Informatie over filters

Overzicht van filters

Met filters (afbeeldingseffecten) kunt u interessante visuele effecten aan tekst, knoppen en filmclips toevoegen. Een unieke eigenschap van Animate is dat u de toegepaste filters kunt laten bewegen met bewegings-tweens.

Met overvloeimodi kunt u in Animate samengestelde afbeeldingen maken. Bij samenstellen wordt de transparantie- of kleurinteractie van twee of meer overlappende objecten gevarieerd. Overvloeimodi bieden extra mogelijkheden om de dekking van objecten en afbeeldingen te beheren. U kunt de overvloeimodi in Animate gebruiken om markeringen of schaduwen te maken waardoor details van een onderliggende afbeelding worden weergegeven of om een onverzadigde afbeelding kleur te geven.

Informatie over geanimeerde filters

U kunt filters in de tijdlijn laten bewegen. Voor objecten op afzonderlijke hoofdframes die zijn verbonden met een tween, worden de parameters voor overeenkomende filters op tussenliggende frames getweend. Wanneer een filter geen overeenkomend filter (een filter van hetzelfde type) heeft aan het andere uiteinde van de tween, wordt automatisch een overeenkomend filter toegevoegd om te zorgen dat het effect aan het einde van de animatiereeks wordt uitgevoerd.

In Animate wordt als volgt voorkomen dat bewegings-tweens onjuist functioneren wanneer een filter aan het ene uiteinde van de tween ontbreekt of wanneer filters aan elk uiteinde worden toegepast in een verschillende volgorde:

  • Wanneer u een bewegings-tween toepast op een filmclip waarop filters zijn toegepast en u vervolgens een hoofdframe aan het andere uiteinde van de tween invoegt, heeft de filmclip automatisch dezelfde filters in dezelfde stapelvolgorde op het laatste frame van de tween als aan het begin van de tween.

  • Wanneer u filmclips met verschillende filters op twee verschillende frames plaatst en u vervolgens een bewegings-tween tussen de frames toepast, verwerkt Animate eerst de filmclip met de meeste filters. Vervolgens vergelijkt Animate de filters die op de eerste filmclip zijn toegepast met de filters die op de tweede filmclip zijn toegepast. Wanneer geen overeenkomende filters in de tweede filmclip worden gevonden, genereert Animate een dummyfilter zonder parameters en met de kleur van de bestaande filters.

  • Wanneer er een bewegings-tween is tussen twee hoofdframes en u een filter toevoegt aan het object in het ene hoofdframe, voegt Animate automatisch een dummyfilter toe aan de filmclip wanneer het hoofdframe aan het andere uiteinde van de tween wordt bereikt.

  • Wanneer er een bewegings-tween is tussen twee hoofdframes en u verwijdert een filter uit een object in het ene hoofdframe, voegt Animate automatisch een dummyfilter toe aan de filmclip wanneer het hoofdframe aan het andere uiteinde van de tween wordt bereikt.

  • Wanneer u filterparameters niet consistent instelt tussen het begin en het einde van een bewegings-tween, past Animate de filterinstellingen van het beginframe toe op de geïnterpoleerde frames. Er kunnen inconsistente instellingen voorkomen wanneer de volgende parameters verschillend zijn ingesteld tussen het begin en het einde van de tween: uitnemen, binnenschaduw, binnengloed en het type verlopende gloed en verlopende schuine kant.

    Wanneer u bijvoorbeeld een bewegings-tween maakt met het slagschaduwfilter en een slagschaduw met een uitneemeffect toepast op het eerste frame van de tween en een binnenschaduw op het laatste frame van de tween, corrigeert Animate het inconsistente gebruik van het filter in de bewegings-tween. In dat geval past Animate de filterinstellingen toe op het eerste frame van de tween, een slagschaduw met een uitneemeffect.

Informatie over filters en Flash Player-prestaties

Het type, aantal en de kwaliteit van de filters die u toepast op objecten kan invloed hebben op de prestaties van de SWF-bestanden wanneer u deze afspeelt. Hoe meer filters u op een object toepast, hoe meer berekeningen Adobe® Flash® Player moet verwerken om de door u gemaakte visuele effecten correct weer te geven. Adobe® raadt hierom aan dat u een beperkt aantal filters op een object toepast.

