Handboek Annuleren

De scherpte en vervaging van afbeeldingen aanpassen

  1. Photoshop Handboek
  2. Inleiding tot Photoshop
    1. Dream it. Make it.
    2. Nieuwe functies in Photoshop
    3. Uw eerste foto bewerken
    4. Documenten maken
    5. Photoshop | Veelgestelde vragen
    6. Systeemvereisten voor Photoshop
    7. Voorinstellingen, handelingen en instellingen migreren
    8. Maak kennis met Photoshop
  3. Photoshop en Adobe-services
    1. Photoshop en Adobe Stock
    2. Creative Cloud Libraries
    3. Creative Cloud Libraries in Photoshop
    4. De Touch Bar gebruiken met Photoshop
    5. Werken met illustraties van Illustrator in Photoshop
    6. De Capture-in-app-extensie in Photoshop gebruiken
    7. Raster en hulplijnen
    8. Handelingen maken
    9. Ongedaan maken en historie
    10. Standaardsneltoetsen
    11. Aanraakfuncties en aanpasbare werkruimten
  4. Photoshop voor de iPad
    1. Photoshop op de iPad | Veelgestelde vragen
    2. Kennismaken met de werkruimte
    3. Systeemvereisten | Photoshop voor iPad
    4. Documenten maken, openen en exporteren
    5. Foto's toevoegen
    6. Werken met lagen
    7. Tekenen en schilderen met penselen
    8. Selecties maken en maskers toevoegen
    9. Uw composities retoucheren
    10. Werk met aanpassingslagen
    11. Pas de tonaliteit van uw compositie aan met Curven
    12. Transformatiebewerkingen toepassen
    13. Uw composities uitsnijden en roteren
    14. Canvas roteren, pannen, zoomen en opnieuw instellen
    15. Werk met tekstlagen
    16. Werk met Photoshop en Lightroom
    17. Vind ontbrekende lettertypen in Photoshop op de iPad
    18. Japanse tekens in Photoshop op de iPad
    19. App-instellingen beheren
    20. Aanraaksneltoetsen en bewegingen
    21. Sneltoetsen
    22. Afbeeldingsgrootte bewerken
    23. Livestreamen terwijl u in Photoshop werkt op de iPad
    24. Imperfecties corrigeren met het Retoucheerpenseel
    25. Penselen maken in Capture en gebruiken in Photoshop
    26. Werken met Camera Raw-bestanden
    27. Slimme objecten maken en ermee werken
    28. De belichting in uw afbeeldingen aanpassen met Tegenhouden en Doordrukken
  5. Photoshop op internet (bèta)
    1. Veelgestelde vragen | Photoshop op internet (bèta) 
    2. Kennismaken met de werkruimte
    3. Systeemvereisten | Photoshop op internet (bèta)
    4. Sneltoetsen | Photoshop op internet (bèta)
    5. Ondersteunde bestandstypen | Photoshop op internet (bèta)
    6. Clouddocumenten openen en bewerken
    7. Samenwerken met belanghebbenden
    8. Beperkte bewerkingen toepassen op uw clouddocumenten
  6. Clouddocumenten
    1. Photoshop-clouddocumenten | Algemene vragen
    2. Photoshop-clouddocumenten | Vragen over workflow
    3. Clouddocumenten beheren en bewerken in Photoshop
    4. Cloudopslag upgraden voor Photoshop
    5. Kan geen clouddocumenten maken of opslaan
    6. Fouten met Photoshop-clouddocumenten oplossen
    7. Synchronisatielogboeken voor clouddocumenten verzamelen
    8. Toegang delen en uw clouddocumenten bewerken
    9. Bestanden delen en opmerkingen in de app
  7. Werkruimte
    1. Basisbegrippen voor werkruimten
    2. Documenten maken
    3. De Touch Bar gebruiken met Photoshop
    4. Ondersteuning voor Microsoft Surface Dial in Photoshop
    5. Toolgalerieën
    6. Prestatievoorkeuren
    7. Tools gebruiken
    8. Aanraakbewegingen
    9. Aanraakfuncties en aanpasbare werkruimten
    10. Technology Previews
    11. Metagegevens en notities
    12. Snel uw creaties delen
    13. Photoshop-afbeeldingen in andere toepassingen opnemen
    14. Voorkeuren
    15. Standaardsneltoetsen
    16. Linialen
    17. Niet-afdrukbare extra's tonen of verbergen
    18. Het aantal kolommen voor een afbeelding opgeven
    19. Ongedaan maken en historie
    20. Deelvensters en menu's
    21. Bestanden plaatsen
    22. Elementen instellen met de functie Magnetisch
    23. Plaatsen met de liniaal
    24. Voorinstellingen
    25. Sneltoetsen aanpassen
    26. Raster en hulplijnen
  8. Ontwerp van websites, schermen en apps
    1. Ontwerpen in Photoshop
    2. Tekengebieden
    3. Apparaatvoorvertoning
    4. CSS kopiëren uit lagen
    5. Webpagina’s segmenteren
    6. HTML-opties voor segmenten
    7. De segmentlay-out wijzigen
    8. Werken met webafbeeldingen
    9. Webfotogalerieën maken
  9. Basisprincipes van afbeeldingen en kleuren
    1. Afbeeldingen vergroten/verkleinen
    2. Werken met raster-en vectorafbeeldingen
    3. Grootte en resolutie van afbeeldingen
    4. Afbeeldingen ophalen van camera's en scanners
    5. Afbeeldingen maken, openen en importeren
    6. Afbeeldingen weergeven
    7. Fout Ongeldige JPEG-markering | Afbeeldingen openen
    8. Meerdere afbeeldingen weergeven
    9. Kleurkiezers en -stalen aanpassen
    10. HDR-afbeeldingen (High Dynamic Range)
    11. Kleuren in uw afbeelding afstemmen
    12. Afbeeldingen omzetten in andere kleurmodi
    13. Kleurmodi
    14. Delen van een afbeelding wissen
    15. Overvloeimodi
    16. Kleuren kiezen
    17. Geïndexeerde-kleurentabellen aanpassen
