Afbeeldingen plaatsen (importeren)

De opdracht Plaatsen is de methode die het meest wordt gebruikt voor het invoegen van afbeeldingen in InDesign, omdat deze opdracht de beste ondersteuning biedt voor resolutie, bestandsindelingen en PDF- en INDD-bestanden met meerdere pagina's en kleur. Het plaatsen van afbeeldingen wordt ook wel het importeren of het invoegen van afbeeldingen genoemd.

Als u een document maakt waarvoor deze eigenschappen niet echt belangrijk zijn, kunt u met kopiëren en plakken uw afbeelding in InDesign importeren. Bij plakken wordt een afbeelding echter in een document ingesloten. De koppeling met de originele afbeelding wordt verbroken en wordt niet weergegeven in het deelvenster Koppelingen, en de afbeelding wordt niet meer bijgewerkt wanneer de originele afbeelding wordt gewijzigd. Als u Illustrator-afbeeldingen plaatst, kunt u echter wel paden bewerken in InDesign. Zie Adobe Illustrator-afbeeldingen importeren.

De opties die beschikbaar zijn bij het plaatsen van een grafisch bestand, zijn afhankelijk van het type afbeeldingen. De opties komen beschikbaar als u Importopties tonen in het dialoogvenster Plaatsen selecteert. Als u Importopties tonen niet selecteert, worden de standaardinstellingen toegepast of worden de laatste instellingen gebruikt die u hebt opgegeven bij het plaatsen van een afbeeldingsbestand van dat type.

De namen van de afbeeldingsbestanden die u hebt geplaatst (geïmporteerd), worden weergegeven in het deelvenster Koppelingen.

Opmerking:

Als u een afbeelding vanaf een verwisselbaar medium (bijvoorbeeld een cd-rom) plaatst of sleept, wordt de koppeling verbroken wanneer u het medium uit het systeem verwijdert.

  1. Ga op een van de volgende manieren te werk:
    • Om een afbeelding te importeren zonder eerst een kader te maken, mag er niets zijn geselecteerd in het document.

    • Om een afbeelding in een bestaand kader te importeren selecteert u het kader. Als de nieuwe afbeelding groter is dan het kader, kunt u het formaat van het kader aanpassen door Object > Aanpassen > [aanpassingsopdracht] te kiezen.

    • Om een bestaande afbeelding te vervangen selecteert u het afbeeldingskader.

  2. Kies Bestand > Plaatsen en selecteer een of meer afbeeldingsbestanden in een van de beschikbare bestandsindelingen.

    Als u meerdere bestanden selecteert, kunt u de bestanden een voor een in het document plaatsen door te klikken of te slepen. (Zie Meerdere afbeeldingen plaatsen.)

  3. Klik op Geselecteerd item vervangen als u een geselecteerd object wilt vervangen.
  4. Selecteer Statische bijschriften maken als u een bijschrift op basis van de metagegevens van de afbeelding wilt maken. Zie Een bijschrift op basis van een afbeelding genereren.
  5. Ga op een van de volgende manieren te werk als u indelingsafhankelijke importopties wilt instellen:
    • Selecteer Importopties tonen en klik vervolgens op Openen.

    • Houd Shift ingedrukt terwijl u op Openen klikt of houd Shift ingedrukt en dubbelklik op een bestandsnaam.

    Opmerking:

    Wanneer u via het dialoogvenster Importopties tonen een afbeelding uit Illustrator 9.0 of hoger plaatst, zijn dezelfde opties beschikbaar als voor PDF-bestanden. Plaatst u een Illustrator 5.5-8.x-afbeelding, dan zijn de opties gelijk aan die voor EPS-bestanden.

  6. Als het dialoogvenster Importopties afbeelding wordt geopend (omdat u indelingsafhankelijke importopties wilt instellen), selecteert u de gewenste importopties en klikt u op OK. (Zie Opties voor het importeren van afbeeldingen.)
  7. Ga op een van de volgende manieren te werk:
    • Om de afbeelding in een nieuw kader te importeren, sleept u om een kader te maken. U kunt ook met het pictogram voor geladen afbeeldingen  in de layout klikken op de positie waar u de linkerbovenhoek van de afbeelding wilt plaatsen.

    Opmerking:

    Als u sleept om een kader te maken, heeft het kader dezelfde afmetingen als de afbeelding, tenzij u bij het slepen Shift ingedrukt houdt.

    • Als u de afbeelding wilt importeren in een bestaand kader dat niet geselecteerd is, klikt u met het pictogram voor geladen afbeeldingen op een willekeurige plaats in dat kader.
    • Als Geselecteerd item vervangen is geselecteerd hoeft u niets te doen om een bestaand geselecteerd kader te selecteren. De afbeelding wordt automatisch in dat kader geplaatst.
    • Als u een bestaande afbeelding wilt vervangen, houdt u Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt en klikt u met het pictogram voor geladen afbeeldingen op de afbeelding die u wilt vervangen.
    • U kunt alle opgegeven pagina's van een bestand met meerdere pagina's (zoals een PDF- of INDD-bestand) tegelijk plaatsen, waarbij de ene pagina de andere overlapt, door Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt te houden en met het pictogram voor geladen afbeeldingen te klikken op het punt waar u de pagina's wilt plaatsen.

    Opmerking:

    Als u per ongeluk een bestaande afbeelding vervangt wanneer u een afbeelding plaatst, drukt u op Ctrl+Z (Windows) of Command+Z (Mac OS). De originele afbeelding wordt in het kader teruggezet en het pictogram voor geladen afbeeldingen wordt weergegeven.