Elk filter bevat besturingselementen waarmee u de sterkte en de kwaliteit van het toegepaste filter kunt aanpassen. Wanneer u lagere instellingen gebruikt, worden de prestaties op langzamere computers verbeterd. Wanneer u inhoud maakt die op verschillende computers wordt afgespeeld, of als u niet zeker weet over hoeveel verwerkingskracht uw publiek beschikt, stelt u een laag kwaliteitsniveau in voor maximale weergaveprestaties.

Informatie over Pixel Bender-filters

Adobe Pixel Bender™ is een door Adobe ontwikkelde programmeertaal waarmee gebruikers aangepaste filters, effecten en vervloeiingsmodussen kunnen maken voor gebruik in Animate en After Effects. Pixel Bender is hardware-onafhankelijk en ontworpen om automatisch en efficiënt op verschillende GPU- en CPU-architecturen te draaien.

Pixel Bender-ontwikkelaars maken filters door Pixel Bender-code te schrijven en de code op te slaan in een tekstbestand met de bestandsextensie pbj. Een eenmaal geschreven Pixel Bender-filter kan door elk Animate-document worden gebruikt. Gebruik ActionScript® 3.0 om het filter te laden en de aansturing te gebruiken.

Zie de ActionScript® 3.0-ontwikkelaarsgids voor meer informatie over het werken met Pixel Bender in ActionScript.

Lee Brimelow heeft verschillende nuttige voorbeelden over het werken met Pixel Bender op zijn blog op http://theflashblog.com/?cat=44 geplaatst.

De volgende videozelfstudies tonen het gebruik van Pixel Bender-filters in Animate:

Werken met filters

Verbeterd in Animate CC

Wanneer u een nieuw filter aan een object toevoegt, wordt dit filter toegevoegd aan de lijst met toegevoegde filters voor dat object in Eigenschapcontrole. U kunt meerdere filters toepassen op een object en u kunt filters verwijderen die eerder zijn toegepast. U kunt filters alleen toepassen op de volgende objecten: tekst, knoppen, filmclips, componenten en gecompileerde clips.

U kunt een bibliotheek met filterinstellingen maken waarmee u eenvoudig hetzelfde filter of set filters op een object kunt toepassen. Animate slaat de filtervoorinstellingen die u in Eigenschapcontrole maakt op in het gedeelte Filters van Eigenschapcontrole in het menu Filters > Voorinstellingen.

In Flash Professional CS6 en eerder kon u alleen filters toepassen op filmclip- en knopsymbolen. Het is in Animate CC nu mogelijk aanvullende filters toe te passen op gecompileerde clips en filmclipcomponenten. Zo kunt u rechtstreeks en met een paar luttele klikken op een knop meerdere effecten toepassen op componenten en uw toepassingen er veel beter uit laten zien. Als u in Flash CS6 filters of andere effecten wilt toevoegen aan componenten, moet u deze in een filmclipsymbool insluiten. Dat betekent:

  1. Maak een component in het werkgebied of voeg een component toe.
  2. Klik met de rechtermuisknop op de component en selecteer Omzetten in symbool.
In CS6 (en eerdere versies) was het mogelijk filters of verschillende andere effecten toe te voegen nadat u een component in een symbool had gewikkeld. Dit was echter eerder een tijdelijke oplossing dan een aanbevolen werkwijze.
 
In Animate CC kunt u rechtstreeks meerdere filters aan componenten toevoegen met gebruik van de opties Filters, Kleureffecten en Weergave-instellingen in het deelvenster Eigenschappen. Deze belangrijke verbetering wordt aan de hand van het volgende voorbeeld uitgelegd:
 
Het filter Schuine kant toevoegen aan een knopcomponent
 
  1. Maak een knop in het werkgebied of voeg een knop toe uit het deelvenster Componenten en selecteer deze knop.
  2. Klik in het deelvenster Eigenschappen op de knop in de vervolgkeuzelijst in de sectie Filters en selecteer het filter Schuine kant. De eigenschappen en waarden voor het filter Schuine kant worden weergegeven.
  3. Wijzig de waarden voor de gewenste eigenschappen of stel deze in. U kunt bijvoorbeeld de eigenschappen X vervagen, Y vervagen, Sterkte en Schaduw wijzigen of instellen. De effecten worden meteen weerspiegeld in de geselecteerde knop.
Het menu Filter toevoegen in de Eigenschapcontrole

Filter toepassen of verwijderen

  1. Selecteer een tekst-, knop- of filmclipobject om een filter op toe te passen of een filter uit te laten verwijderen.
  2. Voer een van de volgende handelingen uit in de sectie Filters van het deelvenster Eigenschappen:

    • Als u een filter wilt toevoegen, klikt u op de knop en selecteert u een filter. U kunt met de instellingen experimenteren totdat het object er naar wens uitziet.

