Handboek Annuleren

Hoofd- en detailpagina's maken in Dreamweaver

  1. Dreamweaver Handboek
  2. Inleiding
    1. Basisbeginselen van responsief webontwerp
    2. Nieuwe functies in Dreamweaver
    3. Webontwikkeling met Dreamweaver: een overzicht
    4. Dreamweaver / Algemene vragen
    5. Sneltoetsen
    6. Systeemvereisten voor Dreamweaver
    7. Functieoverzicht
  3. Dreamweaver en Creative Cloud
    1. Dreamweaver-instellingen synchroniseren met Creative Cloud
    2. Creative Cloud Libraries in Dreamweaver
    3. Photoshop-bestanden gebruiken in Dreamweaver
    4. Werken met Adobe Animate en Dreamweaver
    5. Voor het web geoptimaliseerde SVG-bestanden uit Libraries extraheren
  4. De werkruimten en weergaven van Dreamweaver
    1. De werkruimte van Dreamweaver
    2. De werkruimte van Dreamweaver optimaliseren voor visuele ontwikkeling
    3. Bestanden zoeken op bestandsnaam of inhoud | Mac OS
  5. Sites opzetten
    1. Over Dreamweaver-sites
    2. Een lokale versie van uw site instellen
    3. Verbinding maken met een publicatieserver
    4. Een testserver instellen
    5. Instellingen van Dreamweaver-sites importeren en exporteren
    6. Bestaande websites overzetten van een externe server naar de hoofdmap van uw lokale site
    7. Toegankelijkheidsfuncties in Dreamweaver
    8. Geavanceerde instellingen
    9. Sitevoorkeuren instellen voor het overzetten van bestanden
    10. Proxyserverinstellingen opgeven in Dreamweaver
    11. Dreamweaver-instellingen synchroniseren met Creative Cloud
    12. Git gebruiken in Dreamweaver
  6. Bestanden beheren
    1. Bestanden maken en openen
    2. Bestanden en mappen beheren
    3. Bestanden van uw server ophalen en op uw server plaatsen
    4. Bestanden inchecken en uitchecken
    5. Bestanden synchroniseren
    6. Bestanden vergelijken om verschillen op te sporen
    7. Bestanden en mappen op uw Dreamweaver-site camoufleren
    8. Ontwerpnotities inschakelen voor Dreamweaver-sites
    9. Potentieel misbruik van Gatekeeper voorkomen
  7. Lay-out en ontwerp
    1. Visuele lay-outhulpmiddelen gebruiken
    2. Uw pagina opmaken met CSS
    3. Responsieve websites ontwerpen met Bootstrap
    4. Mediaquery's maken en gebruiken in Dreamweaver
    5. Inhoud in tabellen presenteren
    6. Kleuren
    7. Responsive design met dynamische rasterlay-outs
    8. Extract in Dreamweaver
  8. CSS
    1. Informatie over CSS (Cascading Style Sheets)
    2. Pagina's opmaken met CSS ontwerpen
    3. CSS-preprocessors gebruiken in Dreamweaver
    4. CSS-stijlvoorkeuren instellen in Dreamweaver
    5. CSS-regels verplaatsen in Dreamweaver
    6. Inline CSS converteren naar een CSS-regel in Dreamweaver
    7. Werken met div-tags
    8. Verlopen toepassen op een achtergrond
    9. CSS3-overgangseffecten maken en bewerken in Dreamweaver
    10. Code opmaken
  9. Pagina-inhoud en assets
    1. Pagina-eigenschappen instellen
    2. Eigenschappen voor CSS-koppen en CSS-koppelingen
    3. Werken met tekst
    4. Tekst, tags en kenmerken zoeken en vervangen
    5. Het deelvenster DOM
    6. Bewerken in Live View
    7. Documenten coderen in Dreamweaver
    8. Elementen selecteren en weergeven in het documentvenster
    9. Teksteigenschappen instellen in de eigenschappencontrole
    10. Spelling op een webpagina controleren
    11. Horizontale lijnen gebruiken in Dreamweaver
    12. Lettertypecombinaties toevoegen en aanpassen in Dreamweaver
    13. Werken met assets
    14. Datums in Dreamweaver invoegen en bijwerken
    15. Favoriete assets maken en beheren in Dreamweaver
    16. Afbeeldingen invoegen en bewerken in Dreamweaver
    17. Mediaobjecten toevoegen
    18. Video's toevoegen in Dreamweaver
    19. HTML5-video invoegen
    20. SWF-bestanden invoegen
    21. Audio-effecten toevoegen
    22. HTML5-audio invoegen in Dreamweaver
    23. Werken met bibliotheekitems
    24. Arabische en Hebreeuwse tekst gebruiken in Dreamweaver
  10. Koppelingen en navigatie
    1. Over koppelingen en navigatie
    2. Koppelingen
    3. Afbeeldingen met hyperlinks
    4. Problemen met koppelingen oplossen
  11. jQuery-widgets en -effecten
    1. De jQuery-gebruikersinterface en mobiele widgets in Dreamweaver gebruiken
    2. jQuery-effecten gebruiken in Dreamweaver
