Handboek Annuleren

Pagina's voor het verwijderen van records maken in Dreamweaver

  1. Dreamweaver Handboek
  2. Inleiding
    1. Basisbeginselen van responsief webontwerp
    2. Nieuwe functies in Dreamweaver
    3. Webontwikkeling met Dreamweaver: een overzicht
    4. Dreamweaver / Algemene vragen
    5. Sneltoetsen
    6. Systeemvereisten voor Dreamweaver
    7. Functieoverzicht
  3. Dreamweaver en Creative Cloud
    1. Dreamweaver-instellingen synchroniseren met Creative Cloud
    2. Creative Cloud Libraries in Dreamweaver
    3. Photoshop-bestanden gebruiken in Dreamweaver
    4. Werken met Adobe Animate en Dreamweaver
    5. Voor het web geoptimaliseerde SVG-bestanden uit Libraries extraheren
  4. De werkruimten en weergaven van Dreamweaver
    1. De werkruimte van Dreamweaver
    2. De werkruimte van Dreamweaver optimaliseren voor visuele ontwikkeling
    3. Bestanden zoeken op bestandsnaam of inhoud | Mac OS
  5. Sites opzetten
    1. Over Dreamweaver-sites
    2. Een lokale versie van uw site instellen
    3. Verbinding maken met een publicatieserver
    4. Een testserver instellen
    5. Instellingen van Dreamweaver-sites importeren en exporteren
    6. Bestaande websites overzetten van een externe server naar de hoofdmap van uw lokale site
    7. Toegankelijkheidsfuncties in Dreamweaver
    8. Geavanceerde instellingen
    9. Sitevoorkeuren instellen voor het overzetten van bestanden
    10. Proxyserverinstellingen opgeven in Dreamweaver
    11. Dreamweaver-instellingen synchroniseren met Creative Cloud
    12. Git gebruiken in Dreamweaver
  6. Bestanden beheren
    1. Bestanden maken en openen
    2. Bestanden en mappen beheren
    3. Bestanden van uw server ophalen en op uw server plaatsen
    4. Bestanden inchecken en uitchecken
    5. Bestanden synchroniseren
    6. Bestanden vergelijken om verschillen op te sporen
    7. Bestanden en mappen op uw Dreamweaver-site camoufleren
    8. Ontwerpnotities inschakelen voor Dreamweaver-sites
    9. Potentieel misbruik van Gatekeeper voorkomen
  7. Lay-out en ontwerp
    1. Visuele lay-outhulpmiddelen gebruiken
    2. Uw pagina opmaken met CSS
    3. Responsieve websites ontwerpen met Bootstrap
    4. Mediaquery's maken en gebruiken in Dreamweaver
    5. Inhoud in tabellen presenteren
    6. Kleuren
    7. Responsive design met dynamische rasterlay-outs
    8. Extract in Dreamweaver
  8. CSS
    1. Informatie over CSS (Cascading Style Sheets)
    2. Pagina's opmaken met CSS ontwerpen
    3. CSS-preprocessors gebruiken in Dreamweaver
    4. CSS-stijlvoorkeuren instellen in Dreamweaver
    5. CSS-regels verplaatsen in Dreamweaver
    6. Inline CSS converteren naar een CSS-regel in Dreamweaver
    7. Werken met div-tags
    8. Verlopen toepassen op een achtergrond
    9. CSS3-overgangseffecten maken en bewerken in Dreamweaver
    10. Code opmaken
  9. Pagina-inhoud en assets
    1. Pagina-eigenschappen instellen
    2. Eigenschappen voor CSS-koppen en CSS-koppelingen
    3. Werken met tekst
    4. Tekst, tags en kenmerken zoeken en vervangen
    5. Het deelvenster DOM
    6. Bewerken in Live View
    7. Documenten coderen in Dreamweaver
    8. Elementen selecteren en weergeven in het documentvenster
    9. Teksteigenschappen instellen in de eigenschappencontrole
    10. Spelling op een webpagina controleren
    11. Horizontale lijnen gebruiken in Dreamweaver
    12. Lettertypecombinaties toevoegen en aanpassen in Dreamweaver
    13. Werken met assets
    14. Datums in Dreamweaver invoegen en bijwerken
    15. Favoriete assets maken en beheren in Dreamweaver
    16. Afbeeldingen invoegen en bewerken in Dreamweaver
    17. Mediaobjecten toevoegen
    18. Video's toevoegen in Dreamweaver
    19. HTML5-video invoegen
    20. SWF-bestanden invoegen
    21. Audio-effecten toevoegen
    22. HTML5-audio invoegen in Dreamweaver
    23. Werken met bibliotheekitems
    24. Arabische en Hebreeuwse tekst gebruiken in Dreamweaver
  10. Koppelingen en navigatie
    1. Over koppelingen en navigatie
    2. Koppelingen
    3. Afbeeldingen met hyperlinks
    4. Problemen met koppelingen oplossen
  11. jQuery-widgets en -effecten
    1. De jQuery-gebruikersinterface en mobiele widgets in Dreamweaver gebruiken
