Opmerking:

Voor eerdere Photoshop-versies dan Photoshop CC is bepaalde functionaliteit die in dit artikel wordt beschreven wellicht alleen beschikbaar als u Photoshop Extended hebt. Photoshop CC kent geen afzonderlijke Extended-versie. Alle functies van Photoshop Extended maken deel uit van Photoshop CC.

Workflow voor tijdlijnanimaties

Als u animatie wilt toepassen op inhoud in de tijdlijnmodus, stelt u in het deelvenster Tijdlijn de keyframes in, terwijl u de huidige-tijdindicator naar een andere tijd of een ander frame verplaatst. Vervolgens kunt u de positie, dekking of de stijl van de laaginhoud wijzigen. In Photoshop wordt automatisch een reeks frames tussen twee bestaande frames ingevoegd of gewijzigd. De laagkenmerken (positie, dekking en effect) worden hierbij gelijkmatig over de nieuwe frames verdeeld en wekken zo de suggestie van beweging of transformatie.

Wanneer u bijvoorbeeld een laag wilt laten vervagen, stelt u de dekking van de laag in het eerste frame in op 100% en klikt u op de dekkingstop voor de laag. Verplaats de huidige-tijdindicator vervolgens naar de tijd/het frame voor het laatste frame en stel de dekking voor dezelfde laag in op 0%. In Photoshop worden frames tussen het eerste en het laatste frame automatisch geïnterpoleerd. De dekking van de laag wordt in de nieuwe frames gelijkmatig gereduceerd.

U kunt in Photoshop niet alleen frames in een animatie laten interpoleren, maar u kunt ook een per frame met de hand getekende animatie maken door te tekenen op een lege videolaag.

Opmerking:

Als u een animatie in SWF-indeling wilt maken, gebruikt u Adobe Flash, Adobe After Effects of Adobe Illustrator.

Volg de onderstaande stappen om een tijdlijnanimatie te maken.

1. Maak een nieuw document.

Geef het formaat en de achtergrondinhoud op. Zorg ervoor dat de pixelverhouding en de pixelafmetingen geschikt zijn voor de uitvoer van de animatie. Stel de kleurmodus in op RGB. Houd de resolutie van 72 ppi, de bitdiepte van 8 bpc en de pixelverhouding voor vierkante pixels aan, tenzij u speciale redenen hebt om andere instellingen te gebruiken.

Zorg dat het deelvenster Tijdlijn is geopend. Klik zo nodig op de pijl-omlaag in het midden van het deelvenster, kies Videotijdlijn maken in het menu en klik vervolgens op de knop links van de pijl. Als het deelvenster Tijdlijn is geopend in de frameanimatiemodus, klikt u op het pictogram Omzetten in videotijdlijn linksonder in het deelvenster.

2. Geef een waarde op bij Framesnelheid voor tijdlijn instellen in het menu van het deelvenster.

Stel de duur en framesnelheid in. Zie De tijdlijnduur en framesnelheid opgeven.

3. Voeg een laag toe.

Er kan geen animatie worden toegepast op achtergrondlagen. Als u animatie op content wilt toepassen, zet u de achtergrondlaag om in een normale laag of voegt u een van de volgende elementen toe:

  • Een nieuwe laag voor het toevoegen van inhoud.

  • Een nieuwe videolaag voor het toevoegen van video-inhoud.

  • Een nieuwe lege videolaag voor het klonen van inhoud of voor het maken van met de hand getekende animaties.

4. Voeg inhoud aan de laag toe.

5. (Optioneel) Voeg een laagmasker toe.

U kunt een laagmasker gebruiken als u een gedeelte van de laaginhoud wilt weergeven. Desgewenst kunt u het laagmasker van animatie voorzien om gedurende een tijdsperiode verschillende delen van de laaginhoud weer te geven. Zie Laagmaskers toevoegen.

