Linialen en maateenheden wijzigen

U kunt de maateenheden wijzigen voor de linialen op het scherm en voor gebruik in de deelvensters en dialoogvensters. Deze instellingen kunt u altijd wijzigen en de huidige maateenheden tijdelijk uitschakelen wanneer u een waarde gaat invoeren. Standaard begint de liniaalmeting linksboven op een pagina of spread. U kunt dit veranderen door het nulpunt te verplaatsen. (Zie Het nulpunt wijzigen.)

Bij het wijzigen van maateenheden worden de hulplijnen, rasters en objecten niet verplaatst. Wanneer de verdeelstreepjes op de liniaal worden verplaatst, zijn deze mogelijk niet meer uitgelijnd met de objecten die op de vorige verdeelstreepjes waren uitgelijnd.

Linialen in een documentweergave
Linialen in een documentweergave

A. Verdeelstreepjes met opschrift B. Hoofdverdeelstreepjes C. Tussenverdeelstreepjes 

U kunt verschillende maatstelsels instellen voor horizontale en verticale linialen. Het maatstelsel dat u voor de horizontale liniaal kiest, bepaalt ook de instellingen van de tabs, marges, inspringingen en andere afstanden. Elke spread heeft een eigen verticale liniaal. Bij alle verticale linialen worden echter de instellingen gebruikt die u onder Eenheden en toenamen hebt opgegeven.

De standaardmaateenheden voor de linialen zijn pica's (één pica is 12 punten). Maar u kunt de aangepaste maateenheden van de liniaal zelf instellen en bepalen waar de hoofdverdeelstreepjes op een liniaal moeten staan. Als u bijvoorbeeld de aangepaste liniaaleenheden voor de verticale liniaal wijzigt in 12 punten, staat er na elke 12 punten een hoofdverdeelstreepje (mits dit bij de ingestelde vergroting kan worden weergegeven). De labels voor de verdeelstreepjes gelden ook voor de aangepaste hoofdverdeelstreepjes. Als in hetzelfde voorbeeld 3 op de liniaal staat, is het derde hoofdverdeelstreepje gemarkeerd, dus 36 punten.

De standaardmaateenheid voor de linialen is millimeters. U kunt de maateenheden van de liniaal wel wijzigen en bepalen waar de hoofdverdeelstreepjes op een liniaal moeten staan. Als u bijvoorbeeld de aanpasbare liniaaleenheden voor de verticale liniaal wijzigt in 12 punten, staat er na elke 12 punten een hoofdverdeelstreepje (mits dit bij de ingestelde vergroting kan worden weergegeven). De labels voor de verdeelstreepjes gelden ook voor de aangepaste hoofdverdeelstreepjes. Als in hetzelfde voorbeeld 3 op de liniaal staat, is het derde hoofdverdeelstreepje gemarkeerd, dus 36 punten.

Linialen in een documentweergave
Verticale liniaal in inch (links) en de aangepaste verdeelstreepjes om de 12 punten (rechts)

Opmerking:

Het instellen van een verdeling op de verticale liniaal is handig bij het uitlijnen van de hoofdverdeelstreepjes van de liniaal op een basislijnraster.

Linialen tonen of verbergen

  1. Kies in de weergavemodus Normaal (Weergave > Schermmodus > Normaal) Weergave > Linialen tonen of Linialen verbergen.

Maateenheden en linialen wijzigen

  1. Kies Bewerken > Voorkeuren > Eenheden en toenamen (Windows) of InDesign > Voorkeuren > Eenheden en toenamen (Mac OS).

  2. Als u de oorsprong van het nulpunt wilt wijzigen, kiest u een van de volgende opties in het menu Oorsprong onder Liniaaleenheden:

    • Om de oorsprong van de liniaal op de linkerbovenhoek van elke spread in te stellen kiest u Spread. De horizontale liniaal loopt over de hele spread door.

    • Om de oorsprong van de liniaal op de linkerbovenhoek van elke pagina in te stellen kiest u Pagina. De horizontale liniaal begint bij elke pagina in een spread op nul.

    • Om de oorsprong van de liniaal op het midden van de rug in te stellen, kiest u Rug. De horizontale liniaal meet in negatieve waarden links van de rug en in positieve waarden rechts van de rug.

  3. U kunt het maatstelsel dat wordt gebruikt voor linialen, dialoogvensters en deelvensters, wijzigen door het gewenste stelsel voor Horizontaal en Verticaal te kiezen, maar u kunt ook Aangepast kiezen en de verdeling in punten voor de hoofdverdeelstreepjes op de liniaal opgeven.

    Als u een maatstelsel opgeeft dat geen punten gebruikt, wordt de basislijnrasterwaarde bij "Toename elke" nog steeds in punten weergegeven. Hierdoor wordt het eenvoudiger om tekstgrootte en waarde van de regelafstand op elkaar af te stemmen, die worden weergegeven in punten.