    2. jQuery-effecten gebruiken in Dreamweaver
  12. Websites coderen
    1. Over coderen in Dreamweaver
    2. Coderingsomgeving in Dreamweaver
    3. Coderingsvoorkeuren instellen
    4. Codekleuren aanpassen
    5. Code schrijven en bewerken
    6. Coderingstips en codevoltooiing
    7. Code samenvouwen en uitvouwen
    8. Code hergebruiken met codefragmenten
    9. Linting voor code gebruiken
    10. Code optimaliseren
    11. Code bewerken in de ontwerpweergave
    12. Werken met de kopinhoud van pagina's
    13. Include-bestanden op de server invoegen in Dreamweaver
    14. Tagbibliotheken gebruiken in Dreamweaver
    15. Aangepaste tags importeren in Dreamweaver
    16. JavaScript-gedrag gebruiken (algemene instructies)
    17. Ingebouwd JavaScript-gedrag toepassen
    18. Over XML en XSLT
    19. XSL-transformaties op de server uitvoeren in Dreamweaver
    20. XSL-transformaties op de client uitvoeren in Dreamweaver
    21. Tekenentiteiten toevoegen voor XSLT in Dreamweaver
    22. Code opmaken
  13. Productonafhankelijke workflows
    1. Extensies in Dreamweaver installeren en gebruiken
    2. In-app updates in Dreamweaver
    3. Microsoft Office-documenten invoegen in Dreamweaver (alleen Windows)
    4. Werken met Fireworks en Dreamweaver
    5. Inhoud bewerken op Dreamweaver-sites met behulp van Contribute
    6. Integratie van Dreamweaver met Business Catalyst
    7. Persoonlijke e-mailcampagnes maken
  14. Sjablonen
    1. Over Dreamweaver-sjablonen
    2. Sjablonen en op een sjabloon gebaseerde documenten herkennen
    3. Een Dreamweaver-sjabloon maken
    4. Bewerkbare gebieden maken in sjablonen
    5. Herhalingsgebieden en tabellen maken in Dreamweaver
    6. Optionele gebieden in sjablonen gebruiken
    7. Bewerkbare tagkenmerken in Dreamweaver definiëren
    8. Geneste sjablonen maken in Dreamweaver
    9. Sjablonen bewerken, bijwerken en verwijderen
    10. XML-inhoud exporteren en importeren in Dreamweaver
    11. Een sjabloon uit een bestaand document toepassen of verwijderen
    12. Inhoud bewerken in Dreamweaver-sjablonen
    13. Syntaxisregels voor sjabloontags in Dreamweaver
    14. Voorkeuren voor de markering van sjabloongebieden instellen
    15. Voordelen van het gebruik van sjablonen in Dreamweaver
  15. Mobiel en meerdere schermen
    1. Mediaquery's maken
    2. Paginastand voor mobiele apparaten wijzigen
    3. Web-apps voor mobiele apparaten maken met Dreamweaver
  16. Dynamische sites, pagina's en webformulieren
    1. Informatie over web-applicaties
    2. Uw computer instellen voor het ontwikkelen van applicaties
    3. Problemen met databaseverbindingen oplossen
    4. Verbindingsscripts verwijderen in Dreamweaver
    5. Dynamische pagina's ontwerpen
    6. Overzicht van dynamische inhoudsbronnen
    7. Bronnen met dynamische inhoud definiëren
    8. Dynamische inhoud toevoegen aan pagina's
    9. Dynamische inhoud wijzigen in Dreamweaver
    10. Databaserecords weergeven
    11. Livegegevens leveren en problemen oplossen Dreamweaver
    12. Aangepast servergedrag toevoegen in Dreamweaver
    13. Formulieren maken met Dreamweaver
    14. Formulieren gebruiken om informatie van gebruikers te verzamelen
    15. ColdFusion-formulieren maken en inschakelen in Dreamweaver
    16. Webformulieren maken
    17. Verbeterde HTML5-ondersteuning voor formulierelementen
    18. Een formulier ontwikkelen met Dreamweaver
  17. Applicaties visueel samenstellen
    1. Hoofd- en detailpagina's maken in Dreamweaver
    2. Zoekpagina's en resultatenpagina's maken
    3. Een pagina voor het invoegen van records maken
    4. Een pagina voor het bijwerken van records maken in Dreamweaver
    5. Pagina's voor het verwijderen van records maken in Dreamweaver
    6. ASP-opdrachten gebruiken om een database aan te passen in Dreamweaver
    7. Een registratiepagina maken
    8. Een aanmeldingspagina maken
    9. Een pagina maken waartoe alleen geautoriseerde gebruikers toegang hebben
    10. Mappen beveiligen in ColdFusion met Dreamweaver
    11. ColdFusion-componenten gebruiken in Dreamweaver
  18. Websites testen, voorvertonen en publiceren
    1. Pagina's voorvertonen
    2. Dreamweaver-webpagina's voorvertonen op meerdere apparaten
    3. Uw Dreamweaver-site testen

