Opmerking:

Voor eerdere Photoshop-versies dan Photoshop CC is bepaalde functionaliteit die in dit artikel wordt beschreven wellicht alleen beschikbaar als u Photoshop Extended hebt. Photoshop CC kent geen afzonderlijke Extended-versie. Alle functies van Photoshop Extended maken deel uit van Photoshop CC.

Workflow voor het maken van frameanimaties

In Photoshop kunt u animatieframes maken met het deelvenster Tijdlijn. Elk frame staat voor een aantal lagen.

Opmerking:

U kunt u ook animaties maken met behulp van een tijdlijn en keyframes. Zie Tijdlijnanimaties maken.

Workflow voor het maken van frameanimaties in Photoshop
Illustratie van een animatie. De afbeelding van de fiets staat op een eigen laag. De positie van de laag verandert in elk frame van de animatie.

Voer de volgende procedure uit om in Photoshop animaties te maken op basis van frames.

Open een nieuw document.

Als ze nog niet zichtbaar zijn, open de deelvensters Tijdlijn en Lagen. Zorg ervoor dat het deelvenster Tijdlijn is geopend in de frameanimatiemodus. Klik in het midden van het deelvenster Tijdlijn op de pijl-omlaag om Frameanimatie maken te selecteren en klik vervolgens op de knop naast de pijl.

Voeg een laag toe of zet de achtergrondlaag om.

Omdat geen animatie kan worden toegepast op een achtergrondlaag, dient u een nieuwe laag toe te voegen of de achtergrondlaag in een gewone laag om te zetten. Zie Achtergrondlagen omzetten.

Voeg inhoud toe aan uw animatie.

Als uw animatie meerdere objecten bevat waarop afzonderlijk animatie is toegepast, of als u de kleur van een object wilt wijzigen of de inhoud van een frame volledig wilt aanpassen, maakt u de objecten op aparte lagen.

Voeg een frame toe aan het deelvenster Tijdlijn.

Selecteer een frame.

Bewerk de lagen voor het geselecteerde frame.

Ga als volgt te werk:

  • Schakel de zichtbaarheid van verschillende lagen in en uit.

  • Wijzig de positie van de objecten of lagen, zodat de laaginhoud beweegt.

  • Wijzig de dekking van de laag om de inhoud meer of minder te laten vervagen.

  • Wijzig de overvloeimodus van lagen.

  • Voeg een stijl toe aan lagen.

    In Photoshop vindt u tools voor het behouden van de eigenschappen van een laag in alle frames. Zie Laageigenschappen in animatieframes verenigen.

Voeg desgewenst meer frames toe en bewerk lagen.

Het aantal frames dat u kunt maken, wordt slechts beperkt door de hoeveelheid geheugen die op uw systeem voor Photoshop beschikbaar is.

Met de opdracht Tussenvoegen kunt u in het deelvenster tussen twee bestaande frames nieuwe frames maken met voorlopige wijzigingen. Dit is een snelle manier om een object op het scherm te verplaatsen of om een object meer of minder te laten vervagen. Zie Frames maken met Tussenvoegen.

Stel de framevertraging en de lusopties in.

U kunt een vertraging toewijzen aan elk frame en herhaling instellen, zodat de animatie eenmaal, een bepaald aantal malen of voortdurend wordt uitgevoerd. Zie Een vertraging opgeven in frameanimaties en Herhaling instellen in frameanimaties.

Bekijk een voorvertoning van de animatie.

Gebruik de knoppen in het deelvenster Tijdlijn om de animatie af te spelen terwijl u deze maakt. Geef daarna met de opdracht Opslaan voor web een voorvertoning weer van de animatie in uw webbrowser. Zie Geoptimaliseerde afbeeldingen voorvertonen in een webbrowser.

Optimaliseer de animatie zodat deze goed kan worden gedownload.

Sla de animatie op.