6. Verplaats de huidige-tijdindicator naar het gewenste frame of de gewenste tijd voor het eerste keyframe.

7. Schakel het gebruik van keyframes voor een laageigenschap in.

Klik op het driehoekje naast de laagnaam. Een omgekeerd driehoekje geeft de eigenschappen van de laag aan. Klik op de stopwatch om het eerste keyframe in te stellen voor de laageigenschap waarop u animatie wilt toepassen. U kunt per keer keyframes voor meer dan één laageigenschap instellen.

8. Verplaats de huidige-tijdindicator en wijzig een laageigenschap.

Verplaats de huidige-tijdindicator naar de tijd of het frame waar de eigenschap van de laag verandert. Voer een van de volgende handelingen uit:

  • Wijzig de positie van de laag, zodat de laaginhoud beweegt.

  • Wijzig de dekking van de laag om de inhoud meer of minder te laten vervagen.

  • Wijzig de positie van een laagmasker om verschillende delen van de laag weer te geven.

  • Schakel een laagmasker in of uit.

Voor sommige soorten animaties, zoals het wijzigen van de kleur van een object of het compleet wijzigen van de inhoud van een frame, moet u extra lagen met nieuwe inhoud toevoegen.

Opmerking:

Voor animatie van vormen past u animatie toe op het vectormasker en niet op de vormlaag. U gebruikt hiervoor Tijd/verandering stopwatch voor Positie vectormasker of Vectormasker inschakelen.

9. Voeg extra lagen met inhoud toe en bewerk zo nodig de laageigenschappen hiervan.

10. Verplaats de laagduurbalk of snijd de balk bij om op te geven wanneer een laag in een animatie verschijnt.

11. Bekijk een voorvertoning van de animatie.

Gebruik de knoppen in het deelvenster Tijdlijn om de animatie af te spelen terwijl u deze maakt. Bekijk vervolgens een voorvertoning van de animatie in uw webbrowser. U kunt ook een voorvertoning van de animatie weergeven in het dialoogvenster Opslaan voor web. Zie Een voorvertoning weergeven van video- of tijdlijnanimaties.

12. Sla de animatie op.

U kunt de animatie opslaan als een geanimeerd GIF-bestand met de opdracht Opslaan voor web of als een reeks afbeeldingen of video met de opdracht Video renderen. U kunt de animatie ook in PSD indeling opslaan die u in Adobe After Effectskunt importeren.

Keyframes gebruiken om laageigenschappen van animatie te voorzien

U kunt verschillende laageigenschappen voorzien van animatie, zoals de positie, dekking en stijl. Iedere wijziging kan zelfstandig worden uitgevoerd, of tegelijkertijd met andere wijzigingen. Als u verschillende objecten onafhankelijk van elkaar wilt voorzien van animatie, kunt u ze het beste op verschillende lagen maken.

Hier volgen enkele voorbeelden van manieren waarop u laageigenschappen van animatie kunt voorzien.

  • U kunt de positie van animatie voorzien door eerst een keyframe toe te voegen aan de eigenschap Positie en vervolgens de huidige-tijdindicator te verplaatsen en de laag te verslepen in het documentvenster.

  • U kunt de dekking van een laag van animatie voorzien door eerst een keyframe toe te voegen aan de eigenschap Dekking en vervolgens de huidige-tijdindicator te verplaatsen en de dekking van de laag te wijzigen in het deelvenster Lagen.

  • U kunt 3D-eigenschappen, zoals object- en camerapositie, van animatie voorzien. (Zie 3D-animaties maken () voor meer informatie.)

 

Als u een eigenschap van animatie voorziet met behulp van keyframes, dient u minstens twee keyframes in te stellen voor de eigenschap. Anders gelden de in de laageigenschap aangebrachte wijzigingen gedurende de volledige laagduur.