  12. Websites coderen
    1. Over coderen in Dreamweaver
    2. Coderingsomgeving in Dreamweaver
    3. Coderingsvoorkeuren instellen
    4. Codekleuren aanpassen
    5. Code schrijven en bewerken
    6. Coderingstips en codevoltooiing
    7. Code samenvouwen en uitvouwen
    8. Code hergebruiken met codefragmenten
    9. Linting voor code gebruiken
    10. Code optimaliseren
    11. Code bewerken in de ontwerpweergave
    12. Werken met de kopinhoud van pagina's
    13. Include-bestanden op de server invoegen in Dreamweaver
    14. Tagbibliotheken gebruiken in Dreamweaver
    15. Aangepaste tags importeren in Dreamweaver
    16. JavaScript-gedrag gebruiken (algemene instructies)
    17. Ingebouwd JavaScript-gedrag toepassen
    18. Over XML en XSLT
    19. XSL-transformaties op de server uitvoeren in Dreamweaver
    20. XSL-transformaties op de client uitvoeren in Dreamweaver
    21. Tekenentiteiten toevoegen voor XSLT in Dreamweaver
    22. Code opmaken
  13. Productonafhankelijke workflows
    1. Extensies in Dreamweaver installeren en gebruiken
    2. In-app updates in Dreamweaver
    3. Microsoft Office-documenten invoegen in Dreamweaver (alleen Windows)
    4. Werken met Fireworks en Dreamweaver
    5. Inhoud bewerken op Dreamweaver-sites met behulp van Contribute
    6. Integratie van Dreamweaver met Business Catalyst
    7. Persoonlijke e-mailcampagnes maken
  14. Sjablonen
    1. Over Dreamweaver-sjablonen
    2. Sjablonen en op een sjabloon gebaseerde documenten herkennen
    3. Een Dreamweaver-sjabloon maken
    4. Bewerkbare gebieden maken in sjablonen
    5. Herhalingsgebieden en tabellen maken in Dreamweaver
    6. Optionele gebieden in sjablonen gebruiken
    7. Bewerkbare tagkenmerken in Dreamweaver definiëren
    8. Geneste sjablonen maken in Dreamweaver
    9. Sjablonen bewerken, bijwerken en verwijderen
    10. XML-inhoud exporteren en importeren in Dreamweaver
    11. Een sjabloon uit een bestaand document toepassen of verwijderen
    12. Inhoud bewerken in Dreamweaver-sjablonen
    13. Syntaxisregels voor sjabloontags in Dreamweaver
    14. Voorkeuren voor de markering van sjabloongebieden instellen
    15. Voordelen van het gebruik van sjablonen in Dreamweaver
  15. Mobiel en meerdere schermen
    1. Mediaquery's maken
    2. Paginastand voor mobiele apparaten wijzigen
    3. Web-apps voor mobiele apparaten maken met Dreamweaver
  16. Dynamische sites, pagina's en webformulieren
    1. Informatie over web-applicaties
    2. Uw computer instellen voor het ontwikkelen van applicaties
    3. Problemen met databaseverbindingen oplossen
    4. Verbindingsscripts verwijderen in Dreamweaver
    5. Dynamische pagina's ontwerpen
    6. Overzicht van dynamische inhoudsbronnen
    7. Bronnen met dynamische inhoud definiëren
    8. Dynamische inhoud toevoegen aan pagina's
    9. Dynamische inhoud wijzigen in Dreamweaver
    10. Databaserecords weergeven
    11. Livegegevens leveren en problemen oplossen Dreamweaver
    12. Aangepast servergedrag toevoegen in Dreamweaver
    13. Formulieren maken met Dreamweaver
    14. Formulieren gebruiken om informatie van gebruikers te verzamelen
    15. ColdFusion-formulieren maken en inschakelen in Dreamweaver
    16. Webformulieren maken
    17. Verbeterde HTML5-ondersteuning voor formulierelementen
    18. Een formulier ontwikkelen met Dreamweaver
  17. Applicaties visueel samenstellen
    1. Hoofd- en detailpagina's maken in Dreamweaver
    2. Zoekpagina's en resultatenpagina's maken
    3. Een pagina voor het invoegen van records maken
    4. Een pagina voor het bijwerken van records maken in Dreamweaver
    5. Pagina's voor het verwijderen van records maken in Dreamweaver
    6. ASP-opdrachten gebruiken om een database aan te passen in Dreamweaver
    7. Een registratiepagina maken
    8. Een aanmeldingspagina maken
    9. Een pagina maken waartoe alleen geautoriseerde gebruikers toegang hebben
    10. Mappen beveiligen in ColdFusion met Dreamweaver
    11. ColdFusion-componenten gebruiken in Dreamweaver
  18. Websites testen, voorvertonen en publiceren
    1. Pagina's voorvertonen
    2. Dreamweaver-webpagina's voorvertonen op meerdere apparaten
    3. Uw Dreamweaver-site testen