 

Lees hoe u een pagina voor het verwijderen van records maakt in Dreamweaver, zodat gebruikers records in een database kunnen verwijderen.

Opmerking:

De gebruikersinterface van nieuwere versies van Dreamweaver is vereenvoudigd. Daarom zijn sommige opties die in dit artikel worden beschreven, niet beschikbaar in nieuwere versies van Dreamweaver. Meer informatie vindt u in dit artikel.

Over pagina's voor het verwijderen van records

Uw toepassing kan een set pagina's bevatten waarmee gebruikers bestaande records in een databasetabel kunnen verwijderen. De pagina's bestaan gewoonlijk uit een zoekpagina, een resultatenpagina en een verwijderpagina. Een verwijderpagina is gewoonlijk een detailpagina die in combinatie met een resultatenpagina werkt. Met de zoek- en resultatenpagina kan de gebruiker de record ophalen, en met de verwijderpagina kan de gebruiker de record bevestigen en verwijderen.

Wanneer u de zoek- en resultatenpagina's hebt gemaakt, kunt u koppelingen op de resultatenpagina toevoegen om de verwijderpagina te openen en vervolgens een verwijderpagina samenstellen waarop de records en een knop Verzenden worden weergegeven.

De te verwijderen record zoeken

Wanneer gebruikers een record willen verwijderen, moeten ze die record eerst in de database vinden. U hebt dus een zoek- en resultatenpagina nodig om de verwijderpagina te kunnen gebruiken. De gebruiker voert zoekcriteria op de zoekpagina in en selecteert de record op de resultatenpagina. Wanneer de gebruiker op de record klikt, wordt de verwijderpagina geopend en wordt de record in een HTML-formulier weergegeven.