  8. Om de volgende afbeelding of pagina van een PDF-bestand met meerdere pagina's te plaatsen klikt u met het pictogram voor geladen afbeeldingen op de gewenste locatie in de layout. Indien nodig kunt u naar een andere locatie of andere pagina gaan zonder dat het pictogram voor geladen afbeeldingen verdwijnt.

Opmerking:

Afhankelijk van uw instellingen kan het lijken alsof de geplaatste afbeelding een lage resolutie heeft. De weergave-instelling van een afbeelding beïnvloedt de uiteindelijke uitvoer van het bestand niet. Zie De weergaveprestaties van afbeeldingen bepalen voor informatie over het wijzigen van de weergave-instellingen van afbeeldingen.

Opties voor het importeren van afbeeldingen

De opties voor het importeren van afbeeldingen verschillen afhankelijk van het type afbeelding dat wordt geïmporteerd. U geeft de importopties weer door Importopties tonen te selecteren in het dialoogvenster Plaatsen.

Importopties voor Encapsulated PostScript-bestanden (.eps)

Wanneer u een EPS-afbeelding (of een bestand dat is opgeslagen in Illustrator 8.0 of eerder) plaatst en Importopties tonen in het dialoogvenster Plaatsen selecteert, wordt er een dialoogvenster weergegeven met de volgende opties:

Koppelingen ingesloten OPI-afbeelding lezen

Hiermee leest InDesign koppelingen van de OPI-opmerkingen voor illustraties die in de afbeelding zijn opgenomen (of genest).

Schakel deze optie uit als u een workflow met proxy's gebruikt en u uw servicebureau de afbeeldingen wilt laten vervangen met behulp van hun OPI-software. Als deze optie is uitgeschakeld, worden de OPI-koppelingen behouden maar niet gelezen. Tijdens het afdrukken of exporteren worden de proxy en de koppelingen aan het uitvoerbestand doorgegeven.

Selecteer deze optie als u een workflow met proxy's gebruikt en u InDesign en niet het servicebureau de afbeeldingen wilt laten vervangen bij het uitvoeren van het uiteindelijke bestand. Als u deze optie selecteert, worden de OPI-koppelingen weergegeven in het deelvenster Koppelingen.

Selecteer deze optie ook als u EPS-bestanden importeert met OPI-opmerkingen die geen deel uitmaken van een workflow met proxy's. Als u bijvoorbeeld een EPS-bestand importeert met OPI-opmerkingen voor een weggelaten TIFF- of bitmapafbeelding, selecteert u deze optie zodat InDesign toegang heeft tot de TIFF-informatie wanneer u het bestand afdrukt.

Uitknippad van Photoshop toepassen

Een geplaatst EPS-bestand bevat altijd een uitknippad in InDesign, ongeacht of deze optie is in- of uitgeschakeld. Het uitschakelen van deze optie kan echter resulteren in een ander formaat selectiekader.

Proxy genereren

Hiermee maakt u een bitmapvoorstelling met een lage resolutie van een afbeelding wanneer het bestand op het scherm wordt getekend. De volgende instellingen bepalen hoe de proxy wordt gegenereerd:

TIFF- of PICT-voorvertoning gebruiken

Bepaalde EPS-afbeeldingen bevatten een ingesloten voorvertoning. Selecteer deze optie om de proxyafbeelding van de bestaande voorvertoning te maken. Als er geen voorvertoning is, wordt de proxy gegenereerd door de EPS-afbeelding naar een bitmap buiten beeld te rasteren.

PostScript rasteren

Selecteer deze optie als u de ingesloten voorvertoning wilt negeren. Deze optie is doorgaans trager maar biedt de hoogste kwaliteit.

Opmerking:

Wanneer u meerdere bestanden in hetzelfde document importeert, wordt bij alle instanties de proxyinstelling van de eerste instantie van het geïmporteerde bestand gebruikt.

Importopties voor bitmaps

U kunt opties van kleurenbeheer toepassen op elke geïmporteerde afbeelding wanneer u de tools voor kleurbeheer bij een document gebruikt. Ook kunt u een uitknippad of een alfakanaal importeren dat is opgeslagen bij een afbeelding die is gemaakt in Photoshop. Zo hebt u de mogelijkheid rechtstreeks een afbeelding te selecteren en het pad ervan te wijzigen zonder het afbeeldingskader te hoeven veranderen.

Wanneer u een PSD-, TIFF-, GIF-, JPEG- of BMP-bestand plaatst en Importopties tonen in het dialoogvenster Plaatsen selecteert, wordt er een dialoogvenster weergegeven met de volgende opties:

Uitknippad van Photoshop toepassen

Als deze optie niet beschikbaar is, is de afbeelding niet met een uitknippad opgeslagen of ondersteunt de bestandsindeling geen uitknippaden. Als de bitmapafbeelding geen uitknippad heeft, kunt u er een maken in InDesign.

Alfakanaal

Selecteer een alfakanaal om het deel van de afbeelding te importeren dat als een alfakanaal in Photoshop is opgeslagen. InDesign gebruikt het alfakanaal voor het maken van een transparant masker op de afbeelding. Deze optie is alleen beschikbaar voor afbeeldingen die ten minste één alfakanaal hebben.

