Instellingen voor delen aanpassen

De voorinstellingen (standaardinstellingen) zijn geschikt voor de meeste toepassingen en produceren hoogstaande resultaten, ongeacht het bestandstype voor delen dat u kiest. U kunt deze instellingen echter wijzigen als u specifieke behoeften hebt waaraan de voorinstellingen niet voldoen. U kunt aangepaste instellingen opgeven wanneer u video deelt met gebruik van de opties Computer of Mobiele telefoons en afspeelapparatuur.

Opmerking:

Als u de geavanceerde instellingen wijzigt zonder exact te weten wat voor videobeelden u daarmee verkrijgt, kunnen er ongewenste resultaten optreden tijdens het afspelen.

De exportinstellingen worden niet bijgewerkt tijdens uw werk aan een project. Het is echter raadzaam te controleren of alle exportinstellingen nog van toepassing zijn. Wanneer u een optie wijzigt, maakt u een voorinstelling die u een naam kunt geven, kunt opslaan en daarna kunt gebruiken in volgende projecten. Alle voorinstellingen die u maakt, worden weergegeven in het menu Voorinstelling en de standaardvoorinstellingen worden weergegeven in de het deelvenster Publiceren en delen.

Bepaalde software voor opnamekaarten en insteekmodules beschikken over eigen dialoogvensters met specifieke opties. Raadpleeg de documentatie voor uw opnamekaart of insteekmodule als deze opties verschillen van de opties die worden beschreven in deze gebruikershandleiding.

Geavanceerde instellingen voor delen aanpassen

Wanneer u een bestand deelt met een van de opties in het deelvenster Publiceren en delen, kunt u de opties aanpassen en aangepaste voorinstellingen opslaan in het dialoogvenster Exportinstellingen.

  1. Selecteer in het deelvenster Exporteren en delen de optie Apparaten, Audio of Afbeelding, al naargelang uw vereisten.

  2. Klik op Aangepast en dan op Geavanceerde instellingen.

  3. Selecteer Video exporteren, Audio exporteren of beide boven in het dialoogvenster Exportinstellingen om aan te geven welke typen tracks u wilt exporteren.
  4. Klik op de tab voor de categorie die u wilt aanpassen (Indeling, Video, Audio, Multiplexer of Soorten publiek) en pas de bijbehorende opties aan in het deelvenster. De weergegeven tabbladen en opties variëren afhankelijk van de gekozen exportindeling.
  5. Klik op OK wanneer u de opties hebt aangepast.
  6. Geef in het dialoogvenster Naam kiezen een naam op voor de voorinstelling en klik op OK.

Video-instellingen

De volgende opties zijn beschikbaar in het deelvenster Video van het dialoogvenster Exportinstellingen (deze opties worden weergegeven wanneer u een project deelt met de optie Computer of Mobiele telefoons en afspeelapparatuur). Niet alle opties zijn beschikbaar voor alle voorinstellingen.

Video exporteren

Hiermee exporteert u de videotracks. Schakel deze optie uit om te voorkomen dat er videotracks worden geëxporteerd.

Audio exporteren

Hiermee exporteert u de audiotracks. Schakel deze optie uit om te voorkomen dat er audiotracks worden geëxporteerd.

Videocodec

Hiermee kiest u een codec of compressieschema dat beschikbaar is op het systeem.

Kwaliteit

Hiermee geeft u het kwaliteitsniveau voor het uiteindelijke bestand op. Een instelling van 3,0 is een goede algemene instelling. Video met veel beweging kan echter baat hebben bij een hogere instelling. Hoe hoger de kwaliteitsinstelling, des te meer tijd is vereist om het bestand te renderen.

Tv-standaard

Hiermee bepaalt u of wordt uitgevoerd naar de NTSC- of PAL-standaard.

Framebreedte [pixels]

Hiermee schaalt u het horizontale aspect van het uitvoerframe naar de opgegeven breedte.

Framehoogte [pixels]

Hiermee schaalt u het verticale aspect van het uitvoerframe naar de opgegeven hoogte.

Beeldfrequentie [fps]

Hiermee geeft de beeldfrequentie voor uitvoer op voor NTSC- of PAL-indeling.