Koppelingen maken naar een verwijderpagina

Wanneer u de zoek- en resultatenpagina's hebt gemaakt, moet u koppelingen aan de resultatenpagina's toevoegen om de verwijderpagina te kunnen openen. Daarna wijzigt u de koppelingen zodat ze de id's doorgeven van de records die de gebruiker wil verwijderen. De verwijderpagina gebruikt deze id om de record te zoeken en te verwijderen.

  1. Maak op de resultatenpagina een kolom in de tabel die wordt gebruikt om records weer te geven. Daartoe klikt u in de laatste tabelkolom en kiest u Wijzigen > Tabel > Rijen of kolommen invoegen.
  2. Selecteer de optie Kolommen en de optie Na huidige kolom, en klik op OK.

    Er wordt een kolom aan de tabel toegevoegd.

  3. Voer in de rij met de tijdelijke aanduidingen voor dynamische inhoud van de zojuist gemaakte tabelkolom de tekenreeks Delete in. Zorg ervoor dat u de tekenreeks invoert in het herhalingsgebied met tabs.

    U kunt ook een afbeelding met een woord of symbool invoegen om te verwijderen.

  4. Selecteer de tekenreeks Delete om er een koppeling op toe te passen.
  5. Voer in de eigenschappencontrole de verwijderpagina in het vak Koppeling in. U kunt elke gewenste bestandsnaam invoeren.

    Nadat u buiten het vak Koppeling hebt geklikt, wordt de tekenreeks Delete als een koppeling in de tabel weergegeven. Als u Live View inschakelt, ziet u dat de koppeling is toegepast op dezelfde tekst in elke tabelrij.

  6. Selecteer de koppeling Verwijderen op de resultatenpagina.
  7. (ColdFusion) In het vak Koppeling van de eigenschappencontrole voegt u de volgende tekenreeks aan het einde van de URL toe:
    ?recordID=#recordsetName.fieldName#

    Het vraagteken vertelt de server dat er na het vraagteken een of meer URL-parameters volgen. Het woord recordID is de naam van de URL-parameter (u mag ook een andere naam kiezen). Noteer de naam van de URL-parameter, want die gaat u later op de verwijderpagina gebruiken.

    De expressie na het gelijkteken is de waarde van de parameter. In dit geval wordt de waarde gegenereerd door een ColdFusion-expressie die een record-id uit de recordset retourneert. Voor elke rij in de dynamische tabel wordt een andere id gegenereerd. Vervang recordsetName in de ColdFusion-expressie door de naam van de recordset, en vervang fieldName door de naam van het veld in uw recordset dat elke record op unieke wijze identificeert. In de meeste gevallen bestaat het veld uit een record-id-nummer. In het volgende voorbeeld bestaat het veld uit unieke locatiecodes:

    confirmDelete.cfm?recordID=#rsLocations.CODE#

    Wanneer de pagina wordt uitgevoerd, worden de waarden van het veld CODE van de recordset ingevoegd in de corresponderende rijen van de dynamische tabel. Als de verhuurlocatie Canberra, Australië bijvoorbeeld de code CBR heeft, wordt de volgende URL gebruikt in de rij Canberra van de dynamische tabel:

    confirmDelete.cfm?recordID=CBR
  8. (PHP) In het veld Koppeling van de eigenschappencontrole voegt u de volgende tekenreeks aan het einde van de URL toe:
    ?recordID=<?php echo $row_recordsetName['fieldName']; ?>

    Het vraagteken vertelt de server dat er na het vraagteken een of meer URL-parameters volgen. Het woord recordID is de naam van de URL-parameter (u mag ook een andere naam kiezen). Noteer de naam van de URL-parameter, want die gaat u later op de verwijderpagina gebruiken.