  4. Geef de volgende items in andere meeteenheden weer.

    • Selecteer bij het menu Typografisch Ha, Punten, Amerikaanse punten, U, Bai, of Mils. Dit zijn eenheden die in composities gebruikt worden voor het meten van elementen anders dan tekengrootte.  

    Opmerking:

    Voor PostScript-punten kunt u 72 punten per inch, 72,27 traditionele drukkerspunten per inch of een andere maat gebruiken, afhankelijk van de optie die u selecteert.

    • Selecteer bij het menu Formaat tekst, Q, Punten, Pixels, of Amerikaanse punten. Dit zijn eenheden die voor tekengrootte worden gebruikt. Pixels zijn vooral handig wanneer u documenten ontwerpt voor het web.

    • Selecteer bij Regel de eenheid die u wilt gebruiken om het pad, de kaderranden, alinearegels en een aantal andere lijndiktes op te geven. Pixels zijn vooral handig wanneer u documenten ontwerpt voor het web.

  5. Als u de waarde voor de tekengrootte wilt wijzigen, kiest u Punten of Pixels in het menu Formaat tekst. Deze optie is vooral handig wanneer u documenten ontwerpt voor het web.

  6. Als u de waarde voor lijndikte-instellingen wilt wijzigen, kiest u Punten, Millimeters of Pixels in het menu Lijn. Deze optie is vooral handig wanneer u documenten ontwerpt voor het web.

  7. Als u de punten met een andere waarde wilt berekenen, geeft u de gewenste puntgrootte op bij Punten/inch.

  8. Stel een of meer van de volgende toetsenbordspecificaties in:

    Cursortoets

    Hiermee regelt u de mate van verplaatsen met de pijltjestoetsen bij het stapsgewijs verplaatsen van objecten.

    Grootte/regelafstand

    Hiermee bestuurt u de toe- of afname voor grootte of regelafstand met behulp van de sneltoetsen.

    Verschuiving basislijn

    Hiermee bestuurt u de toename voor verticale verplaatsing met behulp van de sneltoetsen.

    Spatiëring/reeksspatiëring

    Hiermee bestuurt u de toename voor spatiëring en reeksspatiëring met behulp van de sneltoetsen.

  9. Klik op OK.

Opmerking:

U kunt de eenheden van de liniaal ook wijzigen door met de rechtermuisknop op een liniaal te klikken (Windows) of Control ingedrukt te houden en te klikken (Mac OS) en in het contextmenu de gewenste eenheden te selecteren. Als u met de rechtermuisknop of met Control ingedrukt klikt op het snijpunt van de horizontale en verticale liniaal, kunt u de eenheden voor beide linialen tegelijk wijzigen.

Standaardmaateenheden overschrijven

U kunt een andere maateenheid dan de standaardmaateenheid opgeven.

  1. Markeer de ingevoerde waarde in een deelvenster of in een dialoogvenster en typ de nieuwe waarde in een van de notaties uit de volgende tabel:

    Om dit op te geven:

    Typt u deze tekens na de waarde:

    Voorbeelden

    Resultaat

    Q

    q

    6q

    6 Q

    Ha

    h

    6h

    6 Ha

    Inches

    i

    in

    inch

    "

    5,25i

    5.25 in

    5,25inch

    5,25”

    5 1/4 inch

    Millimeters

    mm

    48 mm

    48 millimeter

    Centimeters

    cm

    12 cm

    12 centimeter

    Pica's

    p

    3p

    3 pica

    Punten

    pt

    p (vóór het getal)

    6 pt

    p6

    6 punten

    Amerikaanse punten

    ap

    6ap

    6 Amerikaanse punten

    Pica's en punten

    p (tussen de getallen)

    3p6

    3 pica, 6 punten

    Pixels

    px

    5 px

    5 pixels

    Cicero's

    c

    5c

    5 cicero

    Agates

    ag

    5 ag

    5 agate

Japanse maateenheden

Q en Ha zijn eenheden die in Japanse handleidingen of automatische fotocomposers worden gebruikt om de tekengrootte, tekstspatiëring of regelafstandlengte weer te geven. Elke eenheid heeft een waarde van 0,25 mm. Q wordt alleen gebruikt om de tekengrootte uit te drukken, Ha kan worden gebruikt om de richting en lengte van de regelafstand, de ruimte tussen objecten en vergelijkbare elementen uit te drukken.

U kunt ook punten (ook wel Amerikaanse punten genoemd) gebruiken om de tekengrootte op computers aan te geven of Adobe Postscript®-punten gebruiken om de regelafstand of ruimte aan te geven. Een Amerikaanse punt is gelijk aan 0,35146 millimeter en één inch bestaat uit 72,27 Amerikaanse punten en 72 PostScript-punten.