U kunt uw frameanimatie op verschillende manieren opslaan:

  • U kunt de animatie opslaan als een geanimeerde GIF met de opdracht Opslaan voor web.

  • U kunt de animatie ook opslaan in de Photoshop-indeling (PSD), zodat u de animatie later verder kunt bewerken.

  • U kunt de animatie opslaan als een reeks afbeeldingen, QuickTime-film of als aparte bestanden. Zie ook Videobestanden of afbeeldingsreeksen exporteren.

Frames aan een animatie toevoegen

De eerste stap bij het maken van een animatie is het toevoegen van frames. Wanneer u een afbeelding hebt geopend, wordt de afbeelding in het deelvenster Tijdlijn als eerste frame in een nieuwe animatie weergegeven. Elk frame dat u toevoegt, begint als een duplicaat van het vorige frame. U kunt vervolgens wijzigingen aanbrengen aan het frame in het deelvenster Lagen.

  1. Zorg ervoor dat het deelvenster Tijdlijn is geopend in de frameanimatiemodus.

  2. Klik op de knop Geselecteerde frames dupliceren .

Animatieframes selecteren

Voordat u met een frame kunt werken, moet u het als huidig frame selecteren. De inhoud van het huidige frame verschijnt in het documentvenster.

In het deelvenster Tijdlijn wordt het huidige frame aangegeven door een smalle rand (binnen de schaduwmarkering van de selectie) rond de miniatuur van het frame. Geselecteerde frames worden aangegeven met een schaduwmarkering rond de frameminiaturen.

Eén animatieframe selecteren

  1. Voer in het deelvenster Tijdlijn een van de volgende handelingen uit:

    • Klik op een frame.

    • Klik op de knop Volgende frame selecteren  om het volgende frame in de reeks als het huidige frame te selecteren.

    • Klik op de knop Vorige frame selecteren  om het vorige frame in de reeks als het huidige frame te selecteren.

    • Klik op de knop Eerste frame selecteren  om het eerste frame in de reeks als het huidige frame te selecteren.

Meerdere animatieframes selecteren

  1. Voer een van de volgende handelingen in het deelvenster Tijdlijn uit:

    • Wanneer u meerdere aaneengesloten frames wilt selecteren, drukt u op Shift en klikt u op een tweede frame. Het tweede frame en alle frames tussen het eerste en het tweede frame worden aan de selectie toegevoegd.

    • Als u meerdere, niet-aaneengesloten frames wilt selecteren, houdt u Ctrl (Windows) of Command (Mac OS) ingedrukt en klikt u op de frames die u aan de selectie wilt toevoegen.

    • Wanneer u alle frames wilt selecteren, kiest u Alle frames selecteren in het menu van het deelvenster.

    • Als u de selectie van een frame in een selectie van meerdere frames ongedaan wilt maken, houdt u Ctrl (Windows) of Command (Mac OS) ingedrukt en klikt u op dat frame.

Animatieframes bewerken

  1. Selecteer een of meerdere frames in het deelvenster Tijdlijn.

  2. Ga als volgt te werk:
    • Als u de inhoud van objecten in animatieframes wilt bewerken, gebruikt u het deelvenster Lagen om de lagen in de afbeelding te wijzigen die van invloed zijn op dat frame.
    • Als u de positie van een object in een animatieframe wilt wijzigen, selecteert u de laag met het object in het deelvenster Lagen en sleept u de laag naar een nieuwe positie.

    Opmerking:

    U kunt meerdere frames selecteren en de positie van deze frames wijzigen. Wanneer u echter meerdere, niet-aaneengesloten frames sleept, worden de frames in de nieuwe positie aaneengesloten geplaatst.

    • Kies Frames omkeren in het menu van het deelvenster als u de volgorde van de animatieframes wilt omkeren.

    Opmerking:

    De frames die u wilt omkeren, hoeven niet aaneengesloten te zijn. U kunt elke reeks geselecteerde frames omkeren.