 

Opmerking:

De gebruikersinterface van Dreamweaver CC en hoger is vereenvoudigd. Daarom zijn sommige opties die in dit artikel worden beschreven, niet beschikbaar in Dreamweaver CC en hoger. Meer informatie vindt u in dit artikel.

Over hoofd- en detailpagina's

Hoofd- en detailpagina's zijn paginasets die worden gebruikt om recordsetgegevens te organiseren en weer te geven. Deze pagina's bieden de bezoeker van uw site zowel een overzichtsweergave als een gedetailleerde weergave. De hoofdpagina bevat een lijst van alle records en koppelingen naar detailpagina's met aanvullende informatie over elke record.

Hoofdpagina

Detailpagina

U kunt hoofd- en detailpagina's samenstellen door een gegevensobject in te voegen om in één bewerking een hoofd- en een detailpagina te maken, of door servergedrag te gebruiken om de hoofd- en detailpagina's op een meer aangepaste wijze te maken. Wanneer u hoofd- en detailpagina's maakt met behulp van servergedrag, maakt u eerst een hoofdpagina waarop de records worden vermeld, en voegt u daarna vanuit die lijst koppelingen met de detailpagina's toe.

Een hoofdpagina maken

Voordat u start, moet u ervoor zorgen dat u een databaseverbinding voor uw site hebt gedefinieerd.

  1. Kies Bestand > Nieuw > Lege pagina, selecteer een paginaformaat en klik op Maken om een lege pagina te maken. Deze pagina wordt de hoofdpagina.
  2. Definieer een recordset.

    Klik in het paneel Bindingen (Windows > Bindingen) op de plusknop (+), selecteer Recordset en kies de gewenste opties. Klik op Geavanceerd als u uw eigen SQL-instructie wilt schrijven.

    Zorg ervoor dat de recordset alle tabelkolommen bevat die u nodig hebt om de hoofdpagina te maken. De recordset moet ook de tabelkolom bevatten die de unieke sleutel van elke record bevat, dus de kolom met de record-id. In het volgende voorbeeld bevat de kolom Code de unieke sleutel van elke record.

    Recordsetkolommen die zijn geselecteerd voor een hoofdpagina

    Gewoonlijk haalt de recordset op de hoofdpagina enkele kolommen uit een database terwijl de recordset op de detailpagina meer kolommen uit dezelfde tabel ophaalt om de extra details te kunnen geven.

    De recordset kan door de gebruiker in runtime worden gedefinieerd. Zie Zoekpagina's en resultatenpagina's samenstellen voor meer informatie.

