Handboek Annuleren

Objecten schalen, schuintrekken en vervormen

  1. Illustrator Handboek
  2. Kennismaken met Illustrator
    1. Inleiding tot Illustrator
      1. Nieuw in Illustrator
      2. Algemene vragen
      3. Systeemvereisten voor Illustrator
      4. Illustrator voor Apple silicon
    2. Werkruimte
      1. Basisbeginselen van de werkruimte
      2. Documenten maken
      3. Werkbalk
      4. Standaardsneltoetsen
      5. Sneltoetsen aanpassen
      6. Inleiding in tekengebieden
      7. Tekengebieden beheren
      8. De werkruimte aanpassen
      9. Deelvenster Eigenschappen
      10. Voorkeuren instellen
      11. Werkruimte voor aanraken
      12. Ondersteuning voor Microsoft Surface Dial in Illustrator
      13. Herstellen, ongedaan maken, geschiedenis en automatisch uitvoeren
      14. Weergave draaien
      15. Linialen, rasters en hulplijnen
      16. Toegankelijkheid in Illustrator
      17. Veilige modus
      18. Illustraties weergeven
      19. De Touch Bar gebruiken met Illustrator
      20. Bestanden en sjablonen
    3. Gereedschappen in Illustrator
      1. Overzicht van gereedschappen
      2. Selectiegereedschappen
        1. Selectie
        2. Direct selecteren
        3. Groep selecteren
        4. Toverstaf
        5. Lasso
        6. Tekengebied
      3. Navigatiegereedschappen
        1. Handje
        2. Weergave draaien
        3. Zoomen
      4. Schildergereedschappen
        1. Verloop
        2. Net
        3. Vormen maken
      5. Tekstgereedschappen
        1. Tekst
        2. Tekst op een pad
        3. Verticale tekst
      6. Tekengereedschappen
        1. Pen
        2. Ankerpunt-toevoegen
        3. Ankerpunt verwijderen
        4. Ankerpunt
        5. Kromming
        6. Lijnsegment
        7. Rechthoek
        8. Afgeronde rechthoek
        9. Ovaal
        10. Veelhoek
        11. Ster
        12. Penseel
        13. Klodderpenseel
        14. Potlood
        15. Shaper
        16. Segment
      7. Bewerkingsgereedschappen
        1. Roteren
        2. Spiegelen
        3. Schalen
        4. Schuin
        5. Breedte
        6. Vrije transformatie
        7. Pipet
        8. Overvloeien
        9. Gummetje
        10. Schaar
  3. Illustrator op de iPad
    1. Inleiding in Illustrator op de iPad
      1. Overzicht van Illustrator op de iPad
      2. Veelgestelde vragen over Illustrator op de iPad
      3. Systeemvereisten | Illustrator op de iPad
      4. Wat u wel of niet kunt doen in Illustrator op de iPad
    2. Werkruimte
      1. De werkruimte van Illustrator op de iPad
      2. Snelknoppen en bewegingen
      3. Sneltoetsen voor Illustrator op de iPad
      4. Uw app-instellingen beheren
    3. Documenten
      1. Werken met documenten in Illustrator op de iPad
      2. Photoshop- en Fresco-documenten importeren
    4. Objecten selecteren en rangschikken
      1. Herhaalde objecten maken
      2. Objecten laten overvloeien
    5. Tekenen
      1. Paden tekenen en bewerken
      2. Vormen tekenen en bewerken
    6. Tekst
      1. Werken met tekst en lettertypen
      2. Tekstontwerpen langs een pad maken
      3. Uw eigen lettertypen toevoegen
    7. Werken met afbeeldingen
      1. Rasterafbeeldingen omzetten in vectoren
    8. Kleur
      1. Kleuren en verlopen toepassen
  4. Clouddocumenten
    1. Basisbeginselen