    • Wanneer u geselecteerde frames wilt verwijderen, selecteert u Frame verwijderen in het menu van het deelvenster Tijdlijn. Vervolgens klikt u op het pictogram Verwijderen  en op Ja om het verwijderen te bevestigen. U kunt het geselecteerde frame ook naar de knop met de prullenbak slepen.

Laageigenschappen in animatieframes verenigen

Met de knoppen voor verenigen in het deelvenster Lagen (Laagpositie verenigen, Zichtbaarheid laag verenigen en Laagstijl verenigen) bepaalt u hoe de wijzigingen die u doorvoert in kenmerken van het actieve animatieframe worden toegepast op de andere frames in dezelfde laag. Wanneer u een verenigingsoptie inschakelt, wordt dat kenmerk gewijzigd in alle frames in de actieve laag. Wanneer u de optie uitschakelt, worden wijzigingen alleen toegepast op het actieve frame.

Met de optie Frame 1 doorgeven in het deelvenster Lagen bepaalt u eveneens hoe de wijzigingen die u aanbrengt in kenmerken van het eerste frame, worden toegepast op de andere frames in dezelfde laag. Als deze optie is geselecteerd, kunt u een kenmerk in het eerste frame wijzigen en worden alle volgende frames in de actieve laag aangepast ten opzichte van het eerste frame (en blijft de animatie die u al hebt gemaakt, behouden).

Laageigenschappen verenigen

  1. Wijzig in het deelvenster Tijdlijn het kenmerk van één frame.

  2. Klik in het deelvenster Lagen op Laagpositie verenigen , Zichtbaarheid laag verenigen  of Laagstijl verenigen  om het gewijzigde kenmerk toe te passen op alle andere frames in de actieve laag.

Frame 1 doorgeven

  1. Selecteer de optie Frame 1 doorgeven in het deelvenster Lagen.
  2. Wijzig in het deelvenster Tijdlijn het kenmerk voor het eerste frame.

    Het gewijzigde kenmerk wordt toegepast op (ten opzichte van) alle volgende frames in een laag.

Opmerking:

U kunt ook frames doorgeven door Shift ingedrukt te houden en een groep opeenvolgende frames in de laag te selecteren en vervolgens een kenmerk in een van de geselecteerde frames te wijzigen.

De knoppen voor het verenigen van lagen weergeven of verbergen

  1. Kies Animatieopties in het menu van het deelvenster Lagen en kies een van de volgende opties:

    Automatisch

    Toont de knoppen voor het verenigen van lagen als het deelvenster Tijdlijn is geopend.

    Altijd tonen

    De knoppen voor het verenigen van lagen worden zowel bij een geopend als een gesloten deelvenster Tijdlijn getoond.

    Altijd verbergen

    De knoppen voor het verenigen van lagen worden zowel bij een geopend als een gesloten deelvenster Tijdlijn verborgen.

Frames met laageigenschappen kopiëren

Als u wilt begrijpen wat er gebeurt wanneer u een frame kopieert en plakt, kunt u een frame het beste zien als een duplicaatversie van een afbeelding met een bepaalde laagconfiguratie. Wanneer u een frame kopieert, kopieert u ook de configuratie van de lagen (waaronder de zichtbaarheidsinstelling, positie en andere eigenschappen van een laag). Wanneer u een frame plakt, past u die laagconfiguratie toe op het doelframe.

  1. Selecteer een of meerdere frames die u wilt kopiëren in het deelvenster Tijdlijn.

  2. Kies Frame(s) kopiëren in het menu van het deelvenster.
  3. Selecteer een doelframe of doelframes in de huidige animatie of in een andere animatie.
  4. Kies Frame(s) plakken in het menu van het deelvenster.
  5. Selecteer een van de volgende plakmethoden:

    Frames vervangen

    Hiermee vervangt u de geselecteerde frames door de gekopieerde frames. Er worden geen nieuwe lagen toegevoegd. In plaats daarvan worden de eigenschappen van elke bestaande laag in de doelframes vervangen door die van elke gekopieerde laag. Als u frames tussen afbeeldingen plakt, worden er nieuwe lagen aan de afbeelding toegevoegd. Alleen de geplakte lagen zijn echter zichtbaar in de doelframes (de bestaande lagen worden verborgen).

