Opmerking:

Zoals bij de meeste dingen in Animate CC (voorheen Flash Professional CC), is er geen ActionScript vereist voor animaties. Het is echter wel mogelijk om animatie tot stand te brengen met ActionScript.

Soorten animatie

Animate CC ondersteunt verschillende methoden om animaties en speciale effecten te maken. Elke methode biedt andere mogelijkheden voor het maken van aantrekkelijke, bewegende inhoud.

Animate ondersteunt de volgende soorten animatie:

Bewegings-tweens

Gebruik bewegings-tweens om eigenschappen in te stellen voor een object, zoals positie en alfatransparantie voor het ene frame en ook nog voor een ander frame. Animate interpoleert dan de eigenschapswaarden van de tussenliggende frames. Bewegings-tweens zijn handig voor animaties die bestaan uit een doorlopende beweging of transformatie van een object. Bewegings-tweens worden in de tijdlijn weergegeven als een aaneengesloten reeks frames die standaard als één object kunnen worden geselecteerd. Bewegings-tweens zijn krachtig en eenvoudig te maken.

Klassieke tweens

Klassieke tweens zijn vergelijkbaar met bewegings-tweens, maar moeilijker samen te stellen. Klassieke tweens bieden ondersteuning voor bepaalde bewegende effecten die niet mogelijk zijn met reeksgebaseerde tweens.

Inverse Kinematics-poses (verouderd in Animate CC)

Gebruik Inverse Kinematics-poses om vormobjecten uit te rekken en te verbuigen en groepen symboolinstanties te koppelen, zodat deze op een natuurlijke manier bewegen. Nadat u bones hebt toegevoegd aan een vorm of aan een groep symbolen, kunt u de positie van de bones of de symbolen in verschillende hoofdframes wijzigen. Animate interpoleert de posities in de tussenliggende frames.

Vorm-tweens

Bij vorm-tweening tekent u een vorm in een specifiek frame in de tijdlijn en wijzigt u deze vorm of tekent u een andere vorm in een ander frame. Animate interpoleert vervolgens de tussenliggende vormen in de tussenliggende frames, waardoor een animatie ontstaat waarbij één vorm overvloeit in een andere.

Frame-voor-frame animatie

Met deze animatietechniek kunt u voor elk frame in de tijdlijn een andere illustratie opgeven. Gebruik deze techniek om een effect te maken dat vergelijkbaar is met het snel achter elkaar afspelen van de frames van een film. Deze techniek is handig voor complexe animaties waarbij de grafische elementen van elk frame verschillend moeten zijn.

Informatie over framesnelheden

De framesnelheid, de snelheid waarmee een animatie wordt afgespeeld, wordt gemeten in aantal frames per seconde (fps). Bij een te lage framesnelheid lijkt de animatie te stoppen en starten en bij een te hoge framesnelheid vervagen de details van de animatie. Een framesnelheid van 24 fps is de standaardinstelling voor nieuwe Animate-documenten en deze snelheid geeft dan ook meestal de beste resultaten op het web. De standaardsnelheid voor films is ook 24 fps.

De complexiteit van de animatie en de snelheid van de computer waarop deze wordt afgespeeld, bepalen hoe vloeiend de weergave is. Test uw animaties op verschillende computers om de optimale framesnelheid te bepalen.

Stel de framesnelheid in voordat u begint met animaties maken, aangezien u slechts één snelheid kunt opgeven voor het gehele Animate-document.

Animaties in de tijdlijn identificeren

Animate maakt onderscheid tussen getweende animaties en frame-voor-frame animaties in de tijdlijn door verschillende aanduidingen weer te geven in elk frame dat inhoud bevat.

De volgende aanduidingen voor frame-inhoud worden weergegeven in de tijdlijn:

  • Een reeks frames met een blauwe achtergrond geeft een bewegings-tween aan. Een zwart rondje in het eerste frame van de reeks geeft aan dat er een doelobject is toegewezen aan de tween-reeks. Een zwart ruitje geeft het laatste frame aan en eventuele andere eigenschapshoofdframes. Eigenschapshoofdframes zijn frames die eigenschapswijzigingen bevatten die expliciet door u zijn gedefinieerd. U bepaalt welke soorten eigenschapshoofdframes worden weergegeven door met de rechtermuisknop op de tween-reeks te klikken (Windows) of de Command-toets ingedrukt te houden en op de tween-reeks te klikken (Macintosh). Kies vervolgens Hoofdframes weergeven > type in het contextmenu. Standaard worden alle soorten eigenschapshoofdframes weergegeven door Animate. Alle andere frames in de reeks bevatten geïnterpoleerde waarden voor de getweende eigenschappen van het doelobject.

     

     

  • Een leeg rondje in het eerste frame geeft aan dat het doelobject van de bewegings-tween is verwijderd. De tween-reeks bevat nog steeds de eigenschapshoofdframes en er kan een nieuw doelobject op worden toegepast.