    18. Informatie over afbeeldingen
    19. Vervormingsfilters zijn niet beschikbaar
    20. Informatie over kleur
    21. Kleuren en monochrome instellingen aanpassen aan de hand van kanalen
    22. Kleuren kiezen in de deelvensters Kleur en Stalen
    23. Monster
    24. Kleurmodus of Afbeeldingsmodus
    25. Kleurzweem
    26. Een voorwaardelijke moduswijziging toevoegen aan een handeling
    27. Stalen toevoegen uit HTML, CSS en SVG
    28. Bitdiepte en voorkeuren
  10. Lagen
    1. Basisbegrippen voor lagen
    2. Niet-destructieve bewerkingen
    3. Lagen en groepen maken en beheren
    4. Lagen selecteren, groeperen en koppelen
    5. Afbeeldingen in kaders plaatsen
    6. Laagdekking en overvloeien
    7. Lagen maskeren
    8. Slimme filters toepassen
    9. Laagsamenstellingen
    10. Lagen verplaatsen, stapelen en vergrendelen
    11. Lagen maskeren met vectormaskers
    12. Lagen en groepen beheren
    13. Laageffecten en laagstijlen
    14. Laagmaskers bewerken
    15. Middelen extraheren
    16. Lagen met uitknipmaskers tonen
    17. Afbeeldingsmiddelen genereren op basis van lagen
    18. Werken met slimme objecten
    19. Overvloeimodi
    20. Meerdere afbeeldingen combineren tot een groepsportret
    21. Afbeeldingen combineren met automatisch overvloeiende lagen
    22. Lagen uitlijnen en verdelen
    23. CSS kopiëren uit lagen
    24. Selecties uit een laag of grenzen van een laagmasker laden
    25. Uitnemen om inhoud van andere lagen zichtbaar te maken
    26. Laag
    27. Afvlakken
    28. Samengesteld
    29. Achtergrond
  11. Selecties
    1. Werkruimte Selecteren en maskeren
    2. Snelle selecties maken
    3. Aan de slag met selecties
    4. Selecties aanbrengen met de selectiekadertools
    5. Selecties maken met de lasso’s
    6. Een kleurbereik selecteren in een afbeelding
    7. Pixelselecties aanpassen
    8. Paden omzetten in selectiekaders en omgekeerd
    9. Basisbegrippen voor kanalen
    10. Geselecteerde pixels verplaatsen, kopiëren en verwijderen
    11. Een tijdelijk snelmasker maken
    12. Selecties en alfakanaalmaskers opslaan
    13. De afbeeldingsgebieden met de focus selecteren
    14. Kanalen dupliceren, splitsen en samenvoegen
    15. Kanaalberekeningen
    16. Selectie
    17. Selectiekader
  12. Afbeeldingsaanpassingen
    1. Perspectief verdraaien
    2. Vervaging door camerabeweging verminderen
    3. Voorbeelden van de tool Retoucheerpenseel
    4. Kleur-opzoektabellen exporteren
    5. De scherpte en vervaging van afbeeldingen aanpassen
    6. Kleuraanpassingen
    7. De aanpassing Helderheid/contrast toepassen
    8. Schaduwdetails en hooglichtdetails aanpassen
    9. Aanpassing Niveaus
    10. De kleurtoon en verzadiging aanpassen
    11. Levendigheid aanpassen
    12. De kleurverzadiging in afbeeldingsgebieden aanpassen
    13. Snel aanpassingen aanbrengen aan tinten
    14. Speciale kleureffecten toepassen op afbeeldingen
    15. Uw afbeelding verbeteren met aanpassingen in kleurbalans
    16. HDR-afbeeldingen (High Dynamic Range)
    17. Histogrammen en pixelwaarden bekijken
    18. Kleuren in uw afbeelding afstemmen
    19. Foto's uitsnijden en rechttrekken
    20. Een kleurenfoto omzetten in zwart-wit
    21. Aanpassings- en opvullagen
    22. Aanpassing Curven
    23. Overvloeimodi
    24. Afbeeldingen voorbereiden voor drukken
    25. De kleur en toon aanpassen met de pipetten Niveaus en Curven
    26. HDR-belichting en -kleurtinten aanpassen
    27. Filter
    28. Vervagen
    29. Afbeeldingsgebieden doordrukken of tegenhouden
    30. Selectieve kleuraanpassingen aanbrengen
    31. Objectkleuren vervangen
  13. Adobe Camera Raw
    1. Systeemvereisten voor Camera Raw
    2. Nieuwe functies in Camera Raw
    3. Kennismaken met Camera Raw
    4. Panorama's maken
    5. Ondersteunde lenzen
    6. Vignet-, korrel- en neveleffecten in Camera Raw
    7. Standaardsneltoetsen
    8. Automatische perspectiefcorrectie in Camera Raw
    9. Niet-destructieve bewerkingen uitvoeren in Camera Raw
    10. Radiaalfilter in Camera Raw
    11. Camera Raw-instellingen beheren
    12. Afbeeldingen openen, verwerken en opslaan in Camera Raw
    13. Repareer afbeeldingen met de verbeterde tool Vlekken verwijderen in Camera Raw
    14. Afbeeldingen roteren, uitsnijden en aanpassen
    15. Kleurweergave aanpassen in Camera Raw
    16. Functieoverzicht | Adobe Camera Raw | 2018-versies
    17. Overzicht van nieuwe functies
    18. Procesversies in Camera Raw
    19. Lokale aanpassingen aanbrengen in Camera Raw
  14. Afbeeldingen repareren en restaureren
    1. Objecten verwijderen uit uw foto's met Vullen met behoud van inhoud
    2. Repareren en verplaatsen met behoud van inhoud
    3. Foto's retoucheren en repareren
    4. Afbeeldingsvervorming en -ruis corrigeren
    5. Eenvoudige probleemoplossing voor de meest voorkomende problemen
  15. Afbeeldingen transformeren
    1. Objecten transformeren
    2. Uitsnijding, rotatie en canvasgrootte aanpassen
    3. Foto's uitsnijden en rechttrekken
    4. Panoramische afbeeldingen maken en bewerken