    • Als u een filter wilt verwijderen, selecteert u het filter dat u uit de lijst van toegepaste filters wilt verwijderen en klikt u op de knop Filter verwijderen . U kunt voorinstellingen verwijderen of de naam ervan wijzigen.

Filter kopiëren en plakken

  1. Selecteer het object waarvan u een filter wilt kopiëren en selecteer het deelvenster Filters.
  2. Selecteer het filter dat u wilt kopiëren en klik op de knop . Klik in de vervolgkeuzelijst op Geselecteerd filter kopiëren. Klik op Alle filters kopiëren om alle filters te kopiëren.

  3. Selecteer het object waarop u het filter wilt toepassen en klik op de knop. Klik op Filters plakken in de vervolgkeuzelijst.

Filtervoorinstelling toepassen op een object

  1. Selecteer het object waarop u een filtervoorinstelling wilt toepassen en selecteer het tabblad Filter.
  2. Klik op de knop om de vervolgkeuzelijst te openen.

  3. Selecteer de filtervoorinstelling die u wilt toepassen in de lijst met beschikbare voorinstellingen onder aan de vervolgkeuzelijst.

Opmerking:

Wanneer u een filtervoorinstelling op een object toepast, vervangt Animate alle filters die op dat moment op de geselecteerde objecten zijn toegepast door de filters die in de voorinstelling worden gebruikt.

Filter dat is toegepast op een object, inschakelen of uitschakelen

  1. Standaard blijven alle filters ingeschakeld. Klik op het pictogram naast de filternaam om het filter in de filterlijst uit te schakelen. Klik op de X naast de filternaam om een filter in te schakelen.

    Opmerking:

    houd de Alt-toets (Windows) of de Option-toets (Macintosh) ingedrukt en klik op het pictogram voor inschakelen in de filterlijst om de inschakelstatus van de andere filters in de lijst te wijzigen. Wanneer u de Alt-toets ingedrukt houdt en op het pictogram klikt, wordt het geselecteerde filter ingeschakeld en worden alle andere filters in de lijst uitgeschakeld.

Alle filters die zijn toegepast op een object, inschakelen of uitschakelen

  1. Klik op de knop en selecteer Alles inschakelen of Alles uitschakelen in de vervolgkeuzelijst.

    Opmerking:

    Houd de Control-toets ingedrukt en klik op het pictogram voor in-/uitschakelen in de filterlijst om alle filters in de lijst in of uit te schakelen.

Bibliotheken met filtervoorinstellingen maken

U kunt filtervoorinstellingen opslaan als voorinstellingbibliotheken die u eenvoudig kunt toepassen op filmclips en tekstobjecten. U kunt uw filtervoorinstellingen ook eenvoudig met andere gebruikers delen door ze het filterconfiguratiebestand te geven. Het filterconfiguratiebestand is een XML-bestand dat is opgeslagen in de configuratiemap van Animate op de volgende locatie:

 

  • Windows 7 en 8: C:\Users\gebruikersnaam\AppData\Local\Adobe\Flash CC\taal\Configuration
  • (Alleen in Flash Professional CS6 of eerdere versies) Windows XP: C:\Documents and Settings\gebruikersnaam\Local Settings\Application Data\Adobe\Flash CS6\taal\Configuration\Filters\filtername.xml
  • (Alleen in Flash Professional CS6 of eerdere versies) Windows Vista: C:\Users\gebruikersnaam\Local Settings\Application Data\Adobe\Flash CS6\taal\Configuration\Filters\filtername.xml
  • Macintosh: Macintosh HD/Users/gebruikersnaam/Library/Application Support/Adobe/Flash CC/taal/Configuration/Filters/filternaam.xml

Bibliotheek van filters met voorinstellingen maken

  1. Pas het filter of de filters toe op een geselecteerd object.

  2. Klik op de knop om een nieuw filter toe te voegen.

  3. Selecteer het filter, klik op de knop  en kies Opslaan als voorinstelling.

  4. Voer een naam in voor de filterinstellingen in het dialoogvenster Voorinstelling opslaan als en klik op OK.

Naam wijzigen van filtervoorinstelling

  1. Klik op de knop en voeg een nieuw filter toe.

  2. Selecteer het filter en klik op de knop . Klik op Voorinstellingen bewerken.

  3. Dubbelklik op de naam van de voorinstelling die u wilt wijzigen.

  4. Voer een nieuwe naam voor de voorinstelling in en klik op OK.

Filtervoorinstelling verwijderen

  1. Klik op de knop en voeg een nieuw filter toe.

  2. Selecteer het filter en klik op de knop .

  3. Klik op Voorinstellingen bewerken.

  4. Selecteer in het dialoogvenster Voorinstellingen bewerken de voorinstelling die u wilt verwijderen en klik op Verwijderen.