Klik op het tabblad Kleur om de volgende opties weer te geven:

Afbeelding geïmporteerd zonder uitknippad (links) en met uitknippad (rechts)
Afbeelding geïmporteerd zonder uitknippad (links) en met uitknippad (rechts)

Profiel

Als Standaardinstellingen document gebruiken is geselecteerd, laat u deze optie geselecteerd. Als dat niet het geval is, kiest u een kleurenbronprofiel dat overeenkomt met de kleuromvang van het apparaat of de software waarmee de afbeelding is gemaakt. Met dit profiel kan InDesign de eigen kleuren correct omzetten naar het kleuromvang van het uitvoerapparaat.

Rendering intentie

Geef aan hoe het kleurbereik van de afbeelding moet worden geschaald naar dat van het uitvoerapparaat. Meestal zult u Perceptueel (afbeeldingen) kiezen omdat hierdoor kleuren in foto's correct worden weergegeven. De opties Verzadiging (illustraties), Relatief colorimetrisch en Absoluut colorimetrisch zijn beter geschikt voor gebieden met effen kleuren en niet zozeer voor het reproduceren van foto's. De opties voor Render-intentie kunnen niet worden gebruikt bij bitmapafbeeldingen, afbeeldingen met grijswaarden en afbeeldingen met een geïndexeerde kleurmodus.

Importopties voor PNG-bestanden (Portable Network Graphics)

Wanneer u een PNG-afbeelding plaatst en Importopties tonen in het dialoogvenster Plaatsen selecteert, wordt er een dialoogvenster weergegeven met drie secties met importinstellingen. Twee secties bevatten dezelfde opties als voor andere indelingen voor bitmapafbeeldingen. In de andere sectie, PNG-instellingen, staan de volgende opties:

Transparantie-informatie gebruiken

Deze optie is standaard geactiveerd als een PNG-afbeelding transparantie bevat. Als een geïmporteerd PNG-bestand transparantie bevat, verandert de afbeelding alleen op plaatsen waar de achtergrond transparant is.

Witte achtergrond

Als een PNG-afbeelding geen achtergrondkleur bevat die in een bestand is gedefinieerd, is deze optie standaard geselecteerd. De optie is echter alleen geactiveerd als Transparantie-informatie gebruiken is ingeschakeld. Als u deze optie selecteert, wordt de kleur wit als achtergrondkleur gebruikt wanneer transparantie-informatie wordt toegepast.

Bestandsgedefinieerde achtergrondkleur

Wanneer een PNG-afbeelding is opgeslagen met een andere achtergrondkleur dan wit en Transparantie-informatie gebruiken is geselecteerd, is deze optie standaard geselecteerd. Als u de standaard achtergrondkleur niet wilt gebruiken, klikt u op Witte achtergrond om de afbeelding met een witte achtergrond te importeren of schakelt u Transparantie-informatie gebruiken uit om de afbeelding zonder transparantie te importeren (de gebieden van de afbeelding die nu transparant zijn, worden weergegeven). Sommige grafische programma's kunnen geen andere achtergrondkleur dan wit opgeven voor PNG-afbeeldingen.

Gammacorrectie toepassen

Selecteer deze optie om de gammawaarden (het middenbereik) van een PNG-afbeelding aan te passen wanneer u de afbeelding plaatst. Met deze optie kunt u de gammawaarden van de afbeelding aanpassen aan de waarden van het apparaat waarop u de afbeelding afdrukt of weergeeft (zoals een lage-resolutie- of niet-PostScript-printer of een computermonitor). Schakel deze optie uit als u de afbeelding zonder gammacorrectie wilt plaatsen. Deze optie is standaard geselecteerd als de PNG-afbeelding is opgeslagen met een gammawaarde.

Gammawaarde

Deze optie is alleen beschikbaar als Gammacorrectie toepassen is geselecteerd. Hiermee geeft u de gammawaarde weer die met de afbeelding is opgeslagen. U wijzigt de waarde door een positief getal tussen 0,01 en 3,0 te typen.

Bij het importeren van PNG-bestanden zijn de instellingen in het dialoogvenster Importopties afbeelding altijd gebaseerd op het geselecteerde bestand en niet op de laatst gebruikte instellingen of de standaardinstellingen.

Importopties voor Acrobat- (.pdf) en Illustrator-bestanden (.ai)

De layout, afbeeldingen en typografie in een geplaatst PDF-bestand blijven behouden. Net als bij andere geplaatste afbeeldingen kunt u een geplaatste PDF-pagina niet bewerken in InDesign. U kunt de zichtbaarheid van lagen in een gelaagd PDF-bestand regelen. Ook kunt u meerdere pagina's van een PDF-bestand met meerdere pagina's plaatsen.

Wanneer u een PDF-bestand plaatst dat is opgeslagen met wachtwoorden, wordt u gevraagd de vereiste wachtwoorden in te voeren. Als het PDF-bestand met gebruiksbeperkingen (bijvoorbeeld niet kunnen bewerken of afdrukken) maar zonder wachtwoorden is opgeslagen, kunt u het bestand plaatsen.

Wanneer u een PDF-bestand (of een bestand dat is opgeslagen in Illustrator 9.0 of hoger) plaatst en Importopties tonen in het dialoogvenster Plaatsen selecteert, wordt er een dialoogvenster weergegeven met de volgende opties:

Voorvertoning

Hiermee geeft u een voorbeeld weer van een pagina in het PDF-bestand voordat u dat gaat plaatsen. Als u een pagina plaatst van een PDF-bestand dat meerdere pagina's bevat, klikt u op de pijlen of voert u onder de voorvertoning het paginanummer in van een bepaalde pagina die u wilt weergeven.

Pagina's

Geef de pagina's op die u wilt plaatsen: de pagina die wordt weergegeven in de voorvertoning, alle pagina's of een paginabereik. Voor Illustrator-bestanden kunt u opgeven welk artboard moet worden geplaatst.