  3. Een dynamische tabel invoegen om de records weer te geven.

    Plaats de invoegpositie waar u de dynamische tabel op de pagina wilt weergeven. Kies Invoegen > Gegevensobjecten > Dynamische gegevens > Dynamische tabel, stel de opties in en klik op OK.

    Als u niet wilt dat gebruikers record-id's te zien krijgen, kunt u de kolom uit de dynamische tabel verwijderen. Klik ergens op de pagina om de pagina te selecteren. Verplaats de cursor naar de bovenkant van de kolom in de dynamische tabel tot de kolomcellen met rood worden omlijnd. Klik dan om de kolom te selecteren. Druk op Delete om de kolom uit de tabel te verwijderen.

Koppelingen maken met de detailpagina

Wanneer u de hoofdpagina hebt gemaakt en de recordset hebt toegevoegd, maakt u koppelingen die de detailpagina openen. Daarna wijzigt u de koppelingen zodat ze de id's doorgeven van de records die de gebruiker selecteert. Op de detailpagina wordt deze id gebruikt om de gevraagde record in de database te zoeken en weer te geven.

Opmerking:

Koppelingen naar updatepagina's maakt u met hetzelfde proces. De resultatenpagina komt overeen met de hoofdpagina, en de updatepagina komt overeen met een detailpagina.

De detailpagina openen en een record-id doorgeven (ColdFusion, PHP)

  1. Selecteer in de dynamische tabel de tijdelijke aanduiding voor tekst die als een koppeling zal dienen.
    Koppelingen die van toepassing zijn op de tijdelijke aanduiding voor tekst, zijn geselecteerd.

  2. Klik in de eigenschappencontrole op het mappictogram naast het vak Koppeling.
  3. Zoek en selecteer de detailpagina. De detailpagina wordt weergegeven in het vak Koppeling van de eigenschappencontrole.

    In de dynamische tabel wordt de geselecteerde tekst weergegeven als gekoppeld. Wanneer de pagina op de server wordt uitgevoerd, wordt de koppeling toegepast op de tekst in elke tabelrij.

  4. Selecteer op de hoofdpagina de koppeling in de dynamische tabel.
  5. (ColdFusion) In het vak Koppeling van de eigenschappencontrole voegt u de volgende tekenreeks aan het einde van de URL toe:
    ?recordID=#recordsetName.fieldName#

    Het vraagteken vertelt de server dat er na het vraagteken een of meer URL-parameters volgen. Het woord recordID is de naam van de URL-parameter (u mag ook een andere naam kiezen). Noteer de naam van de URL-parameter, want die gaat u later op de detailpagina gebruiken.

    De expressie na het gelijkteken is de waarde van de parameter. In dit geval wordt de waarde gegenereerd door een ColdFusion-expressie die een record-id uit de recordset retourneert. Voor elke rij in de dynamische tabel wordt een andere id gegenereerd. Vervang recordsetName in de ColdFusion-expressie door de naam van de recordset, en vervang fieldName door de naam van het veld in uw recordset dat elke record op unieke wijze identificeert. In de meeste gevallen bestaat het veld uit een record-id-nummer. In het volgende voorbeeld bestaat het veld uit unieke locatiecodes.

    locationDetail.cfm?recordID=#rsLocations.CODE#

    Wanneer de pagina wordt uitgevoerd, worden de waarden van het veld CODE van de recordset ingevoegd in de corresponderende rijen van de dynamische tabel. Als de verhuurlocatie Canberra, Australië bijvoorbeeld de code CBR heeft, wordt de volgende URL gebruikt in de rij Canberra van de dynamische tabel:

    locationDetail.cfm?recordID=CBR
  6. (PHP) In het veld Koppeling van de eigenschappencontrole voegt u de volgende tekenreeks aan het einde van de URL toe:
    ?recordID=<?php echo $row_recordsetName['fieldName']; ?>

    Het vraagteken vertelt de server dat er na het vraagteken een of meer URL-parameters volgen. Het woord recordID is de naam van de URL-parameter (u mag ook een andere naam gebruiken). Noteer de naam van de URL-parameter, want die gaat u later op de detailpagina gebruiken.