    Plakken over selectie

    Hiermee voegt u de inhoud van de geplakte frames toe als nieuwe lagen in de afbeelding. Wanneer u frames in dezelfde afbeelding plakt, krijgt u met deze optie een afbeelding met twee keer zo veel lagen. In de doelframes zijn de nieuwe geplakte lagen zichtbaar. De oorspronkelijke lagen worden verborgen. In de niet-doelframes worden de nieuwe geplakte lagen verborgen.

    Plakken voor selectie of Plakken na selectie

    Hiermee voegt u de gekopieerde frames voor of achter het doelframe toe. Wanneer u frames tussen afbeeldingen plakt, worden er nieuwe lagen aan de afbeelding toegevoegd. Alleen de geplakte lagen zijn echter zichtbaar in de nieuwe frames (de bestaande lagen worden verborgen).

  6. (Optioneel) Selecteer Toegevoegde lagen koppelen om de geplakte lagen te koppelen in het deelvenster Lagen.

    Deze optie werkt alleen als u frames in een ander document plakt. Selecteer deze optie als u de geplakte lagen als een eenheid wilt verplaatsen.

  7. Klik op OK.

Frames maken met Tussenvoegen

De term tussenvoegen is een vertaling van "tweening", dat is afgeleid van "in betweening", de traditionele animatieterm waarmee dit proces wordt beschreven. Met tussenvoegen (ook wel interpolatie genoemd) bereikt u een aanzienlijk reductie van de tijd die nodig is om animatie-effecten te creëren zoals in- of uitfaden of het verplaatsen van een element op een frame. Nadat u de frames hebt tussengevoegd, kunt u deze afzonderlijk bewerken.

Met de opdracht Tussenvoegen kunt u automatisch een reeks frames tussen twee bestaande frames toevoegen of wijzigen. De laageigenschappen (positie-, dekkings- of effectparameters) worden hierbij gelijkmatig over de nieuwe frames verdeeld en wekken zo de suggestie van beweging. Wanneer u bijvoorbeeld een laag wilt laten vervagen, stelt u de dekking van de laag in het eerste frame in op 100% en stelt u vervolgens de dekking van dezelfde laag in het laatste frame in op 0%. Wanneer u de opdracht uitvoert tussen de twee frames, wordt de dekking van de laag in de tussenliggende frames gelijkmatig gereduceerd.

Frames maken met tussenvoegen in Photoshop
Tussenvoegen gebruiken om de tekst van animatie te voorzien

  1. Als u tussenvoegen wilt toepassen op een specifieke laag, selecteert u de desbetreffende laag in het deelvenster Lagen.
  2. Selecteer één frame of meerdere aaneengesloten frames.
    • Wanneer u één frame selecteert, kiest u of u het tussen dit frame en het vorige of tussen dit frame en het volgende frame wilt voegen.

    • Wanneer u twee aaneengesloten frames selecteert, worden de nieuwe frames tussen de frames gevoegd.

    • Wanneer u meer dan twee frames selecteert, worden de bestaande frames tussen het eerste en het laatste geselecteerde frame door de tussenvoeging gewijzigd.

    • Wanneer u het eerste en het laatste frame in een animatie selecteert, worden deze frames als aaneengesloten frames behandeld en worden de tussengevoegde frames na het laatste frame toegevoegd. (Deze tussenvoegmethode is handig wanneer de animatie met meerdere herhalingen is ingesteld.)

  3. Voer een van de volgende handelingen uit:
    • Klik op de tussenvoegknop  in het deelvenster Tijdlijn.

    • Selecteer Tussenvoegen in het menu van het deelvenster.