Opmerking:

Als u meerdere pagina's opgeeft, houdt u Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt, terwijl u het bestand plaatst om alle pagina's tegelijkertijd te plaatsen, waarbij de ene pagina de andere overlapt.

Uitsnijden tot

Bepaal welk deel van de PDF-pagina wordt geplaatst:

Selectiekader

Hiermee plaatst u het selectiekader van de PDF-pagina of het gedeelte dat de objecten op de pagina, inclusief de paginamarkeringen, omsluit. De optie Selectiekader (alleen zichtbare lagen) maakt alleen gebruik van de zichtbare lagen van het PDF-bestand. De optie Selectiekader (alle lagen) plaatst het selectiekader van alle lagen van het PDF-bestand, zelfs als de lagen verborgen zijn.

Afbeeldingen

Hiermee plaatst u de PDF alleen in het gebied dat is gedefinieerd door een rechthoek die de auteur als plaatsbare afbeelding heeft gemaakt (bijvoorbeeld clipart).

Bijsnijden

Hiermee plaatst u de PDF alleen in het gebied dat wordt weergegeven of afgedrukt door Adobe Acrobat.

Snijtekens

Hiermee geeft u aan waar de definitieve, geproduceerde pagina fysiek wordt bijgesneden in het productieproces als er snijtekens aanwezig zijn.

Afloopgebied

Hiermee plaatst u alleen het gebied dat aangeeft waar alle pagina-inhoud moet worden geknipt, als er een afloopgebied aanwezig is. Deze informatie is nuttig als de pagina wordt afgedrukt in een productieomgeving. De afgedrukte pagina kan paginamarkeringen bevatten die buiten het afloopgebied vallen.

Media

Hiermee plaatst u het gebied dat de fysieke papiergrootte van het originele PDF-document aangeeft (bijvoorbeeld de afmetingen van een vel A4), inclusief paginamarkeringen.

Opties voor het uitsnijden van geplaatste PDF-bestanden
Opties voor het uitsnijden van geplaatste PDF-bestanden

A. Media B. Snijtekens C. Afloopgebied D. Inhoud E. Bijsnijden F. Afbeeldingen 

Transparante achtergrond

Selecteer deze optie om tekst of afbeeldingen weer te geven die onder de PDF-pagina in de InDesign-layout terechtkomen. Schakel deze optie uit om de PDF-pagina met een dekkende, witte achtergrond te plaatsen.

Opmerking:

Als u de achtergrond transparant wilt maken in een kader dat een PDF-afbeelding bevat, kunt u deze later dekkend maken door een opvulling toe te voegen aan het kader.

Importopties voor InDesign-bestanden (.indd)

InDesign behoudt de layout, afbeeldingen en typografie in geplaatste INDD-bestanden. Het bestand wordt echter behandeld als een object dat u niet kunt bewerken, ondanks dat u de zichtbaarheid van lagen kunt regelen en kunt kiezen welke pagina's uit een INDD-bestand met meerdere pagina's moeten worden geïmporteerd.

Wanneer u een InDesign-bestand plaatst en de optie Importopties tonen in het dialoogvenster Plaatsen selecteert, wordt er een dialoogvenster weergegeven met de volgende opties:

Voorvertoning

Hiermee geeft u een voorbeeld weer van een pagina voordat u die gaat plaatsen. U kunt een paginanummer opgeven of op de pijlen klikken om naar de gewenste pagina in een document met meerdere pagina's te gaan.

Pagina's

Geef de pagina's op die u wilt plaatsen: de pagina die wordt weergegeven in de voorvertoning, alle pagina's of een paginabereik.

Uitsnijden tot

Geef op wat er van de pagina of pagina's moet worden geplaatst: alleen de pagina zelf, het afloopgebied of de witruimte rond de pagina's.

Meerdere afbeeldingen plaatsen

Met de opdracht Plaatsen kunt u meerdere items tegelijk importeren.

  1. Maak eerst kaders voor de afbeeldingen als u enkele of alle afbeeldingen in kaders wilt plaatsen.
  2. Kies Bestand > Plaatsen en selecteer de gewenste bestanden.

    U kunt afbeeldingsbestanden, tekstbestanden, InDesign-bestanden en andere bestanden kiezen die u aan InDesign-documenten kunt toevoegen.

  3. Selecteer indien nodig Importopties tonen, klik op Openen en geef voor elk bestand de importopties op. (Zie Opties voor het importeren van afbeeldingen.)

    De eerste geselecteerde afbeelding wordt als een miniatuur naast het pictogram voor geladen afbeeldingen weergegeven. Het getal bij het pictogram voor geladen afbeeldingen geeft aan hoeveel afbeeldingen er zijn geselecteerd om te worden geïmporteerd. De namen van de afbeeldingen staan in het deelvenster Koppelingen met de afkorting LP (voor 'loaded in place cursor', plaatscursor geladen) naast de voorste afbeelding.

    Vier bestanden in kaders voor plaatsaanduidingen plaatsen
    Vier bestanden in kaders voor plaatsaanduidingen plaatsen

    Opmerking:

    U kunt met de pijltoetsen door de afbeeldingen bladeren en met de toets Esc de voorste afbeelding uit het pictogram voor geladen afbeeldingen verwijderen. De verwijderde afbeelding wordt dan niet in InDesign geplaatst.

    Opmerking:

    Als uw computer traag wordt door het weergeven van miniaturen, kunt u instellen dat de miniaturen niet bij het pictogram voor geladen afbeeldingen worden weergegeven. Schakel de optie Miniaturen op plaats tonen uit in het dialoogvenster Voorkeuren.