Veldvolgorde (of Velden)

Hiermee wordt bepaald of interliniëring wordt toegepast op de frames van het uitvoerbestand en zo ja, of het onderste of bovenste veld dominant is. Geen velden (progressieve scan) komt overeen met het gebruik van progressieve scan. Dit is de juiste instelling voor weergave op een computer en voor speelfilms. Kies Eerst bovenste veld of Eerst onderste veld (de standaardinstelling) wanneer u videobeelden exporteert voor een geïnterlinieerd medium zoals NTSC, PAL of SECAM. Voor DV-beeldmateriaal is Eerst onderste veld doorgaans de juiste instelling. Maar sommige nieuwere camcorders die zonder band werken, produceren video met een omgekeerde veldvolgorde. Raadpleeg daarom de documentatie bij uw camcorder.

Pixelverhouding

Hiermee geeft u de hoogte-breedteverhouding van elke pixel op. Zo bepaalt u het aantal pixels dat nodig is om een bepaalde hoogte-breedteverhouding voor een frame te bereiken. Sommige indelingen beschikken over vierkante pixels en andere over niet-vierkante pixels.

Interval hoofdframe (seconden)

Hiermee geeft u aan na hoeveel seconden er tijdens het exporteren van videobeelden een hoofdframe wordt gemaakt door de codec.

Codering bitsnelheid

Hiermee wordt opgegeven of de codec een constante of variabele bitsnelheid bereikt in het geëxporteerde bestand.

Over het algemeen zijn frames complex en moeilijker te comprimeren wanneer ze veel details bevatten of wanneer ze aanzienlijk afwijken van omliggende frames, zoals bijvoorbeeld in scènes met beweging.

Opmerking: wanneer CBR- en VBR-bestanden met dezelfde inhoud en bestandsgrootte met elkaar worden vergeleken, wordt een CBR-bestand wellicht beter afgespeeld op een groter aantal systemen, omdat een vaste gegevenssnelheid een lagere belasting voor een mediaspeler en een computerprocessor vormt. Een VBR-bestand levert echter vaak betere beelden op, aangezien VBR de hoeveelheid compressie aanpast aan de inhoud van de afbeelding.

CBR

Met Constante bitsnelheid (CBS) blijft de gegevenssnelheid van het geëxporteerde bestand constant binnen een vaste limiet die u opgeeft. Omdat complexe gedeelten worden beperkte tot dezelfde bitsnelheid als eenvoudige gedeelten, kunnen daar eerder kwaliteitsverminderende gevolgen van compressie zichtbaar worden.

VBR

Met Variabele bitsnelheid (VBS) kan de gegevenssnelheid variëren binnen een bereik dat u opgeeft. Hierdoor kunnen complexe gedeelten een hogere bitsnelheid krijgen zodat er minder compressie vereist is terwijl minder complexe gedeelten een lagere bitsnelheid krijgen.

Bitsnelheid

Hiermee geeft u het aantal megabits per seconde op waarover het gecodeerde bestand moet beschikken. Deze optie wordt alleen weergegeven wanneer u CBR kiest als de optie voor Codering bitsnelheid.

De volgende opties worden alleen weergegeven als u VBR kiest als de optie voor Codering bitsnelheid:

Minimale bitsnelheid [Mbps]

Hiermee geeft u het minimum aantal megabits per seconde op waarover de codeermodule mag beschikken. De minimale bitsnelheid verschilt per indeling. Voor MPEG-2-DVD moet de minimale bitsnelheid ten minste 1,5 Mbps zijn.

Gewenste bitsnelheid [Mbps]

Hiermee geeft u het aantal Mbps (megabits per seconde) op waarover het gecodeerde bestand moet beschikken.

Maximale bitsnelheid [Mbps]

Hiermee geeft u het maximumaantal megabits per seconde op waarover de codeermodule mag beschikken.

M-frames

Hiermee geeft u het aantal B-frames (bidirectionele frames) op tussen opeenvolgende I-frames (intraframes) en P-frames (voorspelde frames). Deze optie is alleen beschikbaar voor MPEG-indelingen.

N-frames

Hiermee geeft u het aantal frames tussen I-frames (intraframes) op. De waarde moet een veelvoud van de waarde voor M-frames zijn. Deze optie is alleen beschikbaar voor MPEG-indelingen.

Gesloten GOP elke

Hiermee geeft u de frequentie van elke gesloten groep beelden (gesloten GOP) op. Vanuit een gesloten GOP kan niet worden verwezen naar frames buiten de gesloten GOP. Een GOP bestaat uit een reeks van I-, B- en P-frames. (Deze optie is beschikbaar als u een van beide voorinstellingen Compatibel met multimedia (MPEG-1 (compatibel met multimedia) of MPEG-2 (compatibel met multimedia)) kiest in het dialoogvenster MPEG exporteren en u vervolgens op Geavanceerd klikt.)