    5. Afbeeldingen, vormen en paden verdraaien
    6. Perspectiefpunt
    7. Het filter Uitvloeien gebruiken
    8. Schalen en de inhoud behouden
    9. Afbeeldingen, vormen en paden transformeren
    10. Verdraaien
    11. Transformeren
    12. Panorama
  16. Tekenen en verven
    1. Symmetrische patronen tekenen
    2. Rechthoeken tekenen en lijnopties wijzigen
    3. Tekenen
    4. Vormen tekenen en bewerken
    5. Tekentools
    6. Penselen maken en wijzigen
    7. Overvloeimodi
    8. Kleur toevoegen aan paden
    9. Paden bewerken
    10. Tekenen met het mixerpenseel
    11. Voorinstellingen voor penselen
    12. Verlopen
    13. Interpolatie met verloop
    14. Selecties, lagen en paden vullen en omlijnen
    15. Tekenen met de pentools
    16. Patronen maken
    17. Een patroon maken met de Patroonmaker
    18. Paden beheren
    19. Bibliotheken en voorinstellingen van patronen beheren
    20. Tekenen of verven met een grafisch tablet
    21. Structuurpenselen maken
    22. Dynamische elementen toevoegen aan penselen
    23. Verloop
    24. Gestileerde streken tekenen met het penseel Tekeninghistorie
    25. Tekenen met een patroon
    26. Voorinstellingen synchroniseren op meerdere apparaten
  17. Tekst
    1. Werken met OpenType SVG-lettertypen
    2. Tekens opmaken
    3. Alinea's opmaken
    4. Teksteffecten maken
    5. Tekst bewerken
    6. Regelafstand en tekenspatiëring
    7. Arabische en Hebreeuwse tekst
    8. Lettertypen
    9. Problemen met lettertypen oplossen
    10. Aziatische tekst
    11. Tekst maken
    12. Tekstenginefout met Typegereedschap in Photoshop | Windows 8
    13. World-Ready composer voor Aziatische scripts
    14. Tekst toevoegen en bewerken in Photoshop
  18. Video en animatie
    1. Video's bewerken in Photoshop
    2. Video- en animatielagen bewerken
    3. Overzicht van video en animatie
    4. Voorvertoningen van video en animaties weergeven
    5. Frames tekenen in videolagen
    6. Videobestanden en reeksen afbeeldingen importeren
    7. Frameanimaties maken
    8. Creative Cloud 3D-animatie (Preview)
    9. Tijdlijnanimaties maken
    10. Afbeeldingen maken voor video
  19. Filters en effecten
    1. Het filter Uitvloeien gebruiken
    2. De galerie Vervagen gebruiken
    3. Basisbeginselen van filters
    4. Overzicht van de filtereffecten
    5. Belichtingseffecten toevoegen
    6. Het filter Adaptief groothoek gebruiken
    7. Het filter Olieverf gebruiken
    8. Laageffecten en laagstijlen
    9. Specifieke filters toepassen
    10. Natte vinger gebruiken in afbeeldingsgebieden
  20. Opslaan en exporteren
    1. Uw bestanden opslaan in Photoshop
    2. Bestanden exporteren in Photoshop
    3. Ondersteunde bestandsindelingen
    4. Bestanden opslaan in grafische indelingen
    5. Ontwerpen verplaatsen tussen Photoshop en Illustrator
    6. Video en animaties opslaan en exporteren
    7. PDF-bestanden opslaan
    8. Digimarc-copyrightbescherming
  21. Afdrukken
    1. 3D-objecten afdrukken
    2. Afdrukken vanuit Photoshop
    3. Afdrukken met kleurbeheer
    4. Contactbladen en PDF-presentaties
    5. Foto's afdrukken in een figuurpakketlay-out
    6. Steunkleuren afdrukken
    7. Duotonen
    8. Afbeeldingen drukken op een professionele drukpers
    9. Kleurenafdrukken in Photoshop verbeteren
    10. Problemen met afdrukken oplossen | Photoshop
  22. Automatisering
    1. Handelingen maken
    2. Gegevensgestuurde afbeeldingen maken
    3. Scripts
    4. Een groep bestanden verwerken
    5. Handelingen afspelen en beheren
    6. Voorwaardelijke acties toevoegen
    7. Handelingen en het deelvenster Handelingen
    8. Tools opnemen in handelingen
    9. Een voorwaardelijke moduswijziging toevoegen aan een handeling
    10. Photoshop-gebruikersinterfacewerkset voor plug-ins en scripts
  23. Kleurbeheer
    1. Werken met kleurbeheer
    2. Kleuren consistent houden
    3. Kleurinstellingen
    4. Werken met kleurprofielen
    5. Kleurbeheer toepassen op documenten voor onlineweergave
    6. Kleurbeheer toepassen op documenten bij afdrukken
    7. Kleurbeheer toepassen op geïmporteerde afbeeldingen
    8. Kleuren controleren
  24. Content Authenticity
    1. Meer informatie over inhoudreferenties
    2. Identiteit en herkomst voor NFT's
    3. Accounts verbinden voor creatieve toewijzing
  25. 3D-beelden en technische beeldverwerking
    1. Photoshop 3D | Veelgestelde vragen over 3D-functies die niet meer beschikbaar zijn
    2. Creative Cloud 3D-animatie (Preview)
    3. 3D-objecten afdrukken
    4. Tekenen in 3D
    5. Verbeteringen in het 3D-deelvenster | Photoshop
    6. De belangrijkste 3D-concepten en -tools
    7. 3D renderen en opslaan
    8. 3D-objecten en -animaties maken
    9. Afbeeldingsstapels
    10. 3D-workflow
    11. Metingen
    12. DICOM-bestanden
    13. Photoshop en MATLAB
    14. Objecten in een afbeelding tellen
    15. 3D-objecten combineren en omzetten
    16. Structuren bewerken in 3D
    17. HDR-belichting en -kleurtinten aanpassen
    18. Instellingen van het 3D-deelvenster