  4. Ga op een van de volgende manieren te werk:
    • Om in een nieuw kader te importeren, klikt u met het pictogram voor geladen afbeeldingen op de positie waar u de linkerbovenhoek van de afbeelding wilt plaatsen.

    • Om een kader van een bepaalde grootte te maken en de afbeelding in dat kader te importeren, sleept u om het kader te tekenen. Het kader komt overeen met de afmetingen van de afbeelding die u wilt plaatsen.

    • Om in een bestaand kader te importeren, klikt u met het pictogram voor geladen afbeeldingen in dat kader. Houd Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt en klik om de inhoud van een bestaand kader te vervangen.

    • Als u alle geladen afbeeldingen in een raster wilt importeren, sleept u de cursor en drukt u op de pijltoetsen om het aantal rijen en kolommen te bepalen. Gebruik de toetsen Pijl-omhoog en Pijl-omlaag om het aantal rijen te wijzigen en de toetsen Pijl-links en Pijl-rechts om het aantal kolommen te wijzigen. Laat de muisknop los om het raster met afbeeldingen te plaatsen.

      Als u de ruimte tussen frames wilt aanpassen, gebruikt u de toetsen Pijl-omhoog en Pijl-omlaag of houdt u Ctrl (Windows) of Command (Mac OS) ingedrukt terwijl u op de pijltoetsen drukt.

      Als u de tussenruimte tussen frames wilt aanpassen, houdt u Ctrl (Windows) of Command (Mac OS) ingedrukt terwijl u op de pijltoetsen drukt.

    Opmerking:

    Als het afbeeldingspictogram wordt weergegeven, kunt u andere afbeeldingen laden door Bestand > Plaatsen te kiezen.

De zichtbaarheid van lagen in geïmporteerde afbeeldingen regelen

Als u Photoshop PSD-bestanden, gelaagde PDF-bestanden of INDD-bestanden importeert, kunt u de zichtbaarheid van de bovenste lagen regelen. Door de zichtbaarheid van lagen in te stellen in InDesign, kunt u een illustratie afhankelijk van de context aanpassen. Bij bijvoorbeeld een publicatie in meerdere talen kunt u een enkele illustratie maken die één tekstlaag voor elke taal bevat.

U kunt de zichtbaarheid van lagen aanpassen wanneer u een bestand plaatst, of via het dialoogvenster Opties objectlaag. Als het Photoshop-bestand laagsamenstellingen bevat, kunt u ook de gewenste samenstelling weergeven.

Zichtbaarheid van laag instellen

  1. Ga op een van de volgende manieren te werk:
    • Om een afbeelding te importeren zonder eerst een kader te maken, mag er niets zijn geselecteerd in het document.

    • Om een afbeelding in een bestaand kader te importeren, selecteert u het kader.

    • Om een bestaande afbeelding te vervangen, selecteert u het afbeeldingskader.

  2. Kies Bestand > Plaatsen en selecteer een afbeeldingsbestand.
  3. Selecteer Geselecteerd item vervangen als u een geselecteerd object wilt vervangen.
  4. Selecteer Importopties tonen en klik vervolgens op Openen.
  5. Klik in het dialoogvenster Importopties afbeelding of Plaatsen op het tabblad Lagen.
  6. Klik op Voorvertoning als u een voorvertoning van de afbeelding wilt weergeven.
  7. (Alleen PDF-bestanden) Als u een pagina plaatst van een PDF-bestand dat meerdere pagina's bevat, klikt u op de pijlen of voert u onder de voorvertoning het paginanummer in van een bepaalde pagina die u wilt weergeven.
  8. (Alleen Photoshop PSD-bestanden) Als de afbeelding laagsamenstellingen bevat, kiest u in het pop-upmenu Laagsamenstelling de laagsamenstelling die u wilt weergeven.
  9. Ga op een van de volgende manieren te werk:
    • Om een lagenset te openen of te sluiten, klikt u op het driehoekje links van het mappictogram.

    • Om een laag of lagenset te verbergen, klikt u op het oogpictogram naast de laag of lagenset.

    • Om de laag of lagenset weer te geven, klikt u op de lege oogkolom naast de laag of lagenset.

    • Om alleen de inhoud van een bepaalde laag of laagset weer te geven, houdt u Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt terwijl u op het bijbehorende oogpictogram klikt. Houd Alt of Option ingedrukt en klik nogmaals op het oogpictogram om de originele zichtbaarheidsinstellingen van de andere lagen te herstellen.

    • Om de zichtbaarheid van meerdere items te wijzigen, sleept u door de oogkolom.

  10. Stel de optie Bij bijwerken van koppeling in op de gewenste waarde:

    Laagzichtbaarheid van Photoshop/PDF gebruiken

    Hiermee worden de instellingen voor de zichtbaarheid van lagen ingesteld op de instellingen van het gekoppelde bestand wanneer u de koppeling bijwerkt.

    Overschrijvingen laagzichtbaarheid behouden

    Hiermee blijven de instellingen voor laagzichtbaarheid behouden waarmee het bestand oorspronkelijk is geplaatst.

  11. Klik op OK.
  12. Klik op OK en ga op een van de volgende manieren te werk:
    • Om in een nieuw kader te importeren, klikt u met het pictogram voor geladen afbeeldingen  in de layout op de positie waar u de linkerbovenhoek van de afbeelding wilt plaatsen.