      1. Werken met Illustrator-clouddocumenten
      2. Illustrator-clouddocumenten delen en eraan samenwerken
      3. Cloudopslag voor Adobe Illustrator upgraden
      4. Illustrator-clouddocumenten | Algemene vragen
    2. Problemen oplossen
      1. Problemen met het maken of opslaan van clouddocumenten in Illustrator oplossen
      2. Problemen met clouddocumenten in Illustrator oplossen
  5. Inhoud toevoegen en bewerken
    1. Tekenen
      1. Grondbeginselen van tekenen
      2. Paden bewerken
      3. Pixel-perfecte illustraties tekenen
      4. Tekenen met de pen, het potlood of het gereedschap Kromming
      5. Eenvoudige lijnen en vormen tekenen
      6. Afbeeldingen overtrekken
      7. Een pad vereenvoudigen
      8. Perspectiefrasters definiëren
      9. Symboolgereedschappen en symboolsets
      10. Padsegmenten aanpassen
      11. Een bloem ontwerpen in 5 eenvoudige stappen
      12. Perspectief tekenen
      13. Symbolen
      14. Paden met pixeluitlijning tekenen voor webworkflows
    2. 3D-effecten en Adobe Substance-materialen
      1. Over 3D-effecten in Illustrator
      2. 3D-afbeeldingen maken
      3. Illustraties toewijzen aan 3D-objecten
      4. 3D-objecten maken
      5. 3D-tekst maken
    3. Kleur
      1. Kleuren
      2. Kleuren selecteren
      3. Stalen gebruiken en maken
      4. Kleuren aanpassen
      5. Het deelvenster Adobe Color-thema's gebruiken
      6. Kleurgroepen (harmonieën)
      7. Deelvenster Kleurthema's
      8. Illustraties opnieuw kleuren
    4. Schilderen
      1. Informatie over schilderen
      2. Schilderen met vullingen en lijnen
      3. Groepen van Actieve verf
      4. Verlopen
      5. Penselen
      6. Transparantie- en overvloeiingsmodi
      7. Lijnen toepassen op een object
      8. Patronen maken en bewerken
      9. Netten
      10. Patronen
    5. Objecten selecteren en rangschikken
      1. Objecten selecteren
      2. Lagen
      3. Objecten groeperen en uitbreiden
      4. Objecten verplaatsen, uitlijnen en verdelen
      5. Objecten stapelen    
      6. Objecten vergrendelen, verbergen en verwijderen
      7. Objecten dupliceren
      8. Objecten roteren en spiegelen
    6. Objecten omvormen
      1. Afbeeldingen uitsnijden
      2. Objecten transformeren
      3. Objecten combineren
      4. Objecten knippen, splitsen en verkleinen
      5. Marionet verdraaien
      6. Objecten schalen, schuintrekken en vervormen
      7. Objecten laten overvloeien
      8. Omvormen met omhulsels
      9. Objecten omvormen met effecten
      10. Nieuwe vormen maken met de gereedschappen Shaper en Vormen maken
      11. Werken met actieve hoeken
      12. Verbeterde workflows voor omvormen met ondersteuning voor aanraking
      13. Uitknipmaskers bewerken
      14. Actieve vormen
      15. Vormen maken met het gereedschap Vormen maken
      16. Algemene bewerking
    7. Tekst
      1. Tekst en ander werk toevoegen met tekstobjecten
      2. Genummerde lijsten en lijsten met opsommingstekens maken
      3. Tekstgebied beheren
      4. Lettertypen en typografie
      5. Tekst opmaken
      6. Tekst importeren en exporteren
      7. Alinea's opmaken
      8. Speciale tekens
      9. Tekst op een pad maken
      10. Teken- en alineastijlen
      11. Tabs
      12. Informatie over tekst