Het nulpunt wijzigen

Het nulpunt is de positie waar de horizontale en verticale liniaal elkaar snijden. Het nulpunt staat standaard linksboven op de eerste pagina van elke spread. Dit betekent dat de standaardpositie van het nulpunt altijd gelijk is ten opzichte van een spread, maar niet ten opzichte van het plakbord.

De X- en Y-coördinaten in het regelpaneel en de deelvensters Info en Transformeren worden ten opzichte van het nulpunt weergegeven. U kunt het nulpunt verplaatsen om afstanden te meten, om een nieuw referentiepunt voor afstanden in te stellen of om te grote pagina's naast elkaar te plaatsen. Elke spread heeft standaard één nulpunt linksboven op de eerste pagina, maar u kunt het nulpunt ook op de bindrug plaatsen of voor elke pagina in een spread een eigen nulpunt opgeven.

Het nulpunt aanpassen

Wanneer u het nulpunt verplaatst, wordt het op alle spreads op dezelfde relatieve positie neergezet. Als u het nulpunt bijvoorbeeld naar de linkerbovenhoek op de tweede pagina van een paginaspread verplaatst, komt het nulpunt op de tweede pagina van alle andere spreads in dat document op die plaats te staan.

  1. Ga op een van de volgende manieren te werk:
    • Om het nulpunt te verplaatsen sleept u van het snijpunt van de horizontale en verticale liniaal naar de positie op de layout waar u het nieuwe nulpunt wilt instellen.
    Een nieuw nulpunt bepalen
    Een nieuw nulpunt bepalen

    • Om de standaardpositie van het nulpunt opnieuw in te stellen dubbelklikt u op het snijpunt van de horizontale en verticale liniaal .

    • Om het nulpunt vast te zetten of los te maken, klikt u met de rechtermuisknop (Windows) of houdt u Control ingedrukt en klikt u (Mac OS) op het nulpunt van de linialen en kiest u in het contextmenu de optie Nulpunt vastzetten.

Het standaardnulpunt wijzigen

Met de instelling Oorsprong in het dialoogvenster Voorkeuren kunt u het standaardnulpunt voor linialen en het bereik van de horizontale liniaal instellen. Met bereik bepaalt u of de metingen met de liniaal over de pagina, over de volledige spread of, bij spreads van meerdere pagina's, vanuit het midden van de rug worden uitgevoerd.

Als u de oorsprong van de liniaal instelt op de bindzijde van elke spread, wordt de oorsprong vergrendeld op de rugzijde. U kunt de oorsprong van een liniaal niet opnieuw plaatsen door dit punt te slepen vanaf het snijpunt van de linialen, tenzij u een andere optie voor de oorsprong kiest.

  1. Kies Bewerken > Voorkeuren > Eenheden en toenamen (Windows) of InDesign > Voorkeuren > Eenheden en toenamen (Mac OS).
  2. Kies een van de volgende opties in het menu Oorsprong van het deelvenster Liniaaleenheden:
    • Om de oorsprong van de liniaal op de linkerbovenhoek van elke spread in te stellen kiest u Spread. De horizontale liniaal loopt over de hele spread door.

    • Om de oorsprong van de liniaal op de linkerbovenhoek van elke pagina in te stellen kiest u Pagina. De horizontale liniaal begint bij elke pagina in een spread op nul.

    • Om de oorsprong van de liniaal op het midden van de rug in te stellen, kiest u Rug. De horizontale liniaal meet in negatieve waarden links van de rug en in positieve waarden rechts van de rug.

Opmerking:

De instellingen voor de oorsprong van de horizontale liniaal kunnen ook worden gewijzigd via het contextmenu dat verschijnt wanneer u met de rechtermuisknop (Windows) of met Control ingedrukt (Mac OS) klikt op de horizontale liniaal.

Objecten meten

Met het gereedschap Meetlat kunt u de afstand tussen twee punten in een documentvenster meten. Wanneer u tussen twee punten meet, wordt de afstand in het deelvenster Info weergegeven. Alle metingen met uitzondering van de hoek worden berekend in de maateenheid die voor het document is ingesteld.

Als u met het meetgereedschap een item hebt opgemeten, blijft de lijn of blijven de lijnen zichtbaar totdat u een andere maat neemt of een ander gereedschap kiest.

De afstand tussen twee punten meten

  1. Zorg ervoor dat het deelvenster Info zichtbaar is (Venster > Info).
  2. Selecteer het gereedschap Meetlat . (Klik op het gereedschap Pipet en houd de muisknop ingedrukt om het gereedschap Meetlat weer te geven.)
  3. Klik op het eerste punt en sleep naar het tweede punt. Druk op Shift en sleep om de beweging van de richtingslijn te beperken tot stappen van 45°. U kunt niet buiten het plakbord en de spread ervan slepen.