    De expressie na het gelijkteken is de waarde van de parameter. In dit geval wordt de waarde gegenereerd door een PHP-expressie die een record-id uit de recordset retourneert. Voor elke rij in de dynamische tabel wordt een andere id gegenereerd. Vervang recordsetName in de PHP-expressie door de naam van de recordset, en vervang fieldName door de naam van het veld in uw recordset dat elke record op unieke wijze identificeert. In de meeste gevallen bestaat het veld uit een record-id-nummer. In het volgende voorbeeld bestaat het veld uit unieke locatiecodes:

    confirmDelete.php?recordID=<?php echo $row_rsLocations['CODE']; ?>

    Wanneer de pagina wordt uitgevoerd, worden de waarden van het veld CODE van de recordset ingevoegd in de corresponderende rijen van de dynamische tabel. Als de verhuurlocatie Canberra, Australië bijvoorbeeld de code CBR heeft, wordt de volgende URL gebruikt in de rij Canberra van de dynamische tabel:

    confirmDelete.php?recordID=CBR
  9. (ASP) In het veld Koppeling van de eigenschappencontrole voegt u de volgende tekenreeks aan het einde van de URL toe:
    ?recordID=<%=(recordsetName.Fields.Item("fieldName").Value)%>

    Het vraagteken vertelt de server dat er na het vraagteken een of meer URL-parameters volgen. Het woord recordID is de naam van de URL-parameter (u mag ook een andere naam kiezen). Noteer de naam van de URL-parameter, want die gaat u later op de verwijderpagina gebruiken.

    De expressie na het gelijkteken is de waarde van de parameter. In dit geval wordt de waarde gegenereerd door een ASP-expressie die een record-id uit de recordset retourneert. Voor elke rij in de dynamische tabel wordt een andere id gegenereerd. Vervang recordsetName in de ASP-expressie door de naam van de recordset, en vervang fieldName door de naam van het veld in uw recordset dat elke record op unieke wijze identificeert. In de meeste gevallen bestaat het veld uit een record-id-nummer. In het volgende voorbeeld bestaat het veld uit unieke locatiecodes:

    confirmDelete.asp?recordID=<%=(rsLocations.Fields.Item("CODE").Value)%>

    Wanneer de pagina wordt uitgevoerd, worden de waarden van het veld CODE van de recordset ingevoegd in de corresponderende rijen van de dynamische tabel. Als de verhuurlocatie Canberra, Australië bijvoorbeeld de code CBR heeft, wordt de volgende URL gebruikt in de rij Canberra van de dynamische tabel:

    confirmDelete.asp?recordID=CBR
  10. Sla de pagina op.
  1. Maak op de resultatenpagina een kolom in de tabel die wordt gebruikt om records weer te geven. Daartoe klikt u in de laatste tabelkolom en kiest u Wijzigen > Tabel > Rijen of kolommen invoegen.
  2. Selecteer de optie Kolommen en de optie Na huidige kolom, en klik op OK.

    Er wordt een kolom aan de tabel toegevoegd.

  3. Voer in de rij met de tijdelijke aanduidingen voor dynamische inhoud van de zojuist gemaakte tabelkolom de tekenreeks Delete in. Zorg ervoor dat u de tekenreeks invoert in het herhalingsgebied met tabs.

    U kunt ook een afbeelding met een woord of symbool invoegen om te verwijderen.

  4. Selecteer de tekenreeks Delete om er een koppeling op toe te passen.
  5. Klik in het deelvenster Servergedrag (Venster > Servergedrag) op de plusknop (+) en kies Naar detailpagina in het pop-upmenu.
  6. Klik in het vak Detailpagina op Bladeren en zoek de verwijderpagina.
  7. Geef in het vak URL-parameter doorgeven de naam van de parameter op, bijvoorbeeld recordID.

    U kunt elke gewenste naam opgeven, maar noteer de naam, want u gaat deze later op de verwijderpagina gebruiken.

  8. Geef de waarde op die u aan de verwijderpagina wilt doorgeven door een recordset en een kolom te selecteren in de menu's Recordset en Kolom. Gewoonlijk is de waarde uniek voor de record, zoals de unieke sleutel-id van de record.
  9. Selecteer de optie URL-parameters.
  10. Klik op OK.