      13. Ontbrekende lettertypen zoeken (Typekit-workflow)
      14. Tekst uit Illustrator 10 bijwerken
      15. Arabische en Hebreeuwse tekst
      16. Lettertypen | Veelgestelde vragen en tips voor probleemoplossing
      17. Een 3D-teksteffect maken
      18. Creatieve typografische ontwerpen
      19. Tekst schalen en roteren
      20. Regelafstand en tekenafstand
      21. Woordafbreking en regelafbreking
      22. Tekstverbeteringen
      23. Spelling- en taalwoordenboeken
      24. Aziatische tekens opmaken
      25. Composers voor Aziatische schriften
      26. Tekstontwerpen maken met overvloeiobjecten
      27. Een tekstposter maken met Afbeeldingen overtrekken
    8. Speciale effecten maken
      1. Werken met effecten
      2. Afbeeldingsstijlen
      3. Een slagschaduw maken
      4. Vormgevingskenmerken
      5. Schetsen en mozaïeken maken
      6. Slagschaduw, gloed en doezeleffect
      7. Overzicht van effecten
    9. Webafbeeldingen
      1. Aanbevolen procedures voor het maken van webafbeeldingen
      2. Grafieken
      3. SVG
      4. Animaties maken
      5. Segmenten en afbeeldingen met hyperlinks
  6. Importeren, exporteren en opslaan
    1. Importeren
      1. Meerdere bestanden plaatsen
      2. Gekoppelde en ingesloten bestanden beheren
      3. Informatie over koppelingen
      4. Het insluiten van afbeeldingen ongedaan maken
      5. Illustraties importeren uit Photoshop
      6. Bitmapafbeeldingen importeren
      7. Adobe PDF-bestanden importeren
      8. EPS-, DCS- en AutoCAD-bestanden importeren
    2. Creative Cloud Libraries in Illustrator 
      1. Creative Cloud Libraries in Illustrator
    3. Opslaan
      1. Illustraties opslaan
    4. Exporteren
      1. Illustrator-illustraties gebruiken in Photoshop
      2. Een illustratie exporteren
      3. Assets verzamelen en exporteren in batches
      4. Bestanden in een pakket opnemen
      5. Adobe PDF-bestanden maken
      6. CSS extraheren | Illustrator CC
      7. Adobe PDF-opties
      8. Bestandsinformatie en metagegevens
  7. Afdrukken
    1. Voorbereiden op afdrukken
      1. Documenten instellen voor afdrukken
      2. Het paginaformaat en de afdrukstand wijzigen
      3. Snijtekens opgeven voor bijsnijden of uitlijnen
      4. Aan de slag met een groot canvas
    2. Afdrukken
      1. Overdrukken
      2. Afdrukken met kleurbeheer
      3. Afdrukken met PostScript
      4. Afdrukvoorinstellingen
      5. Drukkersmarkeringen en afloopgebieden
      6. Transparante illustraties afdrukken en opslaan
      7. Overvullen
      8. Kleurscheidingen afdrukken
      9. Verlopen, netten en kleurovervloeiingen afdrukken
      10. Witte overdruk
  8. Taken automatiseren
    1. Gegevens samenvoegen met behulp van het deelvenster Variabelen
    2. Automatiseren met behulp van scripts
    3. Automatiseren met behulp van handelingen
  9. Problemen oplossen 
    1. Crashproblemen
    2. Bestanden herstellen na een crash
    3. Problemen met bestanden
    4. Ondersteunde bestandsindelingen
    5. Problemen met GPU-stuurprogramma's
    6. Problemen met Wacom-apparaten
    7. Problemen met DLL-bestanden
    8. Geheugenproblemen
    9. Problemen met voorkeurenbestanden
    10. Lettertypeproblemen
    11. Printerproblemen
    12. Foutrapport delen met Adobe
    13. De prestaties van Illustrator verbeteren

