuw uit in het nieuwe ConnectProSvc.conf. Neem voor hulp bij het implementeren van Adobe Connect via www.adobe.com/support/programs/connect contact op met de ondersteuning van Adobe.

Een cluster van Adobe Connect-servers gebruiken

  1. Installeer en configureer Adobe Connect op een toepassingsgerichte server.

    Gebruik voor elke installatie van Adobe Connect hetzelfde serienummer en licentiebestand. Installeer de ingesloten database-engine niet en als u een gebruikersnaam en een wachtwoord moet opgeven voor de gedeelde opslag, start u Adobe Connect niet via het installatieprogramma.

  2. Als de gedeelde opslag een gebruikersnaam en wachtwoord vereist, voegt u deze als volgt toe aan de Adobe Connect Service:

    1. Open het configuratiescherm Services.

    2. Dubbelklik op Adobe Connect Service.

    3. Klik op het tabblad Aanmelding.

    4. Klik op het keuzerondje Deze account en typ de gebruikersnaam voor de gedeelde opslag in het vak. De syntaxis van de gebruikersnaam is [subdomein\]gebruikersnaam.

    5. Typ het wachtwoord voor de gedeelde opslag en bevestig dit.

    6. Klik op Toepassen en daarna op OK.

  3. Ga als volgt te werk om Adobe Connect te starten:

    1. Selecteer Adobe Media Server (AMS) in het configuratiescherm Services en klik op De service starten.

    2. Selecteer Adobe Connect Service in het configuratiescherm Services en klik op De service starten.

  4. Kies Start > Programma's > Adobe Connect Server > Adobe Connect-server configureren om de toepassingsbeheerconsole te openen. Klik op Volgende.

  5. In het scherm Database-instellingen typt u de informatie voor de SQL Server-database en klikt u op Volgende.

    Als Adobe Connect een verbinding tot stand brengt met de database, ziet u een bevestiging en de database-instellingen. Klik op Volgende.

  6. Voer de volgende handelingen uit in het scherm Serverinstellingen en klik op Volgende:

    1. Geef een accountnaam op.

    2. Typ in het veld Adobe Connect-host de naam van de Adobe Connect-server.

    3. Typ een HTTP-poortnummer. Afhankelijk van het taakverdelingsmechanisme typt u hier 80 of 8080.

    4. Typ de externe naam van het clusterknooppunt.

    5. Typ de domeinnaam van de SMTP-host en het SMTP-systeem en de e-mailadressen van de technische ondersteuning.

    6. Als u gedeelde opslag gebruikt, typt u het pad naar het volume of de volumes (plaats puntkomma's als scheidingsteken tussen de verschillende volumes)

    7. Typ het percentage van de Adobe Connect-server dat u als lokaal cachegeheugen wilt gebruiken.

      Opmerking:

      de inhoud wordt naar het lokale cachegeheugen en het volume voor gedeelde opslag geschreven. De inhoud blijft 24 uur in het cachegeheugen staan nadat het voor het laatst is gebruikt. Als het percentage voor het cachegeheugen wordt overschreden, wordt de inhoud gewist.

  7. Upload het licentiebestand en klik op Volgende.

  8. Maak een beheerder en klik op Voltooien.

  9. Herhaal stap 1 - 8 voor elke server in de cluster.

  10. Voer de volgende handelingen uit om het taakverdelingsmechanisme te configureren:

    1. Configureer het taakverdelingsmechanisme zo dat deze poort 80 bewaakt.

    2. Voeg de namen van alle clusterknooppunten toe aan het configuratiebestand van het taakverdelingsmechanisme.

    Opmerking:

    raadpleeg de documentatie van de leverancier voor meer informatie over het configureren van het taakverdelingsmechanisme.

  11. Open een webbrowser en typ de domeinnaam van het taakverdelingsmechanisme, zoals http://connect.voorbeeld.nl.

Neem voor hulp bij het implementeren van een cluster via www.adobe.com/support/programs/connect contact op met de ondersteuning van Adobe.

Bewerkingen in een cluster controleren

Als één computer in een cluster uitvalt, leidt het taakverdelingsmechanisme alle HTTP-aanvragen om naar een actieve computer in de cluster.

Wanneer een vergadering start, wijst de toepassingsserver op basis van de taken een primaire host en een back-uphost toe aan de vergaderingsruimte. Mocht de primaire host uitvallen, dan maken de clients verbinding met de back-uphost.