    De geselecteerde tekst wordt met een speciale koppeling omkaderd. Wanneer de gebruiker op de koppeling klikt, geeft het servergedrag Ga naar detailpagina een URL-parameter met de record-id door aan de opgegeven verwijderpagina. Als de URL-parameter bijvoorbeeld recordID heet en de verwijderpagina confirmdelete.asp, ziet de URL er ongeveer als volgt uit wanneer de gebruiker op de koppeling klikt:

    http://www.mysite.com/confirmdelete.asp?recordID=43

    Het eerste deel van de URL, http://www.mysite.com/confirmdelete.asp, opent de verwijderpagina. Het tweede deel, ?recordID=43, is de URL-parameter. Deze vertelt de verwijderpagina welke record moet worden opgehaald en weergegeven. De term recordID is de naam van de URL-parameter en 43 is de waarde daarvan. In dit voorbeeld bevat de URL-parameter het id-nummer van de record, 43.

De verwijderpagina samenstellen

Schakel naar de verwijderpagina wanneer u de pagina hebt voltooid waarop de records worden vermeld. De verwijderpagina toont de record en de gebruiker wordt gevraagd of deze record mag worden verwijderd. Wanneer de gebruiker de bewerking bevestigt door op de formulierknop te klikken, verwijdert de webtoepassing de record uit de database.

Het samenstellen van deze pagina bestaat uit het maken van een HTML-formulier, het ophalen van de record die in het formulier moet worden weergegeven, het weergeven van de record in het formulier, en het toevoegen van de instructies om de record uit de database te verwijderen. Het ophalen en weergeven van de record bestaat uit het definiëren van een recordset die een enkele record bevat (de record die de gebruiker wil verwijderen) en het koppelen van de recordsetkolommen aan het formulier.

Opmerking:

De verwijderpagina kan slechts één servergedrag voor het bewerken van records tegelijk bevatten. U kunt bijvoorbeeld niet zowel een servergedrag Record invoegen als een servergedrag Record bijwerken aan de verwijderpagina toevoegen.

Een HTML-formulier maken om de record weer te geven

  1. Maak een pagina en sla deze op als de verwijderpagina die u in de vorige sectie hebt opgegeven.

    U hebt een verwijderpagina opgegeven toen u in de vorige sectie de koppeling Verwijderen hebt gemaakt. Gebruik deze naam wanneer u het bestand de eerste keer opslaat (bijvoorbeeld deleteConfirm.cfm).

  2. Voeg een HTML-formulier op de pagina in (Invoegen > Formulier > Formulier).
  3. Voeg een verborgen formulierveld aan het formulier toe.

    Het verborgen formulierveld is nodig om de record-id op te slaan die door de URL-parameter wordt doorgegeven. U voegt een verborgen veld toe door de invoegpositie in het formulier te plaatsen en Invoegen > Formulier > Verborgen veld te kiezen.

  4. Voeg een knop aan het formulier toe.

    De gebruiker zal straks op de knop klikken om de weergegeven record te bevestigen en te verwijderen. U voegt een knop toe door de invoegpositie in het formulier te plaatsen en Invoegen > Formulier > Knop te kiezen.

  5. Pas het ontwerp van de pagina desgewenst aan en sla de pagina op.

De record ophalen die de gebruiker wil verwijderen

  1. Klik in het paneel Bindingen (Venster > Bindingen) op de plusknop (+) en kies Recordset (Query) in het pop-upmenu.

    Het dialoogvenster Eenvoudige recordset of gegevensset wordt geopend. Als het dialoogvenster Geavanceerde recordset wordt geopend, klikt u op Eenvoudig.

  2. Geef de recordset een naam, en selecteer een gegevensbron en de databasetabel die de records bevat die de gebruikers kunnen verwijderen.
  3. Selecteer in het gebied Kolommen de tabelkolommen (recordvelden) die u op de pagina wilt weergeven.