Filters toepassen

Slagschaduw toevoegen

Het filter Slagschaduw simuleert de weergave van een object dat een schaduw op een oppervlak werpt.

Tekst waarop het filter Slagschaduw is toegepast

Zie de pagina met Flash-voorbeelden op www.adobe.com/go/learn_fl_samples_nl voor een voorbeeld van een slagschaduw met een klassieke tween. Download het bestand Samples.zip, pak het uit en ga naar de map Graphics\AnimatedDropShadow.

  1. Selecteer het object waarop u een slagschaduw wilt toepassen.
  2. Klik in de sectie Filters van de Eigenschapcontrole op de knop en selecteer Slagschaduw.

  3. Bewerk de filterinstellingen:
    • Stel de waarden voor X vervagen en Y vervagen in om de breedte en hoogte van de slagschaduw in te stellen.
    • Stel de waarde Sterkte in om de donkerheid van de schaduw in te stellen. Hoe hoger de numerieke waarde, hoe donkerder de schaduw.
    • Selecteer het kwaliteitsniveau voor de slagschaduw. Hoog komt ongeveer overeen met Gaussiaans vervagen. Laag optimaliseert de afspeelprestaties.
    • Voer een waarde in om de hoek van de schaduw in te stellen.
    • Stel de waarde Afstand in om de afstand van de schaduw vanaf het object in te stellen.
    • Selecteer Uitnemen om het bronobject uit te nemen (te verbergen) en alleen de slagschaduw op de uitgenomen afbeelding weer te geven.
    • Selecteer Binnenschaduw om de schaduw binnen de grenzen van het object toe te passen.
    • Selecteer Object verbergen om het object te verbergen en alleen de schaduw ervan weer te geven. Met de optie Object verbergen kunt u eenvoudiger een realistische schaduw maken.
    • Klik op het kleurbesturingselement om de Kleurkiezer te openen en de schaduwkleur in te stellen.

Scheefgetrokken slagschaduw maken

Het filter Slagschaduw scheeftrekken om een realistische schaduw te maken

  1. Selecteer het object met de schaduw die u wilt scheeftrekken.
  2. Dupliceer (selecteer Bewerken > Dupliceren) het bronobject.
  3. Selecteer het gedupliceerde object en trek het scheef met het gereedschap Vrije transformatie (Wijzigen > Transformeren > Roteren en scheeftrekken).
  4. Pas het filter Slagschaduw toe op de gedupliceerde filmclip of tekstobject. (Het is al toegepast als het object dat u hebt gedupliceerd al een slagschaduw heeft.)
  5. In het deelvenster Filters kunt u Object verbergen selecteren om het gedupliceerde object te verbergen terwijl zijn schaduw zichtbaar blijft.
  6. Selecteer Wijzigen > Rangschikken > Naar achteren om het gedupliceerde object en zijn schaduw achter het originele object dat u hebt gedupliceerd te plaatsen.
  7. Pas de instellingen voor het filter Slagschaduw en de hoek van de scheefgetrokken slagschaduw aan totdat de schaduw er naar wens uitziet.

Vervaging toepassen

Het vervagende filter verzacht de randen en accenten van objecten. Wanneer u een vervaging op een object toepast, lijkt het mogelijk alsof het object zich achter andere objecten bevindt of dat het object zich beweegt.

Tekst waarop het vervagende filter is toegepast

  1. Selecteer een object waarop u een vervaging wilt toepassen en selecteer Filters.
  2. Klik op de knop en selecteer Vervagen.

  3. Bewerk de filterinstellingen op het tabblad Filters:
    • Stel de waarden X vervagen en Y vervagen in om de breedte en hoogte van de vervaging in te stellen.
    • Selecteer het kwaliteitsniveau voor de vervaging. Hoog komt ongeveer overeen met Gaussiaans vervagen. Laag optimaliseert de afspeelprestaties.