  4. Geef de te variëren laag of lagen in de toegevoegde frames op:

    Alle lagen

    Hiermee worden alle lagen van het geselecteerde frame of de geselecteerde frames gevarieerd.

    Geselecteerde laag

    Hiermee wordt alleen de laag van het geselecteerde frame of de geselecteerde frames gevarieerd die u op dat moment hebt geselecteerd.

  5. Geef de laageigenschappen op die u wilt variëren:

    Positie

    Hiermee varieert u de positie van de inhoud van de laag in de nieuwe frames gelijkmatig tussen het eerste en het laatste frame.

    Dekking

    Hiermee varieert u de dekking van de nieuwe frames gelijkmatig tussen het eerste en het laatste frame.

    Effecten

    Hiermee varieert u de parameterinstellingen van laageffecten gelijkmatig tussen het eerste en het laatste frame.

  6. Als u bij stap 2 één frame hebt geselecteerd, kiest u waar u frames wilt toevoegen in het menu Tussenvoegen met:

    Volgend frame

    Hiermee voegt u frames toe tussen het geselecteerde frame en het volgende frame. Deze optie is niet beschikbaar als u in het deelvenster Tijdlijn het laatste frame selecteert.

    Eerste frame

    Hiermee voegt u frames toe tussen het eerste frame en het laatste frame. Deze optie is alleen beschikbaar als u in het deelvenster Tijdlijn het laatste frame selecteert.

    Vorig frame

    Hiermee voegt u frames toe tussen het geselecteerde frame en het vorige frame. Deze optie is niet beschikbaar als u in het deelvenster Tijdlijn het eerste frame selecteert.

    Laatste frame

    Hiermee voegt u frames toe tussen het eerste frame en het laatste frame. Deze optie is alleen beschikbaar als u in het deelvenster Tijdlijn het eerste frame selecteert.

  7. Typ een waarde in het vak Toe te voegen frames of kies het aantal frames met behulp van de pijl-omhoog of -omlaag. (Deze optie is niet beschikbaar als u meer dan twee frames hebt geselecteerd.)
  8. Klik op OK.

Een nieuwe laag toevoegen voor elk nieuw frame

Met de opdracht Nieuwe laag maken voor elk nieuw frame wordt automatisch een nieuwe laag toegevoegd die in het nieuwe frame zichtbaar is, maar in andere frames verborgen is. Met deze optie bespaart u tijd wanneer u een animatie maakt waarvoor u in elk frame een nieuw visueel element moet toevoegen.

  1. Kies Nieuwe laag maken voor elk nieuw frame in het menu van het deelvenster Tijdlijn.

    Een vinkje geeft aan dat de optie is ingeschakeld.

Lagen verbergen in frames van een animatie

Wanneer u een nieuwe laag maakt, is deze in alle frames van een animatie standaard zichtbaar.

  • Als u nieuwe lagen alleen in actieve frames wilt zien, schakelt u Nieuwe lagen zichtbaar in alle frames uit in het menu van het deelvenster Tijdlijn.

  • Als u een laag in een specifiek frame wilt verbergen, selecteert u het frame en verbergt u vervolgens de gewenste laag in het deelvenster Lagen.

Een vertraging opgeven in frameanimaties

U kunt een vertraging opgeven voor afzonderlijke frames of voor meerdere frames in een animatie. Met vertraging wordt de tijd bedoeld dat een frame wordt weergegeven. De vertragingstijd wordt in seconden weergegeven. Fracties van een seconde worden als decimale waarden weergegeven. Een kwart seconde wordt bijvoorbeeld opgegeven als ,25. Als u een vertraging instelt voor het huidige frame, wordt deze vertraging toegepast op alle frames die u daarna maakt.