    De expressie na het gelijkteken is de waarde van de parameter. In dit geval wordt de waarde gegenereerd door een PHP-expressie die een record-id uit de recordset retourneert. Voor elke rij in de dynamische tabel wordt een andere id gegenereerd. Vervang recordsetName in de PHP-expressie door de naam van de recordset, en vervang fieldName door de naam van het veld in uw recordset dat elke record op unieke wijze identificeert. In de meeste gevallen bestaat het veld uit een record-id-nummer. In het volgende voorbeeld bestaat het veld uit unieke locatiecodes.

    locationDetail.php?recordID=<?php echo $row_rsLocations['CODE']; ?>

    Wanneer de pagina wordt uitgevoerd, worden de waarden van het veld CODE van de recordset ingevoegd in de corresponderende rijen van de dynamische tabel. Als de verhuurlocatie Canberra, Australië bijvoorbeeld de code CBR heeft, wordt de volgende URL gebruikt in de rij Canberra van de dynamische tabel:

    locationDetail.php?recordID=CBR
  7. Sla de pagina op.

De detailpagina openen en een record-id doorgeven (ASP)

  1. Selecteer de dynamische inhoud om als koppeling te kopiëren.
  2. Klik in het deelvenster Servergedrag (Venster > Servergedrag) op de plusknop (+) en kies Naar detailpagina in het pop-upmenu.
  3. Klik in het vak Detailpagina op Bladeren en zoek de pagina.
  4. Geef de waarde op die u aan de detailpagina wilt doorgeven door een recordset en een kolom te selecteren in de menu's Recordset en Kolom. Gewoonlijk is de waarde uniek voor de record, zoals de unieke sleutel-id van de record.
  5. Geef desgewenst bestaande paginaparameters aan de detailpagina door door de opties URL-parameters of Formulierparameters te selecteren.
  6. Klik op OK.

    De geselecteerde tekst wordt met een speciale koppeling omkaderd. Wanneer de gebruiker op de koppeling klikt, geeft het servergedrag 'Ga naar detailpagina' een URL-parameter met de record-id door aan de detailpagina. Als de URL-parameter bijvoorbeeld id is genoemd en de detailpagina customerdetail.asp is genoemd, ziet de URL er ongeveer als volgt uit wanneer de gebruiker op de koppeling klikt:

    http://www.mysite.com/customerdetail.asp?id=43

    Het eerste deel van de URL, http://www.mysite.com/customerdetail.asp, opent de detailpagina. Het tweede deel, ?id=43, is de URL-parameter. Deze vertelt de detailpagina welke record moet worden opgehaald en weergegeven. De term id is de naam van de URL-parameter en 43 is de waarde daarvan. In dit voorbeeld bevat de URL-parameter het id-nummer van de record, 43.

De gevraagde record zoeken en op de detailpagina weergeven

Om de record te kunnen weergeven die door de hoofdpagina is opgevraagd, moet u een recordset definiëren om een enkele record vast te houden en de recordsetkolommen aan de detailpagina binden.

  1. Schakel over naar de detailpagina. Als u nog geen detailpagina hebt, maakt u een lege pagina (Bestand > Nieuw).
  2. Klik in het paneel Bindingen (Venster > Bindingen) op de plusknop (+) en kies Recordset (Query) of Gegevensset (Query) in het pop-upmenu.

    Het dialoogvenster Eenvoudige recordset of gegevensset wordt geopend. Als het geavanceerde dialoogvenster wordt geopend, klikt u op Eenvoudig.

  3. Geef de recordset een naam, en selecteer een gegevensbron en de databasetabel waaruit de recordset de gegevens moet ophalen.
  4. Selecteer in het gebied Kolommen de tabelkolommen die u in de recordset wilt opnemen.

    De recordset kan gelijk zijn aan de recordset op de hoofdpagina. Dat is echter niet noodzakelijk. Gewoonlijk heeft een recordset voor een detailpagina meerdere kolommen om meer details weer te geven.

    Als de recordsets verschillend zijn, moet u ervoor zorgen dat de recordset op de detailpagina minstens één kolom gemeenschappelijk heeft met de recordset op de hoofdpagina. De gemeenschappelijke kolom is gewoonlijk de kolom met de record-id, maar het kan ook het join-veld van gerelateerde tabellen zijn.