    • Als u de afbeelding wilt importeren in een bestaand kader dat niet geselecteerd is, klikt u met het pictogram voor geladen afbeeldingen op een willekeurige plaats in dat kader.

    • Om in een geselecteerd kader te importeren hoeft u niets te doen. De afbeelding wordt automatisch in dat kader geplaatst.

    Opmerking:

    Als u per ongeluk een bestaande afbeelding vervangt wanneer u een afbeelding plaatst, drukt u op Ctrl+Z (Windows) of Command+Z (Mac OS). De originele afbeelding wordt in het kader teruggezet en het pictogram voor geladen afbeeldingen wordt weergegeven.

De zichtbaarheid van lagen voor AI-, PSD-, PDF- en INDD-bestanden instellen

Nadat u een Photoshop PSD- of gelaagd PDF-bestand, een Illustrator AI-bestand of een InDesign INDD-bestand hebt geplaatst, kunt u in het dialoogvenster Opties objectlaag de zichtbaarheid van de lagen bepalen. Als het Photoshop PSD-bestand laagsamenstellingen bevat, kunt u kiezen welke samenstelling u wilt weergeven. Ook kunt u kiezen of u de zichtbaarheidsinstellingen wilt behouden of deze wilt aanpassen aan de instellingen van het originele bestand wanneer u de koppeling bijwerkt.

  1. Selecteer het bestand in het InDesign-document.
  2. Kies Object > Opties objectlaag.
  3. Klik op Voorvertoning als u een voorvertoning van de afbeelding wilt weergeven.
  4. (Alleen Photoshop PSD-bestanden) Als de afbeelding laagsamenstellingen bevat, kiest u in het pop-upmenu Laagsamenstelling de laagsamenstelling die u wilt weergeven.
  5. Ga op een van de volgende manieren te werk:
    • Om een lagenset te openen of te sluiten, klikt u op het driehoekje links van het mappictogram.

    • Om een laag of lagenset te verbergen, klikt u op het oogpictogram naast de laag of lagenset.

    • Om de laag of lagenset weer te geven, klikt u op de lege oogkolom naast de laag of lagenset.

    • Om alleen de inhoud van een bepaalde laag of lagenset weer te geven, houdt u Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt terwijl u op het bijbehorende oogpictogram klikt. Houd Alt of Option ingedrukt en klik nogmaals op het oogpictogram om de originele zichtbaarheidsinstellingen van de andere lagen te herstellen.

    • Om de zichtbaarheid van meerdere items te wijzigen, sleept u door de oogkolom.

  6. Stel de opties Bij bijwerken van koppeling in op de gewenste waarde:

    Laagzichtbaarheid gebruiken

    Hiermee worden de instellingen voor de zichtbaarheid van lagen ingesteld op de instellingen van het gekoppelde bestand wanneer u de koppeling bijwerkt.

    Overschrijvingen laagzichtbaarheid behouden

    Hiermee blijven de instellingen voor laagzichtbaarheid behouden waarmee het bestand oorspronkelijk is geplaatst.

  7. Klik op OK.

Afbeeldingen plakken of slepen

Bij slepen of kopiëren en plakken van een afbeelding naar een InDesign-document kunnen bepaalde kenmerken van het originele object verloren gaan, afhankelijk van de beperkingen van het besturingssysteem, het bereik van gegevenstypen die voor de overdracht in de andere toepassing beschikbaar zijn, en de voorkeursinstellingen voor het InDesign-klembord. Als u Illustrator-afbeeldingen plakt of sleept, kunt u de paden in de afbeeldingen selecteren en bewerken.

Bij het kopiëren en plakken of slepen tussen twee InDesign-documenten of binnen één document blijven alle grafische kenmerken behouden die zijn geïmporteerd of toegepast. Als u bijvoorbeeld een afbeelding van een InDesign-document in een ander document plakt, is de kopie een exact duplicaat van het origineel, inclusief de koppelingsinformatie van het origineel, zodat u de afbeelding kunt bijwerken wanneer het bestand op schijf wordt gewijzigd.

Afbeeldingen kopiëren en plakken

Wanneer u een afbeelding vanuit een document in een InDesign-document plakt, wordt er geen koppeling naar de afbeelding in het deelvenster Koppelingen gemaakt. Mogelijk is de afbeelding tijdens de overdracht omgezet door het Klembord van het systeem, waardoor zowel de afbeeldings- als de afdrukkwaliteit in InDesign lager zijn dan in de brontoepassing van de afbeelding.

  1. Selecteer de originele afbeelding in InDesign of een ander programma en kies Bewerken > Kopiëren.
  2. Ga naar een InDesign-documentvenster en kies Bewerken > Plakken.

Afbeeldingen slepen en neerzetten

De sleepmethode werkt zoals de opdracht Plaatsen, waarbij de afbeeldingen na het importeren in het deelvenster Koppelingen komen te staan. Voor de bestanden die u sleept en neerzet, kunt u geen importopties instellen, maar u kunt wel meerdere bestanden tegelijk slepen en neerzetten (de bestanden worden in het pictogram voor afbeeldingen geladen wanneer u meerdere bestanden sleept en neerzet).

Selecteer een afbeelding in Adobe Illustrator, Adobe Bridge, de Verkenner (Windows), Finder (Mac OS) of op het bureaublad en sleep de afbeelding naar InDesign. De afbeelding moet een indeling hebben die door InDesign kan worden geïmporteerd.

Als u een bestand vanuit een ander programma dan Illustrator sleept, wordt het weergegeven in het deelvenster Koppelingen van InDesign. Gebruik dit deelvenster om versies te beheren en indien nodig bij te werken.