Photoshop biedt verschillende tools, filters en maskers waarmee u de scherpte (of vervaging) van afbeeldingen tot in het kleinste detail kunt instellen.

Aanbevelingen voor verscherpen

Door de afbeelding scherper te maken verbetert u de scherpte van de randen. Of afbeeldingen nu afkomstig zijn van een digitale camera of van een scanner, de meeste afbeeldingen worden mooier wanneer u ze verscherpt. De mate van verscherping die nodig is, hangt af van de kwaliteit van de digitale camera of scanner. Met verscherping kunt u niet zeer vage foto's corrigeren.

Tips voor verbeterde resultaten bij het toepassen van verscherping:

  • Verscherp de afbeelding in een afzonderlijke laag, zodat u deze later nogmaals kunt verscherpen, als u de afbeelding naar een ander medium wilt uitvoeren.

  • Als u de afbeelding verscherpt in een afzonderlijke laag, stelt u de overvloeimodus van de laag in op Lichtsterkte om kleurverschuivingen langs de randen te voorkomen.

  • Met verscherpen wordt het contrast van de afbeelding verhoogd. Mochten er na het verscherpen hooglichten of schaduwen zijn bijgeknipt, gebruikt u de instellingen voor het overvloeien van lagen (als u een afzonderlijke laag verscherpt) om te voorkomen dat hooglichten en schaduwen worden verscherpt. Zie Een toonbereik opgeven voor het overvloeien van lagen.

  • Verminder de afbeeldingsruis voordat u gaat verscherpen, zodat de ruis niet erger wordt.

  • Verscherp de afbeelding meerdere keren in geringe mate. Verscherp de eerste keer om de vervaging te corrigeren die is veroorzaakt door het vastleggen van de afbeelding (door scannen of fotograferen met de digitale camera). Nadat u de kleur van de afbeelding hebt gecorrigeerd en de grootte ervan hebt vastgelegd, verscherpt u de afbeelding (of een kopie ervan) nogmaals om de juiste hoeveelheid verscherping toe te voegen aan het uitvoermedium.