    Als u slechts enkele tabelkolommen in de recordset wilt opnemen, klikt u op Geselecteerd en kiest u de gewenste kolommen door op de kolommen in de lijst te klikken terwijl u Control (Windows) of Command (Macintosh) ingedrukt houdt.

  5. Vul de sectie Filter in om de record te zoeken en weer te geven die is opgegeven in de URL-parameter die door de hoofdpagina is doorgegeven:
    • Selecteer in het eerste pop-upmenu in het gebied Filter de kolom in de recordset met waarden die overeenkomen met de waarde van de URL-parameter die door de hoofdpagina is doorgegeven. Als de URL-parameter bijvoorbeeld een record-id-nummer bevat, selecteert u de kolom die record-id-nummers bevat. In het eerder besproken voorbeeld bevat de recordsetkolom CODE de waarden die overeenkomen met de waarde van de URL-parameter die door de hoofdpagina is doorgegeven.

    • Selecteer in het pop-upmenu naast het eerste menu het gelijkteken (dit moet al zijn geselecteerd).

    • Selecteer in het derde pop-upmenu de optie URL-parameter. De hoofdpagina gebruikt een URL-parameter om informatie door te geven aan de detailpagina.

    • Voer in het vierde vak de naam in van de URL-parameter die de hoofdpagina heeft doorgegeven.

  6. Klik op OK. De recordset wordt in het paneel Bindingen weergegeven.
  7. Koppel de recordsetkolommen aan de detailpagina door de kolommen in het paneel Bindingen (Venster > Bindingen) te selecteren, en ze naar de pagina te slepen.

    Wanneer u zowel de hoofdpagina als de detailpagina op de server hebt geladen, kunt u de hoofdpagina in een browser openen. Wanneer u op een detailkoppeling op de hoofdpagina klikt, wordt de detailpagina geopend met meer informatie over de geselecteerde record.

Een specifieke record zoeken en op een pagina weergeven (ASP)

U kunt servergedrag toevoegen waarmee wordt gezocht naar een specifieke record, zodat u de recordgegevens op de pagina kunt weergeven. Het servergedrag is alleen beschikbaar wanneer het ASP-servermodel wordt gebruikt.

  1. Maak een pagina die aan de volgende voorwaarden voldoet:
  2. U kunt het servergedrag voor het zoeken naar de record die is opgegeven in de URL-parameter, toevoegen door te klikken op de plusknop (+) in het paneel Servergedrag (Window > Servergedrag) en Recordset pagineren > Ga naar specifiek record.
  3. Selecteer in het pop-upmenu 'Ga naar record in' de recordset die u voor de pagina hebt gedefinieerd.
  4. Selecteer in het pop-upmenu Waarbij-kolom de kolom die de waarde bevat die door de andere pagina is doorgegeven.

    Als de andere pagina bijvoorbeeld een record-id-nummer doorgeeft, selecteert u de kolom die record-id-nummers bevat.

  5. Voer in het vak Komt overeen met URL-parameter de naam in van de URL-parameter die door de andere pagina is doorgegeven.

    Als de bijvoorbeeld de URL die de andere pagina heeft gebruikt om de detailpagina te openen, id=43 is, voert u in het vak Komt overeen met URL-parameter de tekst id in.

  6. Klik op OK.

    Wanneer de pagina een volgende keer door een browser wordt opgevraagd, leest het servergedrag de record-id in de URL-parameter die door de andere pagina is doorgegeven, en wordt de opgegeven record in de recordset opgehaald.

In één bewerking hoofd- en detailpagina's maken

Wanneer u webtoepassingen ontwikkelt, kunt u met het gegevensobject Hoofddetailpaginaset snel hoofd- en detailpagina's maken.

  1. Kies Bestand > Nieuw > Lege pagina, selecteer in de lijst Paginatype een dynamische pagina en klik op Maken om een lege dynamische pagina te maken.

    Deze pagina wordt de hoofdpagina.

  2. Definieer een recordset voor de pagina.

    Zorg ervoor dat de recordset niet alleen alle kolommen bevat die u voor de hoofdpagina nodig hebt, maar ook alle kolommen die u voor de detailpagina nodig hebt. Gewoonlijk haalt de recordset op de hoofdpagina enkele kolommen uit een database terwijl de recordset op de detailpagina meer kolommen uit dezelfde tabel ophaalt om de extra details te kunnen geven.