Automatische GOP-plaatsing

Wanneer u deze optie selecteert, wordt de plaatsing van de groep beelden (GOP, Group of Pictures) automatisch bepaald. (Deze optie is beschikbaar als u een van beide voorinstellingen voor MPEG (compatibel met multimedia) kiest in het dialoogvenster MPEG exporteren en u vervolgens op Geavanceerd klikt.)

Opmerking: MPEG-1- en MPEG-2-indelingen bevatten vele geavanceerde opties die hier niet worden besproken. In de meeste gevallen worden de juiste opties automatisch ingesteld wanneer u een indeling of voorinstelling selecteert die ontworpen is voor uw doeluitvoer. Raadpleeg de industriespecificaties voor de MPEG-1- en MPEG-2-indelingen voor meer informatie over opties die niet worden vermeld.

Audioinstellingen

De volgende opties zijn beschikbaar in het deelvenster Audio van het dialoogvenster Exportinstellingen (deze opties worden weergegeven wanneer u een project deelt met de optie Computer of Mobiele telefoons en afspeelapparatuur). Niet alle opties zijn beschikbaar voor alle voorinstellingen.

Audioindeling

Hiermee geeft u het type audio-uitvoer op, zoals AAC of MP3 en bepaalt u mogelijk welke audiocodec wordt gebruikt.

Audiocodec

Hiermee geeft u de codec op die door Premiere Elements wordt gebruikt bij het comprimeren van audio. De beschikbare codecs zijn afhankelijk van het bestandstype dat u hebt opgegeven in het deelvenster Algemeen van het dialoogvenster Exportinstellingen. Bepaalde bestandstypen en opnamekaarten ondersteunen alleen niet-gecomprimeerde audio, die de hoogste kwaliteit biedt maar meer schijfruimte inneemt. Raadpleeg de documentatie bij de opnamekaart voordat u een audiocodec kiest.

Samplefrequentie

Hiermee geeft u de frequentie voor het exporteren op. Kies een hogere frequentie voor een betere geluidskwaliteit in een geëxporteerd bestand of kies een lagere frequentie om te zorgen dat er minder verwerkingstijd en schijfruimte vereist zijn. Cd-kwaliteit is 44,1 kHz. Als u resampling toepast (de frequentie van het oorspronkelijke geluid wijzigt), is er ook aanvullende verwerkingstijd vereist. U kunt resampling voorkomen door het geluid op te nemen op de uiteindelijke snelheid.

Type sample

Hiermee geeft u de bitdiepte voor het exporteren op. Kies een hogere bitdiepte en stereo voor een hogere kwaliteit of kies een lagere bitdiepte en mono om te zorgen dat er minder verwerkingstijd en schijfruimte vereist zijn. Cd-kwaliteit is 16-bits stereo.

Kanalen

Hiermee geeft u aan hoeveel audiokanalen het geëxporteerde bestand bevat. Stereo biedt standaard twee geluidskanalen en mono biedt slechts één kanaal. Als u een stereotrack als mono exporteert, wordt het geluid teruggebracht tot één kanaal.

Interleave

Hiermee geeft u aan hoe vaak er audiogegevens worden ingevoegd in de videoframes in het geëxporteerde bestand. Raadpleeg de documentatie bij de opnamekaart voor de aanbevolen instelling. Als er een waarde van 1 frame wordt weergegeven, wordt het geluid voor een frame dat wordt afgespeeld, geladen in het RAM-geheugen, zodat het kan worden weergegeven totdat het volgende frame verschijnt. Als het geluid wordt onderbroken tijdens het afspelen, is Interleave mogelijk zodanig ingesteld dat niet al het geluid kan worden verwerkt. Als u de waarde verhoogt, kunnen er langere audiosegmenten worden opgeslagen door Premiere Elements die minder vaak hoeven te worden verwerkt, maar voor een hogere waarde voor Interleave is meer RAM-geheugen vereist. De meeste vaste schijven werken het best met instellingen voor Interleave van een halve tot één seconde.