    Als u slechts enkele velden van de record wilt weergeven, klikt u op Geselecteerd en kiest u de gewenste velden door op de kolommen in de lijst te klikken terwijl u Control (Windows) of Command (Macintosh) ingedrukt houdt.

    Zorg ervoor dat u ook het veld met de record-id selecteert, zelfs als u dit veld niet wilt weergeven.

  4. Vul de sectie Filter als volgt in om de record te zoeken en weer te geven die is opgegeven in de URL-parameter die door de resultatenpagina is doorgegeven:
    • Selecteer in het eerste pop-upmenu in het gebied Filter de kolom in de recordset met waarden die overeenkomen met de waarde van de URL-parameter die door de pagina met de koppelingen Verwijderen is doorgegeven. Als de URL-parameter bijvoorbeeld een record-id-nummer bevat, selecteert u de kolom die record-id-nummers bevat. In het eerder besproken voorbeeld bevat de recordsetkolom CODE de waarden die overeenkomen met de waarde van de URL-parameter die door de pagina met de verwijderkoppelingen is doorgegeven.

    • Selecteer in het pop-upmenu naast het eerste menu het gelijkteken als dit nog niet is geselecteerd.

    • Selecteer in het derde pop-upmenu de optie URL-parameter. De pagina met de verwijderkoppelingen gebruikt een URL-parameter om informatie aan de verwijderpagina door te geven.

    • Voer in het vierde vak de naam in van de URL-parameter die de pagina met de verwijderkoppelingen heeft doorgegeven.

       

    Dialoogvenster Recordset
    Dialoogvenster Recordset

  5. Klik op OK.

    De recordset wordt in het paneel Bindingen weergegeven.

De record weergeven die de gebruiker wil verwijderen

  1. Selecteer de recordsetkolommen (recordvelden) in het paneel Bindingen en sleep ze naar de verwijderpagina.

    Zorg ervoor dat u deze dynamische alleen-lezeninhoud binnen de grenzen van het formulier invoegt. ZieTekst dynamisch maken voor meer informatie over het invoegen van dynamische inhoud op een pagina.

    Vervolgens moet u de kolom met de record-id aan het verborgen formulierveld koppelen.

  2. Zorg ervoor dat Onzichtbare elementen is ingeschakeld (Weergave > Visuele hulpmiddelen > Onzichtbare elementen) en klik vervolgens op het pictogram met het gele schild dat het verborgen formulierveld vertegenwoordigt.

    Het verborgen formulierveld is geselecteerd.

  3. Klik in de eigenschappencontrole op het pictogram met de bliksemflits naast het vak Waarde.
  4. Selecteer in het dialoogvenster Dynamische gegevens de kolom met de record-id in de recordset.

    In het volgende voorbeeld bevat de kolom Code met record-id's unieke opslagcodes.

    De kolom met de record-id is geselecteerd
    De kolom met de record-id is geselecteerd

  5. Klik op OK en sla de pagina op.
    Verwijderpagina is voltooid
    Verwijderpagina is voltooid

Instructies toevoegen om de record te verwijderen

Wanneer de geselecteerde record op de verwijderpagina is weergegeven, moet u instructies aan de pagina toevoegen om de record uit de database te verwijderen wanneer de gebruiker op de knop Verwijdering bevestigen klikt. U kunt deze instructies snel en eenvoudig toevoegen met het servergedrag Record verwijderen.

Een servergedrag toevoegen om de record te verwijderen (ColdFusion, PHP)

  1. Zorg ervoor dat de ColdFusion- of PHP-verwijderpagina is geopend in Dreamweaver.
  2. Klik in het deelvenster Servergedrag (Venster > Servergedrag) op de plusknop (+) en selecteer Record verwijderen.
  3. Zorg ervoor dat de optie 'Waarde van primaire sleutel' is ingeschakeld in het vak 'Eerst controleren of variabele is gedefinieerd'.

    Verderop in dit dialoogvenster geeft u de waarde van de primaire sleutel op.