De breedte en hoogte worden in het deelvenster Info weergegeven.

Hoeken meten

  1. Zorg ervoor dat het deelvenster Info zichtbaar is (Venster > Info).
  2. Selecteer het gereedschap Meetlat . (Klik op het gereedschap Pipet en houd de muisknop ingedrukt om het gereedschap Meetlat weer te geven.)
  3. Ga op een van de volgende manieren te werk:
    • Om een hoek vanaf de X-as te meten sleept u het gereedschap.

    • Om een aangepaste hoek te meten maakt u de eerste lijn van de hoek door te slepen. Plaats het gereedschap boven een van de eindpunten van de meetlijn. Om de tweede lijn van de hoek te maken dubbelklikt en sleept u of drukt u op Alt (Windows) of Option (Mac OS) en sleept u.

      Wanneer u een aangepaste hoek meet, worden in het deelvenster Info de lengte van de eerste lijn als D1 en de lengte van de tweede lijn als D2 weergegeven.

Overzicht van het deelvenster Info

In het deelvenster Info staat informatie voor geselecteerde objecten, het actieve document of het gebied onder het actieve gereedschap, waaronder positie, grootte en rotatie. Wanneer u een object verplaatst, wordt in het deelvenster Info ook de positie van het object ten opzichte van het beginpunt weergegeven.

Daarnaast kunt u het deelvenster Info gebruiken om het aantal woorden en tekens in artikelen vast te stellen.

Het deelvenster Info is in tegenstelling tot de andere deelvensters van InDesign alleen bedoeld ter informatie. U kunt er geen waarden mee invoeren of weergegeven waarden mee bewerken. Met Opties tonen in het deelvenstermenu kunt u extra informatie over een geselecteerd object weergeven.

Deelvenster Info
Deelvenster Info

A. Horizontale (X) positie van de cursor B. Verticale (Y) positie van de cursor C. Afstand die een object of gereedschap ten opzichte van de beginpositie is verplaatst D. Breedte in huidige eenheden E. Hoogte in huidige eenheden F. Mate van rotatie 

Het deelvenster Info weergeven

  1. Kies Venster > Info.

U kiest een ander maatsysteem door te klikken op het kleine driehoekje naast het pictogram.

Woorden tellen

  1. Plaats het invoegpunt in een tekstkader of selecteer de gewenste tekst.
  2. Kies Venster > Info.

Het deelvenster Info geeft het aantal woorden en tekens in het artikel of de geselecteerde tekst weer. In geval van overlopende tekst staat er een plusteken (+), gevolgd door het aantal tekens, woorden of regels van die tekst.

Andere opties van het deelvenster Info weergeven

  1. Kies Opties tonen in het menu van het deelvenster Info.

    Afhankelijk van het geselecteerde object of gereedschap ziet u het volgende:

    • Waarden voor kleuren van de vulling en lijn van het geselecteerde object en informatie over verlopen .

    • De namen van stalen. U kunt de waarden van de kleurenruimte ook weergeven door te klikken op het kleine driehoekje naast het pictogram voor de vulling of kleur.

    • Informatie over het huidige document, zoals locatie, datum laatste wijziging, auteur en bestandsgrootte wanneer er niets in het document is geselecteerd.

    • Aantal tekens, woorden, regels en alinea's wanneer u de invoegpositie in de tekst plaatst of met een van de tekstgereedschappen tekst selecteert. (In geval van overlopende tekst staat er een plusteken (+), gevolgd door het aantal tekens, woorden of regels van die tekst.)

    • Bestandstype, resolutie en kleurenruimte wanneer een afbeeldingsbestand is geselecteerd. De resolutie wordt weergegeven als het werkelijke aantal pixels per inch (de resolutie van het afbeeldingsbestand) en het effectieve aantal pixels per inch (de resolutie van het afbeeldingsbestand nadat het is vergroot/verkleind in InDesign). Als kleurbeheer is ingeschakeld, wordt het ICC-kleurenprofiel ook weergegeven.

    • De Unicode tekencodering van het geselecteerde teken. Wanneer u één teken selecteert met de teksttool, wordt het bijbehorende Unicode-volgnummer weergegeven dat opgeslagen is in het document.

    • De mojikumi-klasse van het geselecteerde teken.

    • De schuintrekhoek of de horizontale en verticale schaal als het gereedschap Schuintrekken, het gereedschap Schalen of het gereedschap Vrije transformatie is geselecteerd.

Dit werk is gelicentieerd onder de Creative Commons Naamsvermelding/Niet-commercieel/Gelijk delen 3.0 Unported-licentie  De voorwaarden van Creative Commons zijn niet van toepassing op Twitter™- en Facebook-berichten.

Juridische kennisgevingen   |   Online privacybeleid