Bitsnelheid

Hiermee geeft u het aantal megabits per seconde op waarover het gecodeerde bestand moet beschikken. Over het algemeen leiden hogere bitsnelheden tot grotere bestanden van betere kwaliteit. Deze optie is beschikbaar voor AAC, MPEG en enkele Windows Media-audiocodecs.

opmerking: opties die hier niet worden besproken, gelden specifiek voor de geselecteerde indeling. Raadpleeg de industriespecificaties voor nadere informatie over de geselecteerde indeling.

Modus voor bitsnelheid

Hiermee wordt opgegeven of de codec een constante of variabele bitsnelheid bereikt in het geëxporteerde bestand. Met constante bitsnelheid blijft de gegevenssnelheid van het geëxporteerde bestand constant binnen een vaste limiet die u opgeeft. Omdat complexe gedeelten worden beperkte tot dezelfde bitsnelheid als eenvoudige gedeelten, kunnen daar eerder kwaliteitsverminderende gevolgen van compressie zichtbaar worden. Met variabele bitsnelheid kan de gegevenssnelheid variëren binnen een bereik dat u opgeeft. Hierdoor kunnen complexe gedeelten een hogere bitsnelheid krijgen zodat er minder compressie vereist is terwijl minder complexe gedeelten een lagere bitsnelheid krijgen.

Over het algemeen zijn frames complex en moeilijker te comprimeren wanneer ze veel details bevatten of wanneer ze aanzienlijk afwijken van omliggende frames, zoals bijvoorbeeld in scènes met beweging.

Opmerking: wanneer CBR- en VBR-bestanden met dezelfde inhoud en bestandsgrootte met elkaar worden vergeleken, wordt een CBR-bestand wellicht beter afgespeeld op een groter aantal systemen, omdat een vaste gegevenssnelheid een lagere belasting voor een mediaspeler en een computerprocessor vormt. Een VBR-bestand levert echter vaak betere beelden op, aangezien VBR de hoeveelheid compressie aanpast aan de inhoud van de afbeelding.

Codeercontroles

Hiermee geeft u aan hoeveel keer de clip wordt geanalyseerd door de codeermodule voordat deze wordt gecodeerd. Als u meerdere controles gebruikt, neemt het coderen van het bestand meer tijd in beslag, maar verkrijgt u doorgaans een efficiëntere compressie en een hogere beeldkwaliteit.

Opmerking: opties die hier niet worden besproken, gelden specifiek voor de geselecteerde indeling. Raadpleeg de industriespecificaties voor nadere informatie over de geselecteerde indeling.

Instellingen voor multiplexing

Met multiplexing worden meerdere gegevensstromen gecombineerd in één signaal. Bepaalde indelingen, zoals de indeling voor Apple iPod, beschikken over een of meer van de volgende opties voor multiplexing:

Multiplexing

Hiermee geeft u aan welk soort multiplexing u wilt gebruiken. Kies de indeling waarin u de video wilt afspelen: DVD, 3GPP of MP4. Als u geen multiplexing wilt gebruiken, kiest u Geen.

Streamcompatibiliteit

Hiermee geeft u het medium op waarmee de video wordt afgespeeld: PSP (PlayStation Portable), iPod of Standaard.

Een component voor delen activeren

Premiere Elements bevat een aantal componenten, zoals codecs, die u dient te activeren voordat u ze kunt gebruiken. Als u bijvoorbeeld voor de eerste keer naar een bepaalde indeling wilt exporteren, wordt u wellicht gevraagd een component te activeren.

Het activeren van componenten vindt automatisch plaats als u verbonden bent met internet. Als u niet verbonden bent met internet, wordt het dialoogvenster Component activeren weergegeven.

  1. Als dit dialoogvenster wordt weergegeven, brengt u een verbinding tot stand met internet.
  2. Klik in het dialoogvenster op Kopiëren om het serienummer te kopiëren.
  3. Klik op de URL om naar de activeringwebsite te gaan.
  4. Plak het serienummer in het vak ID op de website.
  5. Selecteer uw land of regio en uw product en klik op Indienen.

    Er wordt een ontgrendelingscode weergegeven op de activeringswebsite.

  6. Kopieer deze code, plak deze in het dialoogvenster Component activeren en klik op OK.

Dit werk is gelicentieerd onder de Creative Commons Naamsvermelding/Niet-commercieel/Gelijk delen 3.0 Unported-licentie  De voorwaarden van Creative Commons zijn niet van toepassing op Twitter™- en Facebook-berichten.

Juridische kennisgevingen   |   Online privacybeleid