  3. Open de hoofdpagina in de ontwerpweergave en selecteer Invoegen > Gegevensobjecten > Hoofddetailpaginaset.
  4. Controleer in het pop-upmenu Recordset of de recordset is geselecteerd die de records bevat die u op de hoofdpagina wilt weergeven.
  5. Selecteer in het gebied Hoofdpaginavelden de recordsetkolommen die u op de hoofdpagina wilt weergeven.

    Standaard zijn alle kolommen in de recordset geselecteerd. Als uw recordset een kolom met een unieke sleutel bevat, zoals recordID, selecteert u deze kolom en klikt u op de minknop (-), zodat deze kolom niet op de pagina wordt weergegeven.

  6. Als u de volgorde wilt veranderen waarin de kolommen op de hoofdpagina worden weergegeven, selecteert u een kolom in de lijst en klikt u op de pijl-omhoog of -omlaag.

    Op de hoofdpagina worden de recordsetkolommen horizontaal in een tabel weergegeven. Klik op de pijl-omhoog om de kolom naar links te verplaatsen en klik op de pijl-omlaag om de kolom naar rechts te verplaatsen.

  7. Selecteer in het pop-upmenu 'Naar detailpagina gaan vanuit' de kolom in de recordset die een waarde weergeeft die ook als een koppeling naar de detailpagina fungeert.

    Als u bijvoorbeeld wilt dat elke productnaam op de hoofdpagina een koppeling bevat naar de detailpagina, selecteert u de recordsetkolom die de productnamen bevat.

  8. Selecteer in het pop-upmenu Unieke sleutel doorgeven de kolom in de recordset die de waarden bevat die de records identificeren.

    Gewoonlijk wordt de kolom met het record-id-nummer gekozen. Deze waarde wordt aan de detailpagina doorgegeven zodat deze weet welke record door de gebruiker is gekozen.

  9. Schakel de optie Numeriek uit als de kolom met de unieke sleutel niet numeriek is.
    Opmerking:

    Deze optie is standaard ingeschakeld, en wordt niet voor alle servermodellen weergegeven.

  10. Geef op hoeveel records op de hoofdpagina moeten worden weergegeven.
  11. Klik in het vak Naam van detailpagina op Bladeren en zoek het detailpaginabestand dat u hebt gemaakt, of voer een naam in en laat het gegevensobject een detailpagina voor u maken.
  12. Selecteer in het gebied Detailpaginavelden de kolommen die u op de detailpagina wilt weergeven.

    Standaard zijn alle kolommen in de recordset van de hoofdpagina geselecteerd. Als de recordset een kolom met een unieke sleutel bevat, zoals recordID, selecteert u deze kolom en klikt u op de minknop (-), zodat deze kolom niet op de detailpagina wordt weergegeven.

  13. Als u de volgorde wilt veranderen waarin de kolommen op de detailpagina worden weergegeven, selecteert u een kolom in de lijst en klikt u op de pijl-omhoog of -omlaag.

    Op de detailpagina worden de recordsetkolommen verticaal in een tabel geplaatst. Klik op de pijl-omhoog om de kolom naar boven te verplaatsen, en klik op de pijl-omlaag om de kolom naar beneden te verplaatsen.

  14. Klik op OK.

    Het gegevensobject maakt een detailpagina (als u er nog geen had gemaakt) en voegt dynamische inhoud en servergedrag aan zowel de hoofd- als de detailpagina toe.

  15. Pas de indeling van de hoofd- en detailpagina's aan uw behoeften aan.

    U kunt de indeling van elke pagina geheel aanpassen met behulp van de pagina-ontwerpgereedschappen van Dreamweaver. U kunt ook het servergedrag bewerken door er in het paneel Servergedrag op te dubbelklikken.

    Wanneer u de hoofd- en detailpagina's met het gegevensobject hebt gemaakt, gebruikt u het paneel Servergedrag (Venster > Servergedrag) om de diverse elementen te wijzigen die het gegevensobject op de pagina's invoegt.

Adobe-logo

Aanmelden bij je account