Het is belangrijk te controleren of inhoud die naar één server in een cluster is geüpload naar de andere computers in de cluster wordt gerepliceerd.

Bij de volgende procedure wordt ervan uitgegaan dat de cluster twee computers bevat, te weten Computer1 en Computer2.

Taakverdeling en vergaderingovername controleren

  1. Start Adobe Connect op beide computers.

    1. Kies Start > Programma's > Adobe Connect Server > Adobe Connect Meeting Server starten.

    2. Kies Start > Programma's > Adobe Connect Server > Adobe Connect Central Application Server starten.

  2. Meld u aan bij Adobe Connect Central via de volgende URL:

    http://[hostnaam]

    Gebruik voor hostnaam de waarde voor Adobe Connect-host die u hebt ingevoerd in de toepassingsbeheerconsole.

  3. Selecteer het tabblad Vergaderingen en klik op een vergaderingskoppeling om een vergaderruimte te betreden.

    Maak zo nodig een nieuwe vergadering.

  4. Stop Adobe Connect op Computer2.

    1. Kies Start > Programma's > Adobe Connect Server > Adobe Connect Central Application Server stoppen.

    2. Kies Start > Programma's > Adobe Connect Server > Adobe Connect Meeting Server stoppen.

      Als de vergaderingovername op de juiste wijze is uitgevoerd, wordt voor de vergadering nog steeds een groen verbindingslampje weergegeven.

  5. Klik op een tabblad of koppeling in Adobe Connect Central. Als het taakverdelingsmechanisme correct functioneert, kunt u aanvragen naar Adobe Connect Central sturen en antwoorden hierop ontvangen.

    Als een cluster meer dan twee computers bevat, past u bovenstaande procedure toe op elke computer in de cluster.

Replicatie van inhoud controleren

  1. Start Adobe Connect op Computer1.

    1. Kies Start > Programma's > Adobe Connect Server > Adobe Connect Meeting Server starten.

    2. Kies Start > Programma's > Adobe Connect Server > Adobe Connect Central Application Server starten.

  2. Stop Adobe Connect op Computer2.

    1. Kies Start > Programma's > Adobe Connect Server > Adobe Connect Central Application Server stoppen.

    2. Kies Start > Programma's > Adobe Connect Server > Adobe Connect Meeting Server stoppen.

  3. Meld u aan bij Adobe Connect Central via de volgende URL:

    http://[hostnaam]

    Gebruik voor hostnaam de waarde voor Adobe Connect-host die u hebt ingevoerd in de toepassingsbeheerconsole.

  4. Upload een JPEG-afbeelding of andere inhoud naar Adobe Connect op Computer1:

    • Zorg ervoor dat u lid bent van de groep Auteurs. (Als u een accountbeheerder bent, kunt u uzelf toevoegen aan de groep Auteurs in Adobe Connect Central.)
    • Klik op het tabblad Inhoud.
    • Klik op Nieuwe inhoud en volg de stappen in de browser om inhoud toe te voegen.

    Nadat de testinhoud is geüpload, wordt de pagina Inhoud gebruiker geopend met daarop een lijst met de inhoud die van u is.

  5. Klik op de koppeling naar de geüploade testinhoud. 

    De pagina Informatie over inhoud wordt weergegeven en er wordt een URL voor het weergeven van de testinhoud geopend.

  6. Klik op de URL. Noteer de URL voor gebruik in een latere stap.

  7. Start Computer2, wacht tot Adobe Connect volledig is gestart en stop vervolgens Computer1.

    Als u een extern opslagapparaat hebt geconfigureerd, hoeft u niet te wachten tot Computer2 stopt. De benodigde inhoud wordt vanaf het externe apparaat gekopieerd.

  8. Sluit het browservenster waarin de testinhoud wordt weergegeven.

  9. Open een nieuw browservenster en ga naar de URL om de testinhoud weer te geven.

    Als de testinhoud wordt weergegeven, is de inhoud op de juiste wijze naar Computer2 gerepliceerd. Wordt een leeg venster of een foutbericht weergegeven, dan is het repliceren mislukt.

Dit werk is gelicentieerd onder de Creative Commons Naamsvermelding/Niet-commercieel/Gelijk delen 3.0 Unported-licentie  De voorwaarden van Creative Commons zijn niet van toepassing op Twitter™- en Facebook-berichten.

Juridische kennisgevingen   |   Online privacybeleid