Objecten wijzigen met afbeeldingskaders

Adobe InDesign-objecten bevatten alle items die u kunt toevoegen aan of maken in het documentvenster, waaronder open paden, gesloten paden, samengestelde vormen en paden, tekst, gerasterd artwork, 3D-objecten en geplaatste bestanden zoals een afbeelding.

Afbeeldingen in een kader (zoals geïmporteerde afbeeldingen) kunt u wijzigen door de relatie met het kader te wijzigen, zoals in de volgende voorbeelden:

  • Snijd een afbeelding bij door het kader kleiner te maken.

  • Maak masker- en lay-outeffecten door een object in een kader te plakken.

  • Voeg een rand of contour aan een afbeelding toe door de lijndikte en kleur van het kader te wijzigen.

  • Centreer een afbeelding in een achtergrondrechthoek door het kader te vergroten en er een vulkleur voor in te stellen.

Een object in een kader plakken

Gebruik de opdracht Plakken in om afbeeldingen te nesten in containerkaders. U kunt zelfs afbeeldingen nesten in geneste kaders.

Achtergrondafbeelding die in een kader is geplakt
Achtergrondafbeelding die in een kader is geplakt

  1. Ga op een van de volgende manieren te werk:
    • Als u één object in een kader wilt plakken, selecteert u het object.

    • Als u twee of meer objecten in een kader wilt plakken, groepeert u deze objecten eerst omdat een kader slechts één object kan bevatten.

    • Als u een tekstkader met behoud van de vormgeving in een ander kader wilt plakken, selecteert u het hele tekstkader met de tool Selecteren of Direct selecteren , niet met de tool Tekst.

  2. Kies Bewerken > Kopiëren (of Bewerken > Knippen als u het origineel niet wilt behouden).

  3. Selecteer een pad of kader en kies Bewerken > Plakken in.

De kaderