In CS4 en hoger kunt u de opdrachtregel gebruiken om diverse handelingen uit te voeren die u gewoonlijk uitvoert in de werkruimte van Extension Manager.

Opdrachtregelbeginselen van Extension Manager

U kunt extensies beheren via de opdrachtregel door gebruik te maken van een bepaalde syntaxis, opdrachten en kenmerken.

  1. Open in Windows de opdrachtregel met de optie Start > Alle programma's > Bureau-accessoires > Opdrachtprompt. Open in Mac OS het programma Terminal door te dubbelklikken op het bijbehorende pictogram in de map Programma's/Hulpprogramma's.
  2. Ga naar de volgende map:

    • Windows: C:\Program Files\Adobe\Adobe Extension Manager CSx\
    • Mac OS: /Programma's/Adobe Extension Manager CSx/Adobe Extension Manager CSx.app/Contents/MacOS

    Hierbij is CSx het versienummer van Extension Manager, bijvoorbeeld CS6.

  3. Geef op de opdrachtregel het uitvoerbare bestand als volgt op (met dubbele aanhalingstekens):
    • Windows (CS5 en hoger): XManCommand.exe
    • Windows (CS4): “Adobe Extension Manager CS4.exe
    • Mac OS: “./Adobe Extension Manager CSx

    Hierbij is CSx het versienummer van Extension Manager, bijvoorbeeld CS6.

  4. Typ de gewenste opdracht na de naam van het uitvoerbare bestand.

    De onderstaande lijst bevat de beschikbare opdrachten:

    -package

    Een extensie verpakken. Vereiste kenmerken: mxi en mxp (CS5.5 en lager) of zxp.

    -install

    Een extensie installeren. Vereist kenmerk: mxp of zxp. Optionele kenmerken: suppresseula (CS5.5 en hoger), forallusers (CS6 en hoger) en time-out (CS5 en hoger).

    -remove

    Een extensie verwijderen. Vereiste kenmerken: product, extension. Optioneel kenmerk (CS5 en hoger): timeout.

    -enable

    Een extensie inschakelen. Vereiste kenmerken: product, extension. Optioneel kenmerk (CS5 en hoger): timeout.

    -disable

    Een extensie uitschakelen. Vereiste kenmerken: product, extension. Optioneel kenmerk (CS5 en hoger): timeout.

    -activate

    (CS6 en hoger) Een set activeren voor een afzonderlijk product. Vereiste kenmerken: product, set.

    -import

    (CS6 en hoger) Setconfiguratie importeren vanuit een XML-bestand. Vereist kenmerk: setcfg.

    -convert

    (CS6 en hoger) MXP-extensie converteren naar ZXP-extensie. Vereiste kenmerken: mxp en zxp.

    -locate

    Een afzonderlijk product vinden in de werkruimte van Extension Manager. Vereist kernmerk: product.

    -from

    (CS5 en hoger) Geeft de maker van de opdracht aan wanneer de opdrachtregelparameter wordt doorgegeven via BridgeTalk. Nadat de opdracht is uitgevoerd, stuurt Extension Manager het resultaat terug naar de maker die is aangegeven. Vereiste kenmerken: product of pcdentry.

    -EMBT

    Wordt alleen gebruikt wanneer de opdrachtregelparameter via BridgeTalk wordt doorgegeven. "-EMBT" moet vóór alle andere opdrachten worden weergegeven. Kenmerken: geen.

    -suppress

    De gebruikersinterface van Extension Manager onderdrukken. Moet voorafgaan aan alle andere opdrachten, behalve -EMBT. Kenmerken: geen.

    -locale

    Een landinstelling voor Extension Manager selecteren bij het opstarten. Vereist kenmerk: lang.

    -quit

    (CS5 en hoger) Extension Manager afsluiten. Deze opdracht moet afzonderlijk worden gebruikt.

    De onderstaande lijst beschrijft de beschikbare kenmerken:

    mxi

    Geeft de naam en locatie op van het installatiebestand van de extensie.

    mxp

    Geeft de naam en locatie op van het pakketbestand in de MXP-indeling.

    zxp

    Geeft de naam en locatie op van het pakketbestand in de ZXP-indeling.

    product

    Geeft het product op dat de extensie gebruikt. De waarde moet gelijk zijn aan de productnaam die in het linkerdeelvenster van het venster Extension Manager wordt weergegeven.

    extension

    Geeft de naam aan van de extensie (zoals opgegeven in het MXI-bestand).

    pcdentry

    (CS5 en hoger) Geeft de BridgeTalk-id van de maker van de opdracht op.

    suppresseula

    (CS5.5 en hoger) Geeft aan of het dialoogvenster met de licentieovereenkomst voor eindgebruikers (EULA) moet worden onderdrukt wanneer de extensie wordt geïnstalleerd. De geldige waarden zijn “y” (onderdrukken) of “n” (niet onderdrukken). De standaardwaarde is “n”.

    forallusers

    (CS6 en hoger) Geeft op dat de extensie moet worden geïnstalleerd voor alle gebruikers als de waarde "y" is en de extensie een extensie voor afzonderlijke gebruikers is. Een extensie voor afzonderlijke gebruikers is een extensie waarvoor de bestanden tijdens de installatie worden gekopieerd naar gebruikersspecifieke mappen. De standaardwaarde is "n".

    taal

    Geeft de lokale taalcode op, zoals nl_NL.

    timeout

    (CS5 en hoger) Geeft het maximum aantal seconden op dat Extension Manager wacht op het afsluiten van het product voordat het de volgende opdracht uitvoert. Moet volgen op de opdrachten install/enable/disable/remove en moet een positief geheel getal tussen 0 en 1000 zijn.

    set

    (CS6 en hoger) Geeft de naam op van de set die moet worden geactiveerd.

    setcfg

    (CS6 of hoger) Geeft de naam en locatie op van het geëxporteerde setconfiguratiebestand.

Een extensie verpakken via de opdrachtregel

  1. Ga naar de toepassingsmap van Extension Manager.
  2. (Windows) Voer de volgende opdracht in en geef uw eigen kenmerkwaarden op:
    • (CS4): "Adobe Extension Manager CS4.exe" -package mxi="c:\mijnbestand.mxi" mxp="c:\mijnbestand.mxp"
    • (CS5 en CS5.5, MXP-indeling): "XManCommand.exe" -package mxi="c:\mijnbestand.mxi" mxp="c:\mijnbestand.mxp"
    • (CS5 en hoger, ZXP-indeling): "XManCommand.exe" -package mxi="c:\mijnbestand.mxi" zxp="c:\mijnbestand.zxp"
  3. (Macintosh) Voer de volgende opdracht in en geef uw eigen kenmerkwaarden op:
    • (CS4/CS5/CS5.5, MXP-indeling): "./Adobe Extension Manager CSx" -package mxi="/mijnmap/mijnsubmap/mijnbestand.mxi" mxp="/mijnmap/mijnsubmap/mijnbestand.mxp"
    • (CS5 en hoger, ZXP-indeling): "./Adobe Extension Manager CSx" -package mxi="/mijnmap/mijnsubmap/mijnbestand.mxi" zxp="/mijnmap/mijnsubmap/mijnbestand.zxp"
  4. Installeer en test de extensie om er zeker van te zijn dat alles werkt zoals verwacht.

Een extensie installeren via de opdrachtregel

  1. Ga naar de toepassingsmap van Extension Manager.
  2. (Windows) Voer de volgende opdracht in en geef uw eigen kenmerkwaarde op:
    • (CS4): "Adobe Extension Manager CS4.exe" -install mxp="c:\mijnbestand.mxp"
    • (CS5 en hoger, MXP-indeling): "XManCommand.exe" -install mxp="c:\mijnbestand.mxp"
    • (CS5 en hoger, ZXP-indeling): "XManCommand.exe" -install zxp="c:\mijnbestand.zxp"
  3. (Macintosh) Voer de volgende opdracht in en geef uw eigen kenmerkwaarde op:
    • (MXP-indeling): "./Adobe Extension Manager CSx" -install mxp="/mijnmap/mijnsubmap/mijnbestand.mxp"
    • (ZXP-indeling): "./Adobe Extension Manager CSx" -install zxp="/mijnmap/mijnsubmap/mijnbestand.zxp"
  4. Als u de gebruikersinterface van Extension Manager wilt onderdrukken, voegt u als volgt de opdracht -suppress toe vóór de opdracht install:
    ... -suppress -install zxp="c:\mijnbestand.zxp"
  5. Als u een landinstelling wilt opgeven, voegt u de opdracht locale toe en geeft u het kenmerk lang op vóór de opdracht install:
    ... -locale lang="nl_NL" -install zxp="c:\mijnbestand.zxp"
  6. Test de extensie om er zeker van te zijn dat alles werkt zoals verwacht.

Een extensie verwijderen via de opdrachtregel

  1. Ga naar de toepassingsmap van Extension Manager.
  2. Voer de volgende opdracht in en geef uw eigen kenmerkwaarden op:
    • (Windows, CS5 en hoger): XManCommand.exe -remove product="Dreamweaver CSx" extension="Voorbeeld"
    • (Windows, CS4) "Adobe Extension Manager CS4.exe" -remove product="Dreamweaver CS4" extension="Voorbeeld"
    • (Macintosh): "./Adobe Extension Manager CSx" -remove product="Dreamweaver CSx" extension="Voorbeeld"

    Hierbij is CSx het versienummer van Extension Manager, bijvoorbeeld CS6.

    Gebruik het kenmerk product om het product op te geven dat de extensie gebruikt. Gebruik het extensiekenmerk om de naam van de extensie op te geven.

Een extensie inschakelen via de opdrachtregel

  1. Ga naar de toepassingsmap van Extension Manager.
  2. Voer de volgende opdracht in en geef uw eigen kenmerkwaarden op:
    • (Windows, CS5 en hoger): XManCommand.exe -enable product="Dreamweaver CSx" extension="Voorbeeld"
    • (Windows, CS4): "Adobe Extension Manager CS4.exe" -enable product="Dreamweaver CS4" extension="Voorbeeld"
    • (Macintosh): "./Adobe Extension Manager CSx" -enable product="Dreamweaver CSx" extension="Voorbeeld"

    Hierbij is CSx het versienummer van Extension Manager, bijvoorbeeld CS6.

    Gebruik het kenmerk product om het product op te geven dat de extensie gebruikt. Gebruik het extensiekenmerk om de naam van de extensie op te geven.

Een extensie uitschakelen via de opdrachtregel

  1. Ga naar de toepassingsmap van Extension Manager.
  2. Voer de volgende opdracht in en geef uw eigen kenmerkwaarden op:
    • (Windows, CS5 en hoger): XManCommand.exe -disable product="Dreamweaver CSx" extension="Voorbeeld"
    • (Windows, CS4): "Adobe Extension Manager CS4.exe" -disable product="Dreamweaver CS4" extension="Voorbeeld"
    • (Macintosh): "./Adobe Extension Manager CSx" -disable product="Dreamweaver CSx" extension="Voorbeeld"

    Hierbij is CSx het versienummer van Extension Manager, bijvoorbeeld CS6.

    Gebruik het kenmerk product om het product op te geven dat de uit te schakelen extensie gebruikt. Gebruik het extensiekenmerk om de naam van de extensie op te geven.

Een afzonderlijk product vinden in de werkruimte van Extension Manager

  1. Ga naar de toepassingsmap van Extension Manager.
  2. Voer de volgende opdracht in en geef uw eigen kenmerkwaarde op:
    • (Windows, CS5 en hoger): XManCommand.exe -locate product="Dreamweaver CSx"
    • (Windows, CS4): "Adobe Extension Manager CS4.exe" -locate product="Dreamweaver CS4"
    • (Macintosh): "./Adobe Extension Manager CSx" -locate product="Dreamweaver CSx"

    Hierbij is CSx het versienummer van Extension Manager, bijvoorbeeld CS6.

    Gebruik het kenmerk product om het product op te geven waarnaar moet worden gezocht.

Een MXP-extensie converteren naar een ZXP-extensie via de opdrachtregel (CS6 en hoger)

  1. Ga naar de toepassingsmap van Extension Manager.
  2. Voer de volgende opdracht in en geef uw eigen kenmerkwaarden op:
    • Windows: XManCommand.exe -convert mxp="c:\mijnOudeExtensie.mxp" zxp="c:\mijnNieuweExtensie.zxp"
    • Mac OS: "./AdobeExtension Manager CS6" -convert mxp="/mijnmap/mijnsubmap/mijnOudeExtensie.mxp" zxp="/mijnmap/mijnsubmap/mijnNieuweExtensie.zxp"

Gebruik het kenmerk mxp om de MXP-extensie op te geven die u wilt converteren. Gebruik het kenmerk zxp om het pad en de naam van de nieuwe ZXP-extensie op te geven.

Een extensieset activeren via de opdrachtregel (CS6 en hoger)

  1. Ga naar de toepassingsmap van Extension Manager.
  2. Voer de volgende opdracht in en geef uw eigen kenmerkwaarde op:
    • Windows: XManCommand.exe -activate product="Dreamweaver CS6" set="Adobe-extensies"
    • Mac OS: "./Adobe Extension Manager CS6" -activate product="Dreamweaver CS6" set="Adobe-extensies"

Gebruik het kenmerk product om het product op te geven waarmee de extensieset wordt geactiveerd. Gebruik het kenmerk set om de naam op te geven van de extensieset die u wilt activeren.

Een setconfiguratie importeren via de opdrachtregel (CS6 en hoger)

  1. Ga naar de toepassingsmap van Extension Manager.
  2. Voer de volgende opdracht in en geef uw eigen kenmerkwaarde op:
    • Windows: XManCommand.exe -import setcfg="c:\SetConfig.xml"
    • Mac OS: "./Adobe Extension Manager CS6" -import setcfg="/mijnmap/mijnsubmap/SetConfig.xml"

Gebruik het kenmerk setcfg om het pad en de naam op te geven van het setconfiguratiebestand dat u wilt importeren.

Opdrachten uitvoeren via BridgeTalk

Extension Manager kan opdrachten uitvoeren die worden doorgegeven via BridgeTalk. Alle opdrachten die via BridgeTalk worden verzonden, moeten beginnen met de parameter "-EMBT". Als u opdrachten naar Extension Manager wilt verzenden, moet u voor het doel de BridgeTalk-id "exman-6.0" opgeven.

Voer het onderstaande voorbeeldscript uit in ExtendScript Toolkit CS6 om een verpakkingsopdracht naar Extension Manager te verzenden via BridgeTalk.

Windows:
 
var bt = new BridgeTalk();
bt.target = "exman-6.0";
bt.body = '-EMBT -package mxi="C:\\test.mxi" zxp="C:\\test.zxp"';
bt.send();
Mac OS:
 
var bt = new BridgeTalk();
bt.target = "exman-6.0";
bt.body = '-EMBT -package mxi="/Volumes/x1/test.mxi" zxp="/Volumes/x1/test.zxp"';
bt.send();

Retourcodes na het uitvoeren van opdrachten

Extension Manager levert retourcodes na het uitvoeren van opdrachten als een van de volgende twee parameters is opgenomen in de opdracht:

  • "-suppress" (de gebruikersinterface van Extension Manager wordt niet weergegeven tijdens het uitvoeren van de opdracht)
  • "-from"

Nadat de opdracht is uitgevoerd, retourneert Extension Manager een van de volgende retourcodes:

0 - Opdracht is uitgevoerd

1 - Installeren van extensie is mislukt

2 - Verwijderen van extensie is mislukt

3 - Inschakelen van extensie is mislukt

4 - Uitschakelen van extensie is mislukt

5 - Verpakken van extensie is mislukt

6 - Activeren van extensieset is mislukt

7 - Er is al een instantie van Extension Manager actief

8 - Importeren van setconfiguratie is mislukt

101 - Onjuiste CLI-indeling

102 - Het opgegeven product bestaat niet

103 - De opgegeven extensie bestaat niet

104 - De opgegeven extensie is al ingeschakeld

105 - De opgegeven extensie is al uitgeschakeld

106 - De opgegeven extensieset bestaat niet

107 - Het opgegeven setconfiguratiebestand bestaat niet

108 - Het opgegeven setconfiguratiebestand is ongeldig

109 - De opgegeven extensieset kan niet worden in- of uitgeschakeld als de actieve extensieset een voorgedefinieerde extensieset is

Opmerking: Wanneer voor het uitvoeren van opdrachten beheerdersrechten vereist zijn en de huidige machtiging onvoldoende is, wordt u om beheerdersreferenties gevraagd in Extension Manager CS5.5 als de gebruikersinterface niet is onderdrukt. Als de gebruikersinterface is onderdrukt (wanneer de parameter "- suppress" is opgegeven), mislukt de uitvoering. In dat geval moet u de opdrachtregel openen als beheerder (Windows) of de opdracht sudo gebruiken in het Terminalvenster (Macintosh).

Dit werk is gelicentieerd onder de Creative Commons Naamsvermelding/Niet-commercieel/Gelijk delen 3.0 Unported-licentie  De voorwaarden van Creative Commons zijn niet van toepassing op Twitter™- en Facebook-berichten.

Juridische kennisgevingen   |   Online privacybeleid