  4. Selecteer in het pop-upmenu Verbinding of Gegevensbron (ColdFusion) een verbinding met de database zodat het servergedrag een verbinding met de desbetreffende database tot stand kan brengen.
  5. Selecteer in het pop-upmenu Tabel de databasetabel die de te verwijderen records bevat.
  6. Selecteer in het pop-upmenu 'Kolom primaire sleutel' de tabelkolom die de record-id's bevat.

    Het servergedrag Record verwijderen zoekt in deze kolom naar een overeenkomst. De kolom moet dezelfde record-id-gegevens bevatten als de recordsetkolom die u hebt gekoppeld aan het verborgen formulierveld op de pagina.

    Als de record-id numeriek is, selecteert u de optie Numeriek.

  7. (PHP) Selecteer in het menu 'Waarde primaire sleutel' de variabele op de pagina die de record-id bevat die de te verwijderen record identificeert.

    De variabele wordt gemaakt door het verborgen formulierveld. De variabele heeft dezelfde naam als het naamkenmerk van het verborgen veld en is, afhankelijk van het methodekenmerk van het formulier, een formulier- of een URL-parameter.

  8. Geef in het vak 'Ga na verwijderen naar' of het vak 'Ga bij succes naar' een pagina op die moet worden geopend nadat de record is verwijderd uit de databasetabel.

    U kunt een pagina opgeven die een kort bericht van slagen weergeeft, of een pagina met een overzicht van de resterende records zodat de gebruiker kan zien dat de record is verwijderd.

    Het dialoogvenster Record verwijderen
    Het dialoogvenster Record verwijderen

  9. Klik op OK om uw werk op te slaan.

Een servergedrag toevoegen om de record te verwijderen (ASP)

  1. Zorg ervoor dat de ASP-verwijderpagina is geopend in Dreamweaver.
  2. Klik in het deelvenster Servergedrag (Venster > Servergedrag) op de plusknop (+) en selecteer Record verwijderen.
  3. Selecteer in het pop-upmenu Verbinding een verbinding met de database zodat het servergedrag een verbinding met de desbetreffende database tot stand kan brengen.

    Klik op de knop Definiëren als u een verbinding moet definiëren.

  4. Selecteer in het pop-upmenu Verwijder uit tabel de databasetabel die de records bevat die u wilt verwijderen.
  5. Geef in het pop-upmenu Selecteer record uit de recordset op die de records bevat die u wilt verwijderen.
  6. Selecteer in het pop-upmenu 'Kolom voor unieke sleutel' een sleutelkolom (gewoonlijk de kolom met de record-id) om de record in de databasetabel te identificeren.

    Als de waarde een getal is, selecteert u de optie Numeriek. Een sleutelkolom accepteert gewoonlijk alleen numerieke waarden, maar soms ook tekstwaarden.

  7. Geef in het pop-upmenu Verwijder door verzenden het HTML-formulier met de knop Verzenden op dat de opdracht om de record te verwijderen naar de server verzendt.
  8. Geef in het vak Ga na verwijderen naar een pagina op die moet worden geopend nadat de record uit de databasetabel is verwijderd.

    U kunt een pagina opgeven die een kort bericht van slagen weergeeft, of een pagina met een overzicht van de resterende records zodat de gebruiker kan zien dat de record is verwijderd.

  9. Klik op OK om uw werk op te slaan.

De verwijderpagina's testen

  1. Laad de zoek-, resultaten- en verwijderpagina's op de webserver, open een browser en zoek naar een testrecord die u kunt verwijderen.

    Als u op een koppeling Verwijderen op de resultatenpagina klikt, moet de verwijderpagina worden weergegeven.

  2. Klik op de knop Bevestigen om de record uit de database te verwijderen.
  3. Controleer of de record is verwijderd door de record opnieuw te zoeken. De record mag nu niet meer op de resultatenpagina voorkomen.
Adobe-logo

Aanmelden bij je account