  1. Selecteer de originele afbeelding.
  2. Sleep de afbeelding naar een geopend InDesign-documentvenster.

Opmerking:

Als u in Windows een item probeert te slepen vanaf een toepassing die slepen en neerzetten niet ondersteunt, verandert de aanwijzer in het pictogram dat aangeeft dat de bewerking niet mogelijk is.

Opmerking:

U kunt het slepen van een afbeelding annuleren door de afbeelding neer te zetten op de titelbalk van een deelvenster of op de titelbalk van het document.

De weergave van afbeeldingen met een lage resolutie verbeteren

Wanneer u afbeeldingen in uw document plaatst, kunnen deze er "pixelated", onscherp of korrelig uitzien. In de meeste gevallen komt dit doordat InDesign afbeeldingen standaard met een lage resolutie weergeeft ten behoeve van de prestaties.

Controleer de weergave-instellingen

Als u de afbeeldingen met een hoge resolutie wilt weergeven, kiest u Weergave > Weergaveprestaties > Weergave van hoge kwaliteit. Zie De weergaveprestaties van afbeeldingen regelen voor meer informatie over het wijzigen van deze instellingen voor de weergaveprestaties.

Gebruik Plaatsen in plaats van Plakken

Zelfs nadat u de instellingen voor de weergaveprestaties hebt aangepast, kan een afbeelding nog steeds met een lage resolutie worden weergegeven. Gebruik in dergelijke gevallen de opdracht Plaatsen om de afbeelding in InDesign in te voegen. Soms wordt bij het plakken van een afbeelding uit een andere toepassing de voorvertoningsafbeelding ingevoegd in plaats van het originele bestand.

Controleer de afdrukinstellingen

Als uw afbeelding met een lage resolutie op de afdruk wordt weergegeven, controleert u aan de hand van de afdrukinstellingen of afbeeldingen juist worden afgedrukt. Selecteer Gegevens verzenden > Alles in het gedeelte Afbeeldingen van het dialoogvenster Afdrukken.

Pas geen transformaties toe in afbeeldingen van tegenvallende kwaliteit

De kwaliteit van een afbeelding kan ook afnemen wanneer de afbeelding wordt geschaald of geroteerd. Desgewenst kunt u Transformaties wissen kiezen in het menu van het regelpaneel.

Verbeter de afbeeldingsresolutie

In bepaalde gevallen, bijvoorbeeld wanneer een afbeelding vanaf een webpagina is gekopieerd, kan het voorkomen dat u een afbeelding met een lage resolutie moet vervangen door een afbeelding met een hoge resolutie.

De weergaveprestaties van afbeeldingen regelen

U kunt de resolutie regelen van afbeeldingen die u in een document plaatst. U kunt de weergave-instellingen voor het gehele document of voor elke afbeelding afzonderlijk wijzigen. Ook kunt u de instelling wijzigen waarmee de weergave-instellingen per document kunnen worden geaccepteerd of overschreven.

De weergaveprestaties van een document wijzigen

Documenten worden altijd geopend met de standaardinstellingen voor weergaveprestaties. U kunt de weergaveprestaties van een document wijzigen terwijl dit is geopend, maar de instelling wordt niet opgeslagen met het document.

Als u de weergaveprestaties hebt ingesteld voor afzonderlijke afbeeldingen, kunt u de instellingen overschrijven, zodat alle objecten dezelfde instellingen gebruiken.

  1. Kies Weergave > Weergaveprestaties en selecteer een optie in het submenu.
  2. Als u wilt afdwingen dat de objecten die u afzonderlijk hebt ingesteld, worden weergegeven met behulp van de documentinstelling, kiest u Weergave > Weergaveprestaties > Weergave-instellingen op objectniveau toestaan. (Een vinkje geeft aan dat de optie is ingeschakeld.)

De weergaveprestaties van een object wijzigen

  1. Als u de weergaveprestaties voor afzonderlijke objecten wilt behouden wanneer het document wordt gesloten en opnieuw wordt geopend, moet de optie Weergave-instellingen op objectniveau behouden in de voorkeuren voor weergaveprestaties zijn ingeschakeld.

  2. Kies Weergave > Weergaveprestaties en zorg ervoor dat de optie Weergave-instellingen op objectniveau behouden is ingeschakeld.

  3. Selecteer met de tool Selecteren  of Direct selecteren  een geïmporteerde afbeelding.
  4. Ga op een van de volgende manieren te werk:
    • Selecteer Object > Weergaveprestaties en kies een weergave-instelling.

    • Klik met de rechtermuisknop op de afbeelding (Windows) of houd Control ingedrukt en klik op de afbeelding (Mac OS) en kies een weergave-instelling in het submenu Weergaveprestaties.

Opmerking:

Met Weergave-instelling gebruiken in het submenu Weergaveprestaties kunt u de lokale weergave-instellingen van een object verwijderen. Als u de lokale weergave-instellingen voor alle afbeeldingen in het document wilt verwijderen, selecteert u Weergave-instellingen op objectniveau wissen in het submenu Weergave > Weergaveprestaties.

Opties voor weergaveprestaties

Deze opties bepalen hoe afbeeldingen worden weergegeven op het scherm, maar ze zijn niet van invloed op de afdrukkwaliteit of de geëxporteerde uitvoer.

Via de voorkeuren voor weergaveprestaties kunt u de standaardoptie instellen die wordt gebruikt voor het openen van alle documenten en voor het aanpassen van de instellingen die deze opties definiëren. Elke weergaveoptie heeft verschillende instellingen voor het weergeven van rasterafbeeldingen, vectorafbeeldingen en transparanten.