  • Indien mogelijk beoordeelt u de verscherpte afbeelding door deze uit te voeren naar het uiteindelijke medium. De hoeveelheid verscherping die nodig is, verschilt per uitvoermedium.

Gebruik het filter Onscherp masker of Slim verscherpen voor meer controle bij het verscherpen van afbeeldingen. Hoewel Photoshop ook de filters Verscherpen, Scherpe randen en Scherper bevat, zijn deze filters automatisch en kunt u geen instellingen en opties kiezen.

U kunt de gehele afbeelding verscherpen, of slechts een gedeelte met gebruik van een selectie of een masker. Omdat u de filters Onscherp masker en Slim verscherpen slechts op één laag tegelijk kunt toepassen, moet u mogelijk de lagen verenigen of de lagen uit het bestand samenvoegen tot één laag zodat u alle lagen in een bestand met meerdere lagen kunt verscherpen.

Opmerking:

De naam Onscherp masker is afgeleid van een donkere-kamertechniek in traditionele filmrolfotografie. Dit filter verscherpt juist.

Verscherpen met gebruik van Slim verscherpen

Het filter Slim verscherpen bevat instellingen voor verscherpen die niet beschikbaar zijn met het filter Onscherp masker. U kunt het algoritme voor verscherpen instellen of de hoeveelheid verscherping regelen die optreedt in gebieden met schaduwen en hooglichten.

Photoshop – Het dialoogvenster Slim verscherpen
(Photoshop) Het dialoogvenster Slim verscherpen

  1. Zoom in het documentvenster naar 100% voor een nauwkeurige weergave van de verscherping.
  2. Kies Filter > Verscherpen > Slim verscherpen.

  3. Stel de instellingen in in de tabbladen voor verscherpen:

    Hoeveelheid

    Hiermee stelt u de mate van verscherping in. Met een hogere waarde verhoogt u het contrast tussen de randpixels, waardoor de afbeelding scherper wordt.

    Straal

    Hiermee bepaalt u het aantal pixels rondom de randpixels die worden aangepast door de verscherping. Hoe groter de straal, des te breder de randeffecten en des te duidelijker de verscherping.

    Ruis reduceren

    (Alleen Photoshop ) Reduceer ongewenste ruis zonder belangrijke randen te verwijderen.

    Verwijderen

    Hiermee stelt u het verscherpingsalgoritme in dat wordt gebruikt om de afbeelding te verscherpen.

    • Gaussiaans vervagen is de methode die wordt gebruikt bij het filter Onscherp masker.
    • Met Vage lens worden de randen en de details in een afbeelding gedetecteerd, krijgen details meer verscherping en worden stralenkransen minder verscherpt.
    • Met Bewegingsonscherpte wordt geprobeerd de effecten van het vervagen te verminderen die zijn ontstaan door het bewegen van de camera of het object. Geef een instelling voor Hoek op als u Bewegingsonscherpte kiest.

    Hoek

    Hiermee stelt u de bewegingsrichting in voor de optie Bewegingsonscherpte voor de instelling Verwijderen.

    Nauwkeuriger

    De optie wordt ingeschakeld voor gebruik wanneer u de verouderde optie gebruikt (uit CS6) en het bestand langzaam verwerkt voor nauwkeuriger verwijderen van vervaging.

  4. Pas het verscherpen van donkere en lichte gebieden aan met behulp van de tabbladen voor Schaduw en Hooglicht. (Klik op de knop Geavanceerd om deze tabbladen weer te geven.) Als de donkere of lichte stalenkransen te sterk opvallen, kunt u ze reduceren met de volgende besturingselementen die alleen beschikbaar zijn voor afbeeldingen met 8 of 16 bits per kanaal:

    Hoeveelheid vervaging

    Hiermee past u de hoeveelheid verscherping aan in de hooglichten of schaduwen.

    Toonbreedte

    Hiermee regelt u het toonbereik in de schaduwen of de hooglichten die worden gewijzigd. Verplaats de schuifregelaar naar links of naar rechts om de waarde voor Toonbreedte te verlagen of te verhogen. Lagere waarden beperken de aanpassing tot de donkerste gedeelten bij schaduwcorrectie en tot de lichtste gedeelten bij hooglichtcorrectie.

    Straal

    Hiermee regelt u de grootte van het gebied rondom elke pixel dat wordt gebruikt om te bepalen of een pixel zich in een schaduw of een hooglicht bevindt. Als u de schuifregelaar naar links verplaatst, geeft u een kleiner gebied op, terwijl verplaatsing naar rechts een groter gebied geeft.

  5. Klik op OK.

Verscherpen met gebruik van Onscherp masker

Met het filter Onscherp masker wordt een afbeelding verscherpt door het contrast langs de randen van een afbeelding te verhogen. Met het filter Onscherp masker kunt u geen randen in een afbeelding zoeken. In plaats daarvan worden pixels gezocht die in waarde verschillen van de omringende pixels op basis van de opgegeven drempel. Vervolgens wordt het contrast van de aangrenzende pixels verhoogd met de opgegeven hoeveelheid. Voor de aangrenzende pixels worden de lichtere pixels lichter en de donkerdere pixels donkerder.