Iedere laageigenschap beschikt over een pictogram Tijd/verandering stopwatch  waarop u kunt klikken om de animatie te beginnen. Als de stopwatch geactiveerd is voor een specifieke eigenschap, stelt Photoshop automatisch nieuwe keyframes in wanneer u de huidige tijd en de waarde van de eigenschap wijzigt. Als de stopwatch niet actief is voor een eigenschap, heeft de eigenschap geen keyframes. Als u een waarde voor een laageigenschap typt terwijl de stopwatch niet actief is, blijft de waarde gedurende de volledige laagduur van kracht. Als u de stopwatch uitschakelt, verwijdert u definitief alle keyframes voor die eigenschap.

Een interpolatiemethode kiezen

Interpolatie (soms ook wel tussenvoegen) genoemd, verwijst naar het invullen van onbekende waarden tussen twee bekende waarden. In digitale video's en films betekent interpolatie meestal dat er nieuwe waarden worden gegenereerd tussen twee keyframes. Als u een grafisch element bijvoorbeeld gedurende 15 frames 50 pixels naar links wilt verplaatsen, stelt u de positie van de afbeelding in het eerste en vijftiende frame in en markeert u deze beide frames als keyframes. Photoshop interpoleert de frames tussen de twee keyframes. U kunt interpolatie tussen keyframes gebruiken om beweging, dekking, stijlen en globale belichting te animeren.

De weergave van een keyframe in het deelvenster Tijdlijn wordt bepaald door de interpolatiemethode die u instelt voor het interval tussen keyframes.

Lineair keyframe 

Hiermee wijzigt u de geanimeerde eigenschap op evenredige wijze tussen keyframes. (De enige uitzondering wordt gevormd door de eigenschap Positie laagmasker die plotseling overschakelt tussen de staten Uitgeschakeld en Ingeschakeld.)

Keyframe bewaren 

Hiermee blijft de huidige eigenschapsinstelling behouden. Deze interpolatiemethode is handig voor stroboscoopeffecten of als u wilt dat lagen plotseling tevoorschijn komen of verdwijnen.

Ga als volgt te werk om de interpolatiemethode voor een keyframe te kiezen:

  1. Selecteer een of meer keyframes in het deelvenster Tijdlijn.

  2. Voer een van de volgende handelingen uit:
    • Klik met de rechtermuisknop op een geselecteerd keyframe en kies Lineaire interpolatie of Interpolatie bewaren in het contextmenu.

    • Open het menu van het deelvenster en kies Interpolatie keyframe > Lineaire interpolatie of Interpolatie keyframe > Bewaren.

De huidige-tijdindicator naar een keyframe verplaatsen

Als u het eerste keyframe voor een eigenschap hebt ingesteld, wordt de keyframenavigator weergegeven. U kunt deze naar andere keyframes verplaatsen en u kunt keyframes instellen of verwijderen. Wanneer het ruitje voor de keyframenavigator actief is (geel), bevindt de huidige-tijdindicator zich precies bij een keyframe voor de desbetreffende laageigenschap. Wanneer het ruitje voor de keyframenavigator niet actief is (grijs), bevindt de huidige-tijdindicator zich tussen keyframes. Wanneer pijlen aan weerszijden van het keyframenavigatorvak worden weergegeven, bestaan er aan weerszijden van de huidige tijd andere keyframes voor die eigenschap.

  1. Klik op een navigatorpijl van een keyframe in het deelvenster Tijdlijn. De naar links wijzende pijl verplaatst de huidige-tijdindicator naar het vorige keyframe. De naar rechts wijzende pijl verplaatst de huidige-tijdindicator naar het volgende keyframe.

Keyframes selecteren

  1. Voer in het deelvenster Tijdlijn een of meerdere van de volgende handelingen uit:

    • Klik op het pictogram van het keyframe om een keyframe te selecteren.

    • Houd Shift ingedrukt en klik op keyframes of sleep een selectiekader rond de gewenste keyframes als u meerdere keyframes wilt selecteren.

    • Als u alle keyframes voor een laageigenschap wilt selecteren, klikt u op de naam van de laageigenschap naast het stopwatchpictogram.