Snel

Tekent een raster- of vectorafbeelding als een grijs vak (standaard). Gebruik deze optie als u spreads met veel afbeeldingen of transparantie-effecten wilt doorbladeren.

Normaal

Tekent een proxy-afbeelding met lage resolutie (standaard) voor het identificeren en plaatsen van een afbeelding of vectorafbeelding. Normaal is de standaardoptie en de snelste manier om een herkenbare afbeelding weer te geven.

Hoge kwaliteit

Tekent een raster- of vectorafbeelding met hoge resolutie (standaard). Deze optie biedt de hoogste kwaliteit, maar is het langzaamst. Gebruik deze optie om een afbeelding te verfijnen.

Opmerking:

Beeldweergaveopties hebben geen invloed op de uitvoerresolutie wanneer u afbeeldingen binnen een document exporteert of afdrukt. Wanneer u op een PostScript-apparaat afdrukt of naar XHTML, EPS of PDF exporteert, is de definitieve beeldresolutie afhankelijk van de uitvoeropties die u instelt bij het afdrukken of exporteren van het bestand.

Standaardweergaveprestaties instellen

Met de voorkeuren voor weergaveprestaties kunt u de standaard weergaveoptie instellen die in InDesign wordt gebruikt voor elk document dat u opent. U kunt de weergaveprestaties van een document wijzigen via het menu Weergave. De instelling voor afzonderlijke objecten wijzigt u via het menu Object. Als u bijvoorbeeld aan projecten werkt die talloze foto's met hoge resolutie (zoals een catalogus) bevatten, wilt u toch al uw documenten snel kunnen openen. U kunt dan de standaard weergaveoptie instellen op Snel. Als u de afbeeldingen in detail wilt bekijken, schakelt u de documentweergave over naar Normaal of Hoge kwaliteit (waarbij Snel de voorkeursinstelling blijft).

U kunt ook de weergave-instellingen die zijn toegepast op afzonderlijke objecten, bekijken of overschrijven. Als de optie Weergave-instellingen op objectniveau behouden is geselecteerd, worden de eventuele instellingen die zijn toegepast op objecten opgeslagen met het document.

  1. Selecteer Bewerken > Voorkeuren > Weergaveprestaties (Windows) of InDesign > Voorkeuren > Weergaveprestaties (Mac OS).
  2. Selecteer bij Standaardweergave de optie Normaal, Snel of Hoge kwaliteit. De gekozen weergaveoptie is van toepassing op alle documenten die u opent of maakt.
  3. Ga op een van de volgende manieren te werk:
    • Om weergave-instellingen op te slaan die zijn toegepast op afzonderlijke objecten, selecteert u Weergave-instellingen op objectniveau behouden.

    • Om alle afbeeldingen weer te geven met de standaard weergaveoptie deselecteert u Weergave-instellingen op objectniveau behouden.

  4. Kies bij Weergave-instellingen aanpassen de weergaveoptie die u wilt aanpassen en stel vervolgens de schuifregelaar Rasterafbeeldingen of Vectorafbeeldingen in op de gewenste instelling.
  5. Klik op OK.

Elke weergaveoptie heeft verschillende instellingen voor het weergeven van rasterafbeeldingen (bitmaps), vectorafbeeldingen en transparantie-effecten.

Contactbladen maken

Een contactblad is een raster met miniatuurafbeeldingen dat vaak wordt gebruikt voor pre-press-analysedoeleinden. U kunt contactbladen maken in verschillende Adobe-toepassingen. In Photoshop gebruikt u hiervoor de opdracht Contactblad of Figuurpakket.

In oudere versies van Adobe Bridge (CS2 en CS3) maakt u een contactblad voor InDesign-pagina's met de functie InDesign-contactblad maken. Deze functie is niet beschikbaar in latere versies van Adobe Bridge. In plaats daarvan kunt u de Adobe-uitvoermodule in Adobe Bridge gebruiken om PDF-contactbladen te maken.

U kunt in InDesign ook een eenvoudig contactblad maken door meerdere afbeeldingen in een raster te plaatsen.

  1. Kies Bestand > Plaatsen, selecteer meerdere afbeeldingen en kies Openen.

    Als u bijschriften bij de afbeeldingen wilt opnemen, selecteert u Statische bijschriften maken. Zie Een bijschrift op basis van een afbeelding genereren.

  2. Sleep de cursor en druk op de pijltoetsen om het aantal rijen en kolommen te bepalen. Gebruik de toetsen Pijl-omhoog en Pijl-omlaag om het aantal rijen te wijzigen en de toetsen Pijl-links en Pijl-rechts om het aantal kolommen te wijzigen.

    Als u de ruimte tussen frames wilt aanpassen, gebruikt u de toetsen Pijl-omhoog en Pijl-omlaag of houdt u Ctrl (Windows) of Command (Mac OS) ingedrukt terwijl u op de pijltoetsen drukt.

    Als u de tussenruimte tussen frames wilt aanpassen, houdt u Ctrl (Windows) of Command (Mac OS) ingedrukt terwijl u op de pijltoetsen drukt.

  3. Laat de muisknop los om het raster met afbeeldingen te plaatsen.

Dit werk is gelicentieerd onder de Creative Commons Naamsvermelding/Niet-commercieel/Gelijk delen 3.0 Unported-licentie  De voorwaarden van Creative Commons zijn niet van toepassing op Twitter™- en Facebook-berichten.

Juridische kennisgevingen   |   Online privacybeleid