  1. Selecteer een of meerdere frames in het deelvenster Tijdlijn.

  2. Klik op de vertragingswaarde onder het geselecteerde frame om het pop-upmenu weer te geven.
  3. Geef de vertraging op:
    • Kies een waarde in het pop-upmenu. (De laatste gebruikte waarde verschijnt onder aan het menu.)

    • Kies Anders, voer in het dialoogvenster Framevertraging instellen een waarde in en klik op OK. Wanneer u meerdere frames hebt geselecteerd en u geeft een vertragingswaarde voor één frame op, dan wordt deze waarde op alle frames toegepast.

Kies een van de volgende methoden voor het verwijderen van frames

De verwijderingsmethode voor frames geeft aan of het huidige frame moet worden verwijderd voordat het volgende frame wordt weergegeven. U selecteert een verwijderingsmethode voor animaties met achtergrondtransparantie om op te geven of het huidige frame zichtbaar is door de transparante gebieden van het volgende frame.

Frameverwijderingsmethoden in Photoshop
Frameverwijderingsmethoden

A. Frame met achtergrondtransparantie met de optie Terug naar achtergrond B. Frame met achtergrondtransparantie met de optie Niet verwijderen 

Het pictogram Verwijderingsmethode geeft aan of het frame is ingesteld op Niet verwijderen  of op Verwijderen . (Als de verwijderingsmethode op Automatisch is ingesteld, verschijnt er geen pictogram.)

  1. Selecteer een frame of frames waarvoor u een verwijderingsmethode wilt kiezen.
  2. Klik met de rechtermuisknop (Windows) of houd Control (Mac OS) ingedrukt en klik op de miniatuur van het frame om het contextgevoelige menu voor de verwijderingsmethode te bekijken.
  3. Kies een van de volgende verwijderingsmethoden:

    Automatisch

    Hiermee kunt u automatisch een verwijderingsmethode voor het huidige frame bepalen, waarbij het huidige frame wordt verwijderd als het volgende frame laagtransparantie bevat. Voor de meeste animaties krijgt u met de optie Automatisch (de standaardoptie) het gewenste resultaat.

    Opmerking:

    Kies de verwijderingsmethode Automatisch wanneer u de optimalisatieoptie Overbodige pixels verwijderen gebruikt, zodat frames met transparantie behouden blijven.

    Niet verwijderen

    Hiermee behoudt u het huidige frame terwijl het volgende frame aan de weergave wordt toegevoegd. Het huidige frame (en de voorafgaande frames) zijn zichtbaar door de transparante gebieden van het volgende frame. Gebruik een browser om een exacte voorvertoning te bekijken van een animatie met de optie Niet verwijderen.

    Verwijderen

    Hiermee verwijdert u het huidige frame uit de weergave voordat het volgende frame wordt weergegeven. Er wordt nooit meer dan één frame weergegeven (en het huidige frame is niet zichtbaar door de transparante gebieden van het volgende frame).

Herhaling instellen in frameanimaties

U selecteert een lusoptie om op te geven hoe vaak de animatiereeks bij het afspelen wordt herhaald.

  1. Klik op het selectievakje voor herhalingsopties linksonder in het deelvenster Tijdlijn.

  2. Selecteer een lusoptie: Eenmaal, 3 keer, Altijd of Anders.
  3. Wanneer u Anders hebt geselecteerd, voert u in het dialoogvenster Aantal herhalingen instellen een waarde in en klikt u op OK.

    Opmerking:

    U kunt herhalingsinstellingen ook opgeven in het dialoogvenster Opslaan voor web. Zie Opslaan voor web en apparaten: overzicht voor meer informatie.

Een volledige animatie verwijderen

  1. Selecteer Animatie verwijderen in het menu van het deelvenster Tijdlijn.

Dit werk is gelicentieerd onder de Creative Commons Naamsvermelding/Niet-commercieel/Gelijk delen 3.0 Unported-licentie  De voorwaarden van Creative Commons zijn niet van toepassing op Twitter™- en Facebook-berichten.

Juridische kennisgevingen   |   Online privacybeleid