Keyframes verplaatsen

  1. Selecteer een of meer keyframes in het deelvenster Tijdlijn.

  2. Sleep een van de geselecteerde keyframepictogrammen naar de gewenste tijd. (Als u meerdere keyframes hebt geselecteerd, worden ze als een groep verplaatst en blijft de tijd tussen de keyframes hetzelfde.)

Opmerking:

Als u de tijd tussen meerdere keyframes wilt inkorten of verlengen, houdt u Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt en sleept u het eerste of laatste keyframe in de selectie. De positie van het keyframe aan het andere uiteinde van de selectie verandert niet terwijl u sleept, zodat de animatie sneller of langzamer wordt afgespeeld.

Keyframes kopiëren en plakken

U kunt de keyframes van een eigenschap (bijvoorbeeld Positie) kopiëren naar dezelfde eigenschap in een willekeurige laag. Wanneer u keyframes plakt, weerspiegelen ze de gekopieerde verschuiving ten opzichte van de huidige-tijdindicator.

U kunt slechts keyframes van één laag tegelijk kopiëren. Wanneer u keyframes in een andere laag plakt, worden ze in de corresponderende eigenschap in de doellaag weergegeven. Het vroegste keyframe wordt bij de huidige tijd weergegeven en de andere keyframes volgen in de juiste volgorde. De keyframes blijven na het plakken geselecteerd, zodat u ze ogenblikkelijk kunt verplaatsen in de tijdlijn.

Opmerking:

U kunt keyframes tussen meerdere eigenschappen tegelijk kopiëren en plakken.

  1. Geef in het deelvenster Tijdlijn de laageigenschap weer met de keyframes die u wilt kopiëren.

  2. Selecteer een of meerdere keyframes.
  3. Klik met de rechtermuisknop op een geselecteerd keyframe en kies Keyframes kopiëren.
  4. Verplaats de huidige-tijdindicator in het deelvenster Tijdlijn dat de doellaag bevat naar het gewenste tijdstip voor de keyframes.

  5. Selecteer de doellaag.
  6. Open het menu van het deelvenster en kies Keyframes plakken.

Keyframes verwijderen

  1. Selecteer twee of meer lagen in het deelvenster Tijdlijn en ga als volgt te werk:

    • Klik met de rechtermuisknop (Windows) of met de linkermuisknop terwijl u Ctrl ingedrukt houdt (Mac OS) en kies Keyframes verwijderen in het contextmenu.

    • Kies Keyframes verwijderen in het menu van het deelvenster.

Met de hand getekende animaties maken

U kunt een lege videolaag toevoegen aan uw document als u per frame met de hand getekende animaties wilt creëren. Door een lege videolaag toe te voegen boven een videolaag en vervolgens de dekking van de lege videolaag aan te passen, kunt u de inhoud van de onderliggende videolaag zien. U kunt dan rotoscoop toepassen op de inhoud van de videolaag door op de lege videolaag te tekenen. Zie ook Frames tekenen in videolagen.

Opmerking:

Als u meerdere onafhankelijke elementen van animatie voorziet, maakt u afzonderlijke inhoud op verschillende lege videolagen.

  1. Maak een nieuw document.
  2. Voeg een lege videolaag toe.
  3. Teken op een laag of voeg inhoud toe aan de laag.
  4. (Optioneel) Schakel in het deelvenster Tijdlijn de modus voor semi-transparante lagen in door Semi-transparante lagen inschakelen te selecteren in het menu van het deelvenster.

  5. Verplaats de huidige-tijdindicator naar het volgende frame.
  6. Voeg inhoud toe aan de laag of teken op de laag, maar dan op een iets andere positie dan de inhoud in het vorige frame.

    Opmerking:

    U kunt een leeg videoframe toevoegen, een frame dupliceren of een frame verwijderen uit de lege videolaag door de gewenste opdracht te kiezen in het submenu Laag > Videolagen.

    Wanneer u met de hand getekende frames maakt, kunt u een voorvertoning van de animatie weergeven door de huidige-tijdindicator te slepen of de afspeelfuncties te gebruiken.