Daarnaast geeft u de straal op van het gebied waarmee elke pixel wordt vergeleken. Hoe groter de straal, des te groter de randeffecten.

Onscherp masker in Photoshop
Oorspronkelijke afbeelding en afbeelding waarop het filter Onscherp masker is toegepast

De mate van verscherping die wordt toegepast op een afbeelding is vaak een kwestie van persoonlijke voorkeur. Als u een afbeelding te veel verscherpt, ontstaat er een halo-effect rond de randen.

Onscherp masker in Photoshop
Als u een afbeelding te veel verscherpt, ziet u stralenkransen bij de randen.

De effecten van het filter Onscherp masker zijn duidelijker op het scherm dan in uitvoer met een hoge resolutie. Als de uiteindelijke uitvoer bestaat uit gedrukt materiaal, experimenteert u om te bepalen wat de beste instellingen zijn voor de afbeelding.

  1. (Optioneel) Als de afbeelding uit meerdere lagen bestaat, selecteert u de laag met de afbeelding die u wilt verscherpen. U kunt Onscherp masker toepassen op slechts één laag tegelijkertijd, ook als lagen zijn gekoppeld of gegroepeerd. U kunt de lagen verenigen voordat u het filter Onscherp masker toepast.
  2. Kies Filter > Verscherpen > Onscherp masker. Zorg dat de optie Voorvertoning is geselecteerd.

    Opmerking:

    Klik op de afbeelding in de voorvertoning en houd de muisknop ingedrukt om te zien hoe de afbeelding eruitziet zonder de verscherping. Sleep in het venster met de voorvertoning om verschillende delen van de afbeelding te bekijken en klik op + of - om in of uit te zoomen.

    Hoewel een voorvertoning wordt weergegeven in het dialoogvenster Onscherp masker, kunt u het dialoogvenster beter verplaatsen zodat u de effecten van het filter in het documentvenster kunt bekijken.

  3. Sleep de schuifregelaar Straal of voer een waarde in om het aantal pixels rond de randpixels op te geven dat van invloed is op de verscherping. Hoe groter de straal, des te breder de randeffecten. Hoe breder de randeffecten, des te duidelijker de verscherping.

    De waarde voor Straal verschilt per object, de grootte van de uiteindelijke reproductie en de uitvoermethode. Voor afbeeldingen met een hoge resolutie wordt een waarde tussen 1 en 2 aanbevolen. Een lagere waarde resulteert alleen in verscherping van de randpixels en met een hogere waarde wordt een bredere strook pixels verscherpt. Dit effect is minder zichtbaar op een afdruk dan op het scherm. De reden hiervoor is dat een straal van 2 pixels een kleiner gebied vertegenwoordigt in een gedrukte afbeelding met een hoge resolutie.

  4. Sleep de schuifregelaar Hoeveel of voer een waarde in om de toename in het contrast van de pixels te bepalen. Voor gedrukte afbeeldingen met een hoge resolutie geeft een waarde tussen 150 en 200% meestal het beste resultaat.
  5. Sleep de schuifregelaar Drempel of voer een waarde in om aan te geven in welke mate de verscherpte pixels moeten verschillen van het omringende gebied voordat deze als randpixels worden beschouwd en worden verscherpt door het filter. Zo is een drempel van 4 van invloed op alle pixels met toonwaarden die met een waarde van vier of meer verschillen, op een schaal van 0 tot 255. Als aangrenzende pixels toonwaarden hebben van 128 en 129, worden deze niet gewijzigd. U voorkomt ruis of beperking van waarden, bijvoorbeeld in afbeeldingen met huidskleuren, als u gebruikmaakt van een randmasker of experimenteert met waarden voor Drempel tussen 2 en 20. Met de standaarddrempelwaarde (0) worden alle pixels in de afbeelding verscherpt.

Opmerking:

Als u Onscherp masker toepast en reeds lichte kleuren hierdoor te verzadigd worden, kiest u Bewerken > Vervagen Onscherp masker en kiest u Lichtsterkte in het menu Modus.

Selectief verscherpen

U kunt gedeelten van de afbeelding verscherpen door een masker of een selectie te gebruiken waarmee u verscherping in bepaalde gedeelten van de afbeelding voorkomt. U kunt bijvoorbeeld een randmasker toepassen met het filter Onscherp masker op een portret voor het verscherpen van de ogen, de mond, de neus en de omtrek van het hoofd, maar niet van de structuur van de huid.

Selectief verscherpen in Photoshop
Het filter Onscherp masker alleen op bepaalde gedeelten van een afbeelding toepassen met behulp van een randmasker

Een selectie verscherpen

  1. Selecteer de afbeeldingslaag in het deelvenster Lagen en teken een selectie.
  2. Kies Filter > Verscherpen > Onscherp masker. Pas de opties aan en klik op OK.

    Alleen de selectie wordt verscherpt, de rest van de afbeelding blijft ongewijzigd.