     

     

  • Een reeks frames met een groene achtergrond geeft een IK-poselaag (Inverse Kinematics) aan. Poselagen bevatten IK-armaturen en poses. Elke pose wordt in de tijdlijn voorgesteld door een zwart ruitje. Animate interpoleert de posities van de armatuur in de frames tussen poses.

     

     

  • Een zwarte stip bij het eerste hoofdframe met een zwarte pijl en een blauwe achtergrond geeft aan dat het een klassieke tween is.

     

     

  • Een onderbroken lijn geeft aan dat de klassieke tween onderbroken of niet volledig is, bijvoorbeeld wanneer het laatste hoofdframe ontbreekt.

     

     

  • Een zwarte stip bij het eerste hoofdframe met een zwarte pijl en een lichtgroene achtergrond geeft aan dat het een vorm-tween is.

     

     

  • Een zwart rondje geeft een enkel hoofdframe aan. Lichtgrijze frames na een enkel hoofdframe bevatten dezelfde inhoud zonder wijzigingen. Deze frames hebben een verticale zwarte lijn met een lege rechthoek bij het laatste frame van de reeks.

     

     

  • Een kleine letter a geeft aan dat een framehandeling aan het frame is toegekend met behulp van het deelvenster Handelingen.

     

     

  • Een rode vlag geeft aan dat het frame een label bevat.

     

     

  • Een groene, dubbele slash geeft aan dat het frame een opmerking bevat.

     

     

  • Een gouden anker geeft aan dat het frame een benoemd anker is.

     

Lagen in getweende animaties

Elke scène in een Animate-document kan uit een willekeurig aantal tijdlijnlagen bestaan. Gebruik lagen en laagmappen om de inhoud van een animatiereeks te ordenen en bewegende objecten van elkaar te scheiden. U voorkomt zo dat de objecten elkaar wissen, verbinden of segmenteren als ze elkaar overlappen. Als u een animatie wilt maken die getweende beweging van meer dan één symbool of tekstveld tegelijk bevat, plaatst u elk object op een aparte laag. U kunt één laag als een achtergrondlaag gebruiken voor statische illustraties en een extra laag gebruiken voor elk apart object met animatie.

Wanneer u een bewegings-tween maakt, zet Animate de laag met het getweende object om in een tween-laag. Er wordt een tween-pictogram weergegeven naast de naam van de tween-laag in de tijdlijn.

Als er andere objecten aanwezig zijn op dezelfde laag als het getweende object, voegt Animate zo nodig nieuwe lagen boven of onder de oorspronkelijke laag toe. Eventuele objecten onder het getweende object op de oorspronkelijke laag worden verplaatst naar een nieuwe laag onder de oorspronkelijke laag. Eventuele objecten boven het getweende object op de oorspronkelijke laag worden verplaatst naar een nieuwe laag boven de oorspronkelijke laag. Animate voegt deze nieuwe lagen in tussen eventueel reeds aanwezige lagen in de tijdlijn. Op deze manier behoudt Animate de oorspronkelijke stapelvolgorde van alle grafische objecten in het werkgebied.

Een tween-laag kan alleen tween-reeksen (aaneengesloten groepen frames met een tween), statische frames, lege hoofdframes of lege frames bevatten. Elke tween-reeks kan slechts één doelobject en een optioneel bewegingspad voor het doelobject bevatten. Aangezien u niet kunt tekenen op een tween-laag, moet u aanvullende tweens of statische frames op andere lagen maken en daarna naar de tween-laag slepen. Als u framescripts op een tween-laag wilt plaatsen, moet u deze eveneens op een andere laag maken en vervolgens naar de tween-laag slepen. Een framescript kan alleen worden opgenomen in een frame buiten de reeks met bewegings-tweens. Over het algemeen is het raadzaam alle framescripts op een afzonderlijke laag te plaatsen die alleen ActionScript bevat.

Wanneer een document uit meerdere lagen bestaat, kan het lastig zijn de objecten in een of meer lagen te volgen en te bewerken. Dit is gemakkelijker als u met de inhoud van één laag tegelijk werkt. Wanneer u lagen waaraan u momenteel niet werkt, wilt verbergen of vergrendelen, klikt u op het oog- of vergrendelingspictogram naast de naam van de laag in de tijdlijn. Met behulp van laagmappen kunt u lagen ordenen in overzichtelijke groepen.

Objecten over lagen verspreiden voor een getweende animatie

Animate verplaatst een object automatisch naar de eigen tween-laag wanneer u een bewegings-tween toepast op het object. U kunt objecten echter ook zelf over verschillende lagen verdelen. Dit kunt u bijvoorbeeld doen terwijl u inhoud ordent. Handmatige positionering is ook handig wanneer u animatie wilt toepassen op objecten en toch exact wilt bepalen hoe ze van de ene naar de andere laag worden verplaatst.

Wanneer u de opdracht Distribueren naar lagen (Wijzigen > Tijdlijn > Distribueren naar lagen) gebruikt, plaatst Animate elk geselecteerd object op een nieuwe, aparte laag. Alle objecten die u niet selecteert (inclusief objecten in andere frames) blijven in de oorspronkelijke lagen staan.

U kunt de opdracht Distribueren naar lagen toepassen op elk element in het werkgebied, zoals grafische objecten, instanties, bitmaps, videoclips en gesplitste tekstblokken.

Informatie over nieuwe lagen die zijn gemaakt met Distribueren naar lagen

Nieuwe lagen die worden gemaakt tijdens de bewerking Distribueren naar lagen, krijgen een naam op basis van de naam van het element dat zij bevatten:

  • Een nieuwe laag die een bibliotheekelement bevat (zoals een symbool, bitmap of filmclip), krijgt dezelfde naam als dit element.

  • Een nieuwe laag die een instantie met een naam bevat, krijgt de naam van deze instantie.

  • Een nieuwe laag die een teken van een gesplitste tekstblok bevat, krijgt de naam van dit teken.

  • Een nieuwe laag die een grafisch object bevat (die geen naam heeft) krijgt de naam Layer1 (of Layer2, enzovoort), aangezien grafische objecten geen naam hebben.

    In Animate worden de nieuwe lagen ingevoegd onder geselecteerde lagen. De nieuwe lagen worden van boven naar onder gerangschikt in de volgorde waarin de geselecteerde elementen oorspronkelijk werden gemaakt. De lagen in gesplitste tekst worden gerangschikt in de volgorde van de tekens, ongeacht of deze nu van links naar rechts, van rechts naar links of van boven naar beneden is. Stel dat u de tekst FLASH opsplitst en verdeeld over verschillende lagen. De nieuwe lagen, met de namen F, L, A, S en H, worden dan gerangschikt van hoog naar laag, met F bovenaan. Deze lagen worden direct onder de laag met de oorspronkelijke tekst toegevoegd.

Objecten distribueren naar lagen

  1. Selecteer de objecten die u naar aparte lagen wilt distribueren. De objecten kunnen zich bevinden in één laag of in verschillende lagen, inclusief niet-opeenvolgende lagen.
  2. Ga als volgt te werk:
    • Selecteer Wijzigen > Tijdlijn > Distribueren naar lagen.
    • Klik met de rechtermuisknop (Windows) of houd de Control-toets ingedrukt en klik (Macintosh) op een van de geselecteerde objecten en selecteer Distribueren naar lagen.

Getweende animaties maken door objecten te distribueren naar hoofdframes

Nieuw in Animate CC

In Animate kunt u elk object automatisch naar een afzonderlijk hoofdframe laten distribueren. U kunt ervoor kiezen de objecten te distribueren wanneer u inhoud in het werkgebied organiseert. Dit is een saaie, tijdrovende klus als u het handmatig moet doen. Distributie is bijzonder handig wanneer u getweende animatie maakt door objecten op afzonderlijke hoofdframes te plaatsen. U kunt verschillende objecten of objectstatussen elk toewijzen aan afzonderlijke hoofdframes. Wanneer de afspeelkop tussen deze hoofdframes wordt gescrubd, wordt het effect van een getweende animatie zichtbaar.

Als u de opdracht Distribueren naar hoofdframes gebruikt, wordt elk geselecteerd object in Animate naar een nieuw, afzonderlijk hoofdframe gedistribueerd. Alle objecten die u niet selecteert (inclusief objecten in andere frames) blijven in de oorspronkelijke lagen staan.

U kunt de opdracht Distribueren naar hoofdframes toepassen op elk element in het werkgebied, zoals grafische objecten, instanties, bitmaps, videoclips en tekstblokken.

Nieuwe hoofdframes die zijn gemaakt met Distribueren naar hoofdframes

  • De nieuwe hoofdframes die tijdens de bewerking Distribueren naar hoofdframes worden gemaakt, worden gerangschikt in de volgorde waarin de objecten zijn geselecteerd.
  • Als een object op de laag niet geselecteerd is wanneer Distribueren naar hoofdframes wordt uitgevoerd, blijven de originele frames voor deze objecten ongewijzigd.Er worden hoofdframes toegewezen aan de objecten die zijn geselecteerd voor distributie, te beginnen met het frame vlak naast het laatste frame van de originele inhoud. Stel bijvoorbeeld dat Object1 en Object2 zich op een laag met 50 frames bevinden. Als Object1 wordt gekozen voor distributie, wordt dit op het 51e hoofdframe geplaatst.

Objecten distribueren naar hoofdframes

  1. Selecteer de objecten die u naar aparte lagen wilt distribueren. De objecten kunnen zich bevinden in één laag of in verschillende lagen, inclusief niet-opeenvolgende lagen.

  2. Klik met de rechtermuisknop (Windows) of houd Control ingedrukt en klik (Macintosh) op een van de geselecteerde objecten en selecteer Distribueren naar hoofdframes.

Aanvullende bronnen

Het volgende artikel gaat over het werken met animaties in Animate:

Dit werk is gelicentieerd onder de Creative Commons Naamsvermelding/Niet-commercieel/Gelijk delen 3.0 Unported-licentie  De voorwaarden van Creative Commons zijn niet van toepassing op Twitter™- en Facebook-berichten.

Juridische kennisgevingen   |   Online privacybeleid