Lege videoframes invoegen, verwijderen of dupliceren

U kunt een leeg videoframe toevoegen aan of verwijderen uit een lege videolaag. U kunt ook bestaande (getekende) frames in lege videolagen dupliceren.

  1. Selecteer in het deelvenster Tijdlijn de lege videolaag en verplaats de huidige-tijdindicator vervolgens naar het gewenste frame.

  2. Kies Laag > Videolagen en kies een van de volgende opties:

    Leeg frame invoegen

    Voegt bij de huidige tijd een leeg videoframe in de geselecteerde lege videolaag in.

    Frame verwijderen

    Verwijdert bij de huidige tijd het videoframe in de geselecteerde lege videolaag.

    Frame dupliceren

    Voegt een kopie van het videoframe toe op het huidige tijdstip in de geselecteerde lege videolaag.

Instellingen voor semi-transparante lagen opgeven

In de modus voor semi-transparante lagen wordt de inhoud die is getekend op het huidige frame en de inhoud die is getekend op de omliggende frames weergegeven. Deze extra lijnen worden weergegeven bij de door u opgegeven dekking om ze te onderscheiden van het huidige frame. De modus voor semi-transparante lagen is handig voor het tekenen van frame-voor-frame animaties omdat u hiermee beschikt over referentiepunten voor lijnposities en andere bewerkingen.

De instellingen voor semi-transparante lagen bepalen hoe eerdere en latere frames verschijnen wanneer de optie Semi-transparante lagen is ingeschakeld. (Zie Overzicht van het deelvenster Tijdlijn.)

  1. Open het deelvenster Tijdlijn en kies Instellingen semi-transparante lagen.

  2. Bepaal de opties voor de volgende onderdelen:

    Semi-transparante lagen tellen

    Hiermee bepaalt u hoeveel vorige en volgende frames worden weergegeven. Geef de gewenste waarden op in de tekstvakken Frames voor (vorige frames) en Frames na (volgende frames).

    Framespatiëring

    Hiermee stelt u het aantal frames tussen de weergegeven frames op. De waarde 1 geeft bijvoorbeeld aan dat er sprake is van opeenvolgende frames en de waarde 2 geeft aan dat lijnen twee frames uit elkaar liggen.

    Maximale dekking

    Hiermee stelt u het dekkingspercentage in voor de frames onmiddellijk voor en na de huidige tijd.

    Minimale dekking

    Hiermee stelt u het dekkingspercentage in voor de laatste frames van de sets frames met semi-transparante lagen voor of na de huidige tijd.

    Overvloeimodus

    Hiermee stelt u de vormgeving in van de gebieden waar de frames elkaar overlappen.

    Photoshop - Semi-transparante lagen
    Semi-transparante lagen

    A. Huidig frame met één volgend frame B. Huidig frame met één vorig en één volgend frame C. Huidig frame met één vorig frame 

Een uit meerdere lagen bestaande animatie openen

U kunt ook animaties openen die in oudere versies van Photoshop zijn opgeslagen als gelaagde Photoshop-bestanden (.PSD). De lagen worden op stapelvolgorde in het deelvenster Tijdlijn geplaatst, waarbij de onderste laag het eerste frame wordt.

  1. Kies Bestand > Openen en selecteer het Photoshop-bestand dat u wilt openen.
  2. Selecteer de gewenste lagen voor de animatie in het deelvenster Lagen en kies Frames maken van lagen in het menu van het deelvenster.

    U kunt de animatie bewerken, de opdracht Opslaan voor web gebruiken om een geanimeerde GIF-bestand op te slaan of de opdracht Video renderen gebruiken om de animatie als een QuickTime-film op te slaan.

Dit werk is gelicentieerd onder de Creative Commons Naamsvermelding/Niet-commercieel/Gelijk delen 3.0 Unported-licentie  De voorwaarden van Creative Commons zijn niet van toepassing op Twitter™- en Facebook-berichten.

Juridische kennisgevingen   |   Online privacybeleid