Transformeren

Transformeren omvat het verplaatsen, roteren, spiegelen, schalen en schuintrekken van objecten. U kunt objecten transformeren in het deelvenster Transformeren (Object > Transformeren) en met speciaal daarvoor bestemde tools. U kunt vele typen transformaties uitvoeren door het omsluitende kader voor een selectie te slepen.

In bepaalde gevallen wilt u dezelfde transformatie mogelijk meerdere malen uitvoeren, vooral bij het kopiëren van objecten. Met de opdracht Opnieuw transformeren in het menu Object kunt u een bewerking voor het verplaatsen, schalen, roteren, spiegelen of schuintrekken van een object een onbeperkt aantal malen herhalen, totdat u een andere transformatiebewerking uitvoert.

Opmerking:

In het deelvenster Info kunt u de huidige afmetingen en positie van het geselecteerde object tijdens het transformeren bekijken.

Op www.adobe.com/go/vid0040_nl vindt u een video over het schalen, schuintrekken en roteren van objecten.

Overzicht van het deelvenster Transformeren

In het deelvenster Transformeren (Venster > Transformeren) staat informatie over de locatie, grootte en stand van een of meerdere geselecteerde objecten. U kunt de geselecteerde objecten, de vulpatronen van de objecten of beide wijzigen door nieuwe waarden hiervoor in te voeren. U kunt het referentiepunt van de transformatie ook wijzigen en de afmetingen van het object vergrendelen.

Alle waarden in het deelvenster hebben betrekking op de omsluitende kaders van de objecten, met uitzondering van de X- en Y-waarden; deze verwijzen naar het geselecteerde referentiepunt. Als u afzonderlijke objecten wilt uitlijnen op het pixelraster, schakelt u het selectievakje Uitlijnen op pixelraster in.

Opmerkingen:

  • Vanaf de CC 2017-release biedt Illustrator beter voorspelbare en meer nauwkeurige functies om illustraties te tekenen die zijn uitgelijnd op het pixelraster. Raadpleeg Pixel Perfect-illustraties tekenen voor meer informatie.
  • De indicator voor het referentiepunt in het deelvenster Transformeren geeft het referentiepunt van een object alleen aan wanneer u het object transformeert door de waarden in het deelvenster te wijzigen. Bij andere transformatiemethoden (bijvoorbeeld met de tool Schalen) fungeert het middelpunt van het object of de aanwijzer als referentiepunt.

 

Deelvenster Transformeren
Deelvenster Transformeren

A. Indicator voor het referentiepunt B. Deelvenstermenu C. Pictogram voor het beperken van de verhoudingen 

De patronen van een object transformeren

Wanneer u een object dat is gevuld met een patroon verplaatst, roteert, spiegelt (omdraait), schaalt of schuintrekt, kunt u alleen het object, alleen het patroon of zowel het object als het patroon transformeren. Wanneer u het vulpatroon van een object hebt getransformeerd, worden alle patronen die u daarna op dat object toepast op dezelfde manier getransformeerd.

  • Als u wilt opgeven hoe u patronen wilt transformeren wanneer u het deelvenster Transformeren gebruikt, selecteert u een optie in het deelvenstermenu: Alleen object transformeren, Alleen patroon transformeren of Beide transformeren.
  • Als u wilt opgeven hoe u patronen wilt transformeren wanneer u een transformatieopdracht gebruikt, stelt u de opties voor objecten en patronen in het corresponderende dialoogvenster in. Schakel bijvoorbeeld Patronen in en Objecten uit als u wel het patroon maar niet het object wilt transformeren.
  • Als u bij het gebruik van een transformatietool wel patronen maar geen objecten wilt transformeren, houdt u de tilde-toets (~) ingedrukt terwijl u sleept. De randen van het object lijken te worden getransformeerd, maar wanneer u de muisknop loslaat, worden de randen weer teruggezet op hun originele configuratie en blijft alleen het patroon getransformeerd.
  • U voorkomt dat patronen worden getransformeerd bij gebruik van transformatietools door Bewerken > Voorkeuren > Algemeen (Windows) of Illustrator > Voorkeuren > Algemeen (Mac OS) te selecteren en de optie Patroondelen bewerken uit te schakelen.
  • Als u de oorspronkelijke staat van het vulpatroon van een object wilt herstellen, vult u het object met een effen kleur en selecteert u vervolgens het gewenste patroon opnieuw.

Transformeren met het omsluitende kader

Wanneer u met de tool Selecteren een of meerdere objecten selecteert, worden de objecten in een omsluitend kader geplaatst. Met het omsluitende kader kunt u objecten gemakkelijk verplaatsen, roteren, dupliceren en schalen door het object of een handgreep (een van de lege vierkantjes langs het omsluitende kader) te slepen.

  • Kies Weergave > Omsluitend kader verbergen als u het omsluitende kader wilt verbergen.
  • Kies Weergave > Omsluitend kader tonen als u het omsluitende kader wilt weergeven.
  • Als u de stand van het omsluitende kader wilt wijzigen nadat u het object hebt geroteerd, kiest u Object > Transformeren > Omsluitend kader terugzetten.
Transformeren met het omsluitende kader
Geselecteerde objecten voor (links) en na (rechts) het schalen met het omsluitende kader

Dit werk is gelicentieerd onder de Creative Commons Naamsvermelding/Niet-commercieel/Gelijk delen 3.0 Unported-licentie  De voorwaarden van Creative Commons zijn niet van toepassing op Twitter™- en Facebook-berichten.

Juridische kennisgevingen   |   Online privacybeleid