Objecten schalen

Wanneer u een object schaalt, vergroot of verkleint u het object horizontaal (langs de x-as), verticaal (langs de y-as) of in beide richtingen. Objecten worden geschaald ten opzichte van een referentiepunt dat afhankelijk is van de gekozen schaalmethode. U kunt het standaardreferentiepunt voor de meeste schaalmethoden aanpassen en de verhoudingen van een object vergrendelen.

Opmerking:

Nadat u een object hebt geschaald, wordt de originele grootte niet meer door Illustrator in het geheugen opgeslagen. U kunt de originele grootte dus niet meer herstellen. U kunt echter wel de resolutie van het object in het deelvenster Info zien en aan de hand daarvan de schaal bepalen waarmee u de afmetingen van het object wilt wijzigen met behoud van resolutie.

Standaard worden lijnen en effecten niet samen met objecten geschaald. Als u lijnen en effecten wilt schalen, kiest u Bewerken > Voorkeuren > Algemeen (Windows) of Illustrator > Voorkeuren > Algemeen (Mac OS) en selecteert u Lijnen en effecten schalen. Als u per geval wilt kiezen of u lijnen en effecten wilt schalen, schaalt u de objecten met het deelvenster Transformeren of de opdracht Schalen.

Objecten schalen
Met de optie Lijnen en effecten schalen worden het object, slagschaduwen en lijnen geschaald (links). Wanneer deze optie is uitgeschakeld (rechts), wordt alleen het object geschaald.

Objecten schalen met het gereedschap Schalen

  1. Selecteer een of meer objecten.
  2. Selecteer het gereedschap Schalen  .
  3. Voer een van de volgende stappen uit:
    • Als u wilt schalen ten opzichte van het middelpunt van het object, sleept u in het documentvenster totdat het object de gewenste grootte heeft.

    • Als u een object wilt schalen ten opzichte van een ander referentiepunt , klikt u op de plaats waar het nieuwe referentiepunt moet komen in het documentvenster en sleept u de aanwijzer bij het referentiepunt vandaan totdat het object de gewenste grootte heeft.

    • Als u de verhoudingen van het object tijdens het schalen wilt behouden, houdt u Shift ingedrukt terwijl u diagonaal sleept.

      Tip: Wanneer u het gereedschap Schalen gebruikt met de Shift-toets, begin dan in een horizontale of verticale hoek van 45° te slepen.

    • Als u het object langs één as wilt schalen, houdt u Shift ingedrukt terwijl u verticaal of horizontaal sleept.

    Opmerking:

    Als u de schaal nauwkeuriger wilt aanpassen, begint u op grotere afstand van het referentiepunt te slepen.

Objecten schalen met het omsluitende kader

  1. Selecteer een of meer objecten.
  2. Selecteer het selectiegereedschap of het gereedschap Vrije transformatie  .
  3. Sleep een handgreep van het omsluitende kader totdat het object de gewenste afmetingen heeft.

    Objecten worden geschaald ten opzichte van de tegenoverliggende greep van het omsluitende kader.

  4. Voer een van de volgende stappen uit om de schaal te wijzigen:
    • Als u de verhoudingen van het object wilt behouden, houdt u Shift ingedrukt tijdens het slepen.

    • Als u ten opzichte van het middelpunt van het object wilt schalen, houdt u Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt tijdens het slepen.

Objecten schalen tot een bepaalde breedte en hoogte

  1. Selecteer een of meer objecten.
  2. Typ in het deelvenster Transformeren een nieuwe waarde in het vak voor de breedte (B) of de hoogte (H) of in beide vakken.

    U kunt een van de volgende stappen uitvoeren voordat u een waarde voor de schaal invoert:

    • Als u de verhoudingen van het object wilt behouden, klikt u op de knop voor het beperken van de verhoudingen .

    • Als u het referentiepunt voor het schalen wilt wijzigen, klikt u op een wit vierkantje op de aanduiding voor het referentiepunt .

    • Als u paden met lijnen en effecten die te maken hebben met de grootte samen met het object wilt schalen, kiest u Lijnen en effecten schalen in het deelvenstermenu.

Opmerking:

U kunt de verhoudingen ook behouden door een waarde in te voeren in het vak B of H en vervolgens Ctrl (Windows) of Command (Mac OS) ingedrukt te houden en op Enter te drukken.

Objecten schalen met een specifiek percentage

  1. Selecteer een of meer objecten.
  2. Voer een van de volgende stappen uit:
    • Kies Object > Transformeren > Schalen of dubbelklik op het gereedschap Schalen  om vanuit het middelpunt te schalen.

    • Als u wilt schalen ten opzichte van een ander referentiepunt, selecteert u het gereedschap Schalen en houdt u Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt terwijl u klikt op de plaats waar het referentiepunt moet komen in het documentvenster.

  3. Kies een optie in het dialoogvenster Schalen:
    • Als u de verhoudingen van het object wilt behouden tijdens het schalen, selecteert u Proportioneel en voert u in het tekstvak Schalen een percentage in.

    • Als u de hoogte en de breedte afzonderlijk wilt schalen, selecteert u Niet-proportioneel en voert u in de tekstvakken Horizontaal en Verticaal een percentage in.

      De schaalfactoren zijn relatief ten opzichte van het referentiepunt en kunnen negatief of positief zijn.

  4. Als u paden met lijnen en alle effecten die te maken hebben met de grootte, samen met het object wilt schalen, kiest u Lijnen en effecten schalen.
  5. Als de objecten een vulpatroon bevatten, selecteert u Patronen om het patroon te schalen. Schakel Objecten uit als u wel het patroon en niet de objecten wilt schalen.
  6. Klik op OK of klik op Kopiëren als u een kopie van de objecten wilt schalen.

Meerdere objecten schalen

  1. Selecteer de objecten.
  2. Kies Object > Transformeren > Elk object transformeren.
    Opmerking:

    U kunt geen specifieke breedte opgeven wanneer u meerdere objecten schaalt. U kunt objecten in Illustrator alleen in percentages schalen.

  3. Stel in het gedeelte Schalen van het dialoogvenster percentages in voor horizontaal en verticaal schalen.
  4. Als u het referentiepunt wilt wijzigen, klikt u op een wit vierkantje op de aanduiding voor het referentiepunt  .
  5. Klik op OK of klik op Kopiëren als u een kopie van elk object wilt schalen.

Objecten schuintrekken

Wanneer u een object schuintrekt, laat u het object hellen of schuin aflopen langs de horizontale of verticale as of met een opgegeven hoek ten opzichte van een opgegeven as. Objecten worden schuingetrokken ten opzichte van een referentiepunt, dat afhankelijk is van de gekozen methode voor het schuintrekken en dat bij de meeste methoden kan worden gewijzigd. U kunt één afmeting van een object bij het schuintrekken vergrendelen en één object of meerdere objecten tegelijk schuintrekken.

Opmerking:

Schuintrekken is handig om slagschaduwen te maken.

Objecten schuintrekken
Schuintrekken ten opzichte van het middelpunt (links) vergeleken met schuintrekken ten opzichte van een door de gebruiker gedefinieerd referentiepunt (rechts)

Objecten schuintrekken met het gereedschap Schuintrekken

  1. Selecteer een of meer objecten.
  2. Selecteer het gereedschap Schuintrekken  .
  3. Voer een van de volgende stappen uit:
    • Als u een object wilt schuintrekken ten opzichte van het middelpunt, sleept u in het documentvenster.

    • Als u een object wilt schuintrekken ten opzichte van een ander referentiepunt , klikt u in het documentvenster om het referentiepunt te verplaatsen en sleept u de aanwijzer bij het referentiepunt vandaan totdat het object de gewenste helling heeft.

    • Als u het object langs de verticale as wilt schuintrekken, sleept u omhoog of omlaag in het documentvenster. Houd Shift ingedrukt als u de oorspronkelijke breedte van het object wilt behouden.

    • Als u het object langs de horizontale as wilt schuintrekken, sleept u naar links of naar rechts in het documentvenster. Houd Shift ingedrukt als u de oorspronkelijke hoogte van het object wilt behouden.

Objecten schuintrekken met de opdracht Schuintrekken

  1. Selecteer een of meer objecten.
  2. Voer een van de volgende stappen uit:
    • Kies Object > Transformeren > Schuintrekken of dubbelklik op het gereedschap Schuintrekken  om het object vanuit het middelpunt schuin te trekken .

    • Als u wilt schuintrekken ten opzichte van een ander referentiepunt, selecteert u het gereedschap Schuintrekken en houdt u Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt terwijl u klikt op de plaats waar het referentiepunt moet komen in het documentvenster.

  3. Typ in het dialoogvenster Schuintrekken een waarde voor de schuintrekhoek tussen -359 en 359. De schuintrekhoek is de mate waarin het object naar rechts wordt schuingetrokken en deze hoek is relatief ten opzichte van een lijn die loodrecht staat op de schuintrekas.
  4. Selecteer de as waarlangs u het object wilt schuintrekken.

    Als u een geroteerde as kiest, voert u een waarde in tussen –359 en 359 ten opzichte van de horizontale as.

  5. Als de objecten een vulpatroon bevatten, selecteert u Patronen om het patroon te verplaatsen. Schakel Objecten uit als u wel het patroon en niet de objecten wilt verplaatsen.
  6. Klik op OK of klik op Kopiëren als u een kopie van de objecten wilt schuintrekken.

Objecten schuintrekken met het gereedschap Vrije transformatie

  1. Selecteer een of meer objecten.
  2. Selecteer het gereedschap Vrije transformatie .
  3. Voer een van de volgende stappen uit:
    • Als u wilt schuintrekken langs de verticale as van het object, begint u te slepen vanuit de handgreep links of rechts in het midden van het omsluitende kader en houdt u Ctrl+Alt (Windows) of Option+Command (Mac OS) ingedrukt terwijl u omhoog of omlaag sleept. U kunt ook Shift ingedrukt houden als u de oorspronkelijke breedte van het object wilt behouden.

    • Als u wilt schuintrekken langs de horizontale as van het object, begint u te slepen vanuit de handgreep boven of onder in het midden van het omsluitende kader en houdt u Ctrl+Alt (Windows) of Option+Command (Mac OS) ingedrukt terwijl u naar links of rechts sleept. U kunt ook Shift ingedrukt houden als u de oorspronkelijke hoogte van het object wilt behouden.

Objecten schuintrekken met het deelvenster Transformeren

  1. Selecteer een of meer objecten.
  2. Typ in het deelvenster Transformeren een waarde in het tekstvak Schuintrekken.

    Als u het referentiepunt wilt wijzigen, klikt u op een wit vierkantje op de aanduiding voor het referentiepunt  voordat u de waarde invoert.

    Opmerking:

    U kunt het deelvenster Transformeren ook openen door in het regelpaneel op X, Y, B of H te klikken.

U kunt de functie voor het tekenen en bewerken van real-time inschakelen om de actieve weergave van objecten te verbeteren wanneer u ermee werkt. U schakelt deze functie als volgt in:

[Windows] Kies Bewerken > Voorkeuren > Prestaties > Realtime tekenen en bewerken.

[macOS] Kies Illustrator > Voorkeuren > Prestaties > Realtime tekenen en bewerken.

Objecten vervormen

U kunt objecten vervormen met het gereedschap Vrije transformatie of met een uitvloeiingsgereedschap. Gebruik het gereedschap Vrije transformatie als u objecten vrij wilt vervormen. Kies een uitvloeiingsgereedschap als u gebruik wilt maken van specifieke, vooraf ingestelde vervormingen zoals kronkels, plooien of kreukels.

Objecten vervormen met het gereedschap Vrije transformatie

  1. Selecteer een of meer objecten.
  2. Selecteer het gereedschap Vrije transformatie .
  3. Sleep een handgreep op een hoek (niet op een zijde) van het omsluitende kader en kies een van de volgende mogelijkheden:
    • Houd Ctrl (Windows) of Command (Mac OS) ingedrukt en sleep tot de selectie de gewenste vervorming heeft.

    • Houd Shift+Alt+Ctrl (Windows) of Shift+Option+Command (Mac OS) ingedrukt om met perspectief te vervormen.

       

    Vervorming met perspectief
    Vervorming met perspectief

Objecten vervormen met een uitvloeiingstool

Uitvloeiingstools zijn Verdraaien, Kronkelen, Plooien, Zwellen, Schelp, Kristal en Kreuken. U kunt uitvloeiingsgereedschappen niet gebruiken met gekoppelde bestanden of objecten die tekst, grafieken of symbolen bevatten.

  1. Selecteer een uitvloeiingsgereedschap en klik op of sleep over de objecten die u wilt vervormen.
  2. (Optioneel) Als u het vervormen wilt beperken tot specifieke objecten, selecteert u de objecten voordat u het gereedschap gebruikt.
  3. (Optioneel) Als u het formaat van de cursor van het gereedschap wilt wijzigen en andere gereedschapsopties wilt instellen, dubbelklikt u op het uitvloeiingsgereedschap en stelt u een of meer van de volgende opties in:

    Breedte en Hoogte

    Met deze opties bepaalt u de grootte van de cursor van het gereedschap.

    Hoek

    Met deze optie bepaalt u de richting van de cursor van het gereedschap.

    Intensiteit

    Hiermee bepaalt u de snelheid van de wijziging voor de vervorming. Hogere waarden produceren snellere wijzigingen.

    Drukpen gebruiken

    Met deze optie gebruikt u de invoer van een tablet of pen in plaats van de waarde voor Intensiteit. Als er geen drukgevoelige tablet is aangesloten, is deze optie niet beschikbaar.

    Complexiteit (gereedschappen Schelp, Kristal en Kreuken)

    Hiermee bepaalt u hoe dicht de resultaten van het desbetreffende penseel worden verdeeld over de omtrek van het object. Deze optie is nauw verbonden met de waarde Detail.

    Detail

    Hiermee bepaalt u de afstand tussen punten die worden geplaatst op de omtrek van het object (hoe hoger deze waarde, des te dichter de punten bij elkaar komen te staan).

    Vereenvoudigen (tools Kromtrekken, Kronkel, Plooi en Bol)

    Hiermee bepaalt u in welke mate u de overtollige punten wilt reduceren die het algehele uiterlijk van de vorm niet waarneembaar beïnvloeden.

    Kronkelsnelheid (alleen gereedschap Kronkel)

    Hiermee bepaalt u de snelheid waarmee het kronkelen wordt toegepast. Voer een waarde in tussen -180° en 180°. Bij negatieve waarden kronkelt het object naar rechts en bij positieve waarden naar links. Het object kronkelt sneller met waarden die dichter bij -180° of 180° liggen. Geef een waarde dicht bij 0° op als u het object langzaam wilt laten kronkelen.

    Horizontaal en Verticaal (alleen gereedschap Kreuken)

    Met deze opties bepaalt u hoe ver de regelpunten uit elkaar liggen.

    Penseel beïnvloedt ankerpunten, Penseel beïnvloedt handgrepen inkomende raaklijn of Penseel beïnvloedt handgrepen uitgaande raaklijn (gereedschappen Schelp, Kristal, Kreuken)

    Hiermee kan het gereedschapspenseel wijzigingen aanbrengen in deze eigenschappen.

Objecten vervormen met het gereedschap Marionet verdraaien

Met Marionet verdraaien kunt u onderdelen van uw illustratie zodanig draaien en vervormen dat de transformaties er natuurlijk uitzien. U kunt een illustratie moeiteloos op verschillende manieren vervormen met het gereedschap Marionet verdraaien in Illustrator door pinnen toe te voegen, te verplaatsen en te roteren.

Kies het gereedschap Marionet verdraaien in het deelvenster Gereedschappen en voeg pinnen toe aan uw illustratie.

Verplaats of roteer de geselecteerde pin om de illustratie te transformeren.

Als u wilt weten hoe u illustraties vervormt met Marionet verdraaien, leest u Marionet verdraaien.

Adobe-logo

Aanmelden bij je account