Gloed toepassen

Met het gloedfilter kunt u een kleur rond de randen van een object toepassen.

Tekst waarop het gloedfilter is toegepast

  1. Selecteer een object waarop u een gloed wilt toepassen en selecteer Filters.
  2. Klik op de knop en selecteer Gloed.

  3. Bewerk de filterinstellingen op het tabblad Filters:
    • Stel de waarden X vervagen en Y vervagen in om de breedte en hoogte van de gloed in te stellen.
    • Klik op het kleurbesturingselement om de Kleurkiezer te openen en de gloedkleur in te stellen.
    • Stel de waarde Sterkte in om de scherpte van de gloed in te stellen.
    • Selecteer Uitnemen om het bronobject uit te nemen (te verbergen) en alleen de gloed op de uitgenomen afbeelding weer te geven.
    Het gloedfilter toepassen met de optie Uitnemen

    • Selecteer Binnengloed om de gloed binnen de grenzen van het object toe te passen.
    • Selecteer het kwaliteitsniveau voor de gloed. Hoog komt ongeveer overeen met Gaussiaans vervagen. Laag optimaliseert de afspeelprestaties.

Schuine kant toepassen

Wanneer u een schuine kant toepast, wordt een markeringseffect op het object toegepast waardoor het lijkt alsof het object zich schuin boven het achtergrondoppervlak bevindt.

Tekst waarop een schuine kant is toegepast

  1. Selecteer een object waarop u een schuine kant wilt toepassen en selecteer Filters.
  2. Klik op de knop en selecteer Schuine kant.

  3. Bewerk de filterinstellingen op het tabblad Filters:
    • Selecteer een schuine kant in het menu Type om het type schuine kant in te stellen.
    • Stel de waarden X vervagen en Y vervagen in om de breedte en hoogte van de schuine kant in te stellen.
    • Selecteer een schaduwkleur en markeerkleur voor de schuine kant in het pop-upkleurenpalet.
    • Stel de waarde Sterkte in om de dekking van de schuine kant in te stellen zonder de breedte te wijzigen.
    • Stel de waarde Hoek in om de hoek te wijzigen van de schaduw die door de schuine kant wordt geworpen.
    • Voer bij Afstand een waarde in om de breedte van de schuine kant op te geven.
    • Selecteer Uitnemen om het bronobject uit te nemen (te verbergen) en alleen de schuine kant op de uitgenomen afbeelding weer te geven.

Verlopende gloed toepassen

Wanneer u een verlopende-gloedfilter toepast, wordt een gloed weergegeven met een kleurverloop over het hele oppervlak van de gloed. Voor de verlopende gloed moet zich een kleur aan het begin van het verloop bevinden met een alpha-waarde van 0. U kunt de positie van deze kleur niet wijzigen, maar u kunt wel de kleur wijzigen.

Tekst waarop een gloedverloop is toegepast

  1. Selecteer het object waarop u een gloedverloop wilt toepassen.
  2. Klik in de sectie Filters van de Eigenschapcontrole op de knop en selecteer Verlopende gloed.

  3. Bewerk de filterinstellingen op het tabblad Filters:
    • Selecteer het type gloed dat u wilt toepassen op het object in het pop-upmenu Type.
    • Stel de waarden X vervagen en Y vervagen in om de breedte en hoogte van de gloed in te stellen.
    • Stel de waarde Sterkte in om de dekking van de gloei in te stellen zonder de breedte te wijzigen.
    • Stel de waarde Hoek in om de hoek te wijzigen van de schaduw die door de gloed wordt geworpen.
    • Stel de waarde Afstand in om de afstand van de schaduw vanaf het object in te stellen.
    • Selecteer Uitnemen om het bronobject uit te nemen (te verbergen) en alleen de verlopende gloed op de uitgenomen afbeelding weer te geven.
    • Geef een verloopkleur op voor de gloed. Een verloop bevat twee of meer kleur die vervagen of in elkaar overvloeien. De kleur die u voor het begin van het verloop selecteert, wordt de alpha-kleur genoemd.
    • Wanneer u een kleur in het verloop wilt wijzigen, selecteert u een van de kleuraanwijzers onder de balk waarin het verloop wordt gedefinieerd en klik op het kleurbereik dat direct onder de verloopbalk wordt weergegeven om de Kleurkiezer te openen. Schuif de aanwijzers om het niveau en de positie van de bijbehorende kleur in het verloop aan te passen.
    • Klik op of onder de verloopdefinitiebalk om een aanwijzer aan het verloop toe te voegen. Voeg maximaal 15 kleurwijzers toe om een verloop met maximaal 15 kleurovergangen te maken. Sleep de aanwijzer langs de definitiebalk van het verloop om een aanwijzer in het verloop te verplaatsen. Sleep een aanwijzer omlaag en van de definitiebalk van het verloop af om de aanwijzer te verwijderen.
    • Selecteer het kwaliteitsniveau voor de verlopende gloed. Hoog komt ongeveer overeen met Gaussiaans vervagen. Laag optimaliseert de afspeelprestaties.

Verlopende schuine kant toepassen

Wanneer u een verlopende schuine kant toepast, lijkt het alsof het object zich boven de achtergrond verheft, waarbij een verloopkleur over het oppervlak van de schuine kant is toegepast. Voor de verlopende schuine kant moet zich een kleur in het midden van het verloop bevinden met een alpha-waarde van 0.

  1. Selecteer het object waarop u een verlopende schuine kant wilt toepassen.

  2. Klik in de sectie Filters van de Eigenschapcontrole op de knop en selecteer Verlopende schuine kant.

  3. Bewerk de filterinstellingen op het tabblad Filters:

    • Selecteer het type schuine kant dat u wilt toepassen op het object in het pop-upmenu Type.

    • Stel de waarden X vervagen en Y vervagen in om de breedte en hoogte van de schuine kant in te stellen.

    • Voer bij Sterkte een waarde in om de vloeiendheid van de schuine kant aan te passen zonder de breedte te wijzigen.

    • Voer een waarde in bij Hoek om de hoek van de lichtbron in te stellen.

    • Selecteer Uitnemen om het bronobject uit te nemen (te verbergen) en alleen de verlopende schuine kant op de uitgenomen afbeelding weer te geven.

    • Geef een verloopkleur op voor de schuine kant. Een verloop bevat twee of meer kleur die vervagen of in elkaar overvloeien. De middelste aanwijzer bepaalt de alpha-kleur van het verloop. U kunt de kleur van de alpha-aanwijzer wijzigen, maar u kunt deze kleur niet op een andere positie in het verloop plaatsen.

      Wanneer u een kleur in het verloop wilt wijzigen, selecteert u een van de kleuraanwijzers onder de balk waarin het verloop wordt gedefinieerd en klik op het kleurbereik dat direct onder de verloopbalk wordt weergegeven om de Kleurkiezer te openen. Schuif de aanwijzers om het niveau en de positie van de bijbehorende kleur in het verloop aan te passen.

      Klik op of onder de verloopdefinitiebalk om een aanwijzer aan het verloop toe te voegen. Voeg maximaal 15 kleurwijzers toe om een verloop met maximaal 15 kleurovergangen te maken. Sleep de aanwijzer langs de definitiebalk van het verloop om een aanwijzer in het verloop te verplaatsen. Sleep een aanwijzer omlaag en van de definitiebalk van het verloop af om de aanwijzer te verwijderen.

Filter Kleur aanpassen toepassen

Met het filter Kleur aanpassen kunt u de kleurattributen van het geselecteerde object nauwkeurig aanpassen, zoals contrast, helderheid, verzadiging en tint.

  1. Selecteer een object waarvan u de kleur wilt aanpassen.
  2. Klik in de sectie Filters van de Eigenschapcontrole op de knop en selecteer Kleur aanpassen.

  3. Geef waarden op voor de kleurkenmerken. De kenmerken en de bijbehorende waarden zijn als volgt:

    Contrast

    - past de markeer- en schaduwkleuren en de middentinten van een afbeelding aan.

    Helderheid

    - past de helderheid van een afbeelding aan.

    Verzadiging

    - past de intensiteit van een afbeelding aan.

    Kleurtoon

    - past de tint van een afbeelding aan.

  4. Klik op Filter opnieuw instellen om alle kleuraanpassingen opnieuw in te stellen op 0 en het object naar de oorspronkelijke weergave terug te zetten.

Dit werk is gelicentieerd onder de Creative Commons Naamsvermelding/Niet-commercieel/Gelijk delen 3.0 Unported-licentie  De voorwaarden van Creative Commons zijn niet van toepassing op Twitter™- en Facebook-berichten.

Juridische kennisgevingen   |   Online privacybeleid