Een afbeelding verscherpen met behulp van een randmasker

  1. Maak een masker om verscherpen selectief toe te passen. U kunt een randmasker op verschillende manieren maken. Gebruik uw favoriete methode, of probeer deze:
    • Open het deelvenster Kanalen en selecteer het kanaal waarmee de grijswaardenafbeelding met het grootste contrast wordt weergegeven in het documentvenster. Vaak is dit het groene of het rode kanaal.
    Randmasker in Photoshop
    Een kanaal met het grootste contrast selecteren

    • Dupliceer het geselecteerde kanaal.
    • Selecteer het gedupliceerde kanaal en kies Filter > Stileer > Contrastlijn.
    • Kies Afbeelding > Aanpassingen > Negatief om de afbeelding negatief te maken.
    Na toepassing van het filter Contrastlijn en de opdracht Negatief in Photoshop
    Na toepassing van het filter Contrastlijn en de opdracht Negatief

    • Houd de negatieve afbeelding geselecteerd en kies Filter > Overige > Maximaal. Stel de straal in op een lage waarde en klik op OK om de randen te verbreden en de pixels willekeurig te maken.
    • Kies Filter > Ruis > Mediaan. Stel de straal in op een lage waarde en klik op OK. Hiermee verdeelt u de omliggende pixels evenredig.
    • Kies Afbeelding > Aanpassingen > Niveaus en stel het zwartpunt in op een hoge waarde om willekeurige pixels te vermijden. U kunt zonodig ook inkleuren met zwart om het uiteindelijke randmasker te retoucheren.
    Het zwarte punt van een randmasker in Photoshop
    Een hoge waarde opgeven voor het zwarte punt in het dialoogvenster Niveaus om willekeurige pixels in het randmasker te voorkomen

    • Kies Filter > Vervagen > Gaussiaans vervagen om de randen te verzachten.
    Opmerking:

    De filters Maximaal, Mediaan en Gaussiaans vervagen verzachten het randmasker zodat de verscherpingseffecten beter overvloeien in de uiteindelijke afbeelding. Hoewel deze drie filters allemaal in deze procedure worden gebruikt, kunt u experimenteren met het toepassen van slechts één of twee filters.

  2. Houd Ctrl (Windows) of Command (Mac OS) ingedrukt en klik op het gedupliceerde kanaal in het deelvenster Kanalen om het randmasker te selecteren.
  3. Selecteer de afbeeldingslaag in het deelvenster Lagen. Controleer of de selectie nog zichtbaar is in de afbeelding.

  4. Kies Selecteren > Selectie omkeren.
  5. Kies terwijl de selectie actief is op de afbeeldingslaag Filter > Verscherpen > Onscherp masker. Stel de gewenste opties in en klik op OK.

    Als u de resultaten wilt bekijken, selecteert u het RGB-kanaal in het deelvenster Kanalen en schakelt u de selectie in de afbeelding uit.

    Opmerking:

    U kunt een handeling maken om alle stappen in de procedure op een eenvoudige manier toe te passen.

Vage lens toevoegen

Bijgewerkt in Photoshop 21.1 (versie van februari 2020)

Hiermee voegt u een vervaging toe aan een afbeelding om het effect te verkrijgen van een kleinere scherptediepte, zodat bepaalde objecten in de afbeelding scherp blijven terwijl andere vaag worden. Met een eenvoudige selectie kunt u bepalen welke gebieden vaag worden. U kunt ook een afzonderlijke dieptetoewijzing voor een alfakanaal maken om exact aan te geven hoeveel vervaging u wilt toevoegen.

Voor Vage lens Na Vage lens

Bij het filter Vage lens wordt de positie van de pixels in een afbeelding bepaald met de dieptetoewijzing. Als u een dieptetoewijzing hebt geselecteerd, kunt u ook het dradenkruis gebruiken om het beginpunt van een bepaalde vervaging in te stellen. Met alfakanalen en laagmaskers kunt u dieptetoewijzingen maken. Zwarte gebieden in alfakanalen worden behandeld alsof deze vooraan op de foto staan en witte gebieden worden behandeld alsof deze ver weg staan.

De weergave van een vervaging is afhankelijk van de irisvorm die u kiest. De irisvorm wordt bepaald door het aantal bladen. U kunt de bladen van een iris wijzigen door de bladen te krommen (zodat deze ronder worden) of door ze te roteren. U kunt de voorvertoning verkleinen of vergroten door op de min- of plusknop te klikken.

  1. (Optioneel) Schakel de grafische processor in Photoshop in. Kies Bewerken (Windows) / Photoshop (macOS) > Voorkeuren > Prestaties, en selecteer GPU gebruiken in het dialoogvenster Voorkeuren.

    Vanaf Photoshop 21.0 (versie van november 2019) maakt Vage lens gebruik van de grafische kaart van uw computer om snellere prestaties te produceren tijdens het toepassen van de filters voor lensonscherpte. In Photoshop 21.1 (versie van februari 2020) is het algoritme voor Vage lens verder verbeterd om vagere randen te bereiken voor objecten op de voorgrond, en helderdere bokehs en meer realistische spiegelende hooglichten te verkrijgen.

  2. Kies Filter > Vervagen > Vage lens.

  3. Kies bij Voorvertoning een van de volgende opties:

    • Sneller: kies deze optie om snellere voorvertoningen te genereren. 
    • Nauwkeuriger: kies deze optie om de definitieve versie van de afbeelding weer te geven. Nauwkeurigere voorvertoningen worden langzamer gegenereerd.
  4. Kies voor Diepte toewijzen een kanaal uit het menu Bron - Transparantie of Laagmasker. Selecteer Geen als u geen kanaal met een bron voor het toewijzen van diepte hebt.

    Sleep de schuifregelaar bij Brandpuntsafstand vervagen om de diepte in te stellen waarop de pixels scherp zijn. Als u de brandpuntsafstand bijvoorbeeld instelt op 100, worden pixels op 1 en 255 volledig vervaagd en worden pixels dichter bij 100 minder vervaagd.

    Als u in de voorvertoning van de afbeelding klikt, verandert de schuifregelaar bij Brandpuntsafstand vervagen zodat u deze kunt gebruiken voor de aangeklikte locatie, en geeft deze de diepte van de aangeklikte locatie aan.

    Opmerking:

    Als u een geleidelijke vervaging (geen vervaging onderaan tot maximale vervaging bovenaan) wilt maken, maakt u een nieuw alfakanaal en past u een verloop toe, zodat het kanaal bovenaan de afbeelding wit is en onderaan de afbeelding zwart. Selecteer vervolgens het filter Vage lens en kies het alfakanaal in het menu Bron. Als u de richting van het verloop wilt wijzigen, schakelt u het selectievakje Negatief in.

  5. Als u de selectie of het alfakanaal dat u gebruikt als de bron voor dieptetoewijzing wilt omkeren, selecteert u Negatief.

  6. Kies een iris in het menu Vorm. Indien gewenst sleept u de schuifregelaar bij Bladkromming om de randen van de iris vloeiend te maken, of sleept u de schuifregelaar bij Rotatie om de iris te roteren.

    Sleep de schuifregelaar bij Straal om meer vervaging toe te voegen.

  7. Sleep voor Spiegelende hooglichten de schuifregelaar bij Drempel om een drempel voor de helderheid te selecteren. Alle pixels die helderder zijn dan deze waarde, worden behandeld als spiegelende hooglichten.

    Sleep de schuifregelaar bij Helderheid om de helderheid van de hooglichten te vergroten.

  8. Gebruik de schuifregelaar Hoeveelheid onder de sectie Ruis als u ruis aan de afbeelding wilt toevoegen. Kies een optie voor ruisdistributie -  Uniform of Gaussiaans

    Selecteer Monochromatisch om grijze ruis toe te voegen zonder gevolgen voor de kleuren. 

    Opmerking:

    Met Vervagen verwijdert u filmkorrels, ruis en fijne details uit de oorspronkelijke afbeelding.  Als u de afbeelding er realistisch en ongeretoucheerd wilt laten uitzien, kunt u de afbeelding weer wat ruis en fijne details geven.

  9. Klik op OK om de wijzigingen toe te passen op uw afbeelding.

Afbeeldingsgebieden vervagen

Met de tool Vervagen worden harde randen verzacht of details in een afbeelding verminderd. Hoe meer u met deze tool over een gebied tekent, hoe vager het gebied wordt.

  1. Selecteer de tool Vervagen .

  2. Voer de volgende handelingen uit op de optiebalk:
    • Kies een penseeluiteinde en stel opties voor de overvloeimodus en sterkte in op de optiebalk.
    • Schakel Monster nemen van alle lagen op de optiebalk in als u wilt vervagen met gegevens uit alle zichtbare lagen. Als deze optie is uitgeschakeld, gebruikt de tool alleen gegevens uit de actieve laag.
  3. Sleep over het deel van de afbeelding dat u wilt vervagen.

Afbeeldingsgebieden verscherpen

Met de tool Verscherpen verhoogt u het contrast langs de randen, zodat deze scherper lijken. Hoe meer u met deze tool over een gebied tekent, hoe duidelijker het effect van het verscherpen.

  1. Selecteer de tool Verscherpen . (Als de tool niet zichtbaar is, houdt u de tool Vervagen  ingedrukt.)
  2. Voer de volgende handelingen uit op de optiebalk:
    • Kies een penseeluiteinde en stel opties voor de overvloeimodus en sterkte in.
    • Schakel Monster nemen van alle lagen in als u wilt verscherpen met gegevens uit alle zichtbare lagen. Als deze optie is uitgeschakeld, gebruikt de tool alleen gegevens uit de actieve laag.
    • Selecteer Details beschermen om de details beter in het oog te laten springen en pixelvervormingen tot een minimum te beperken. Schakel deze optie uit als u een opvallender verscherpingseffect wilt bereiken.
  3. Sleep over het deel van de afbeelding dat u wilt verscherpen.
Adobe-logo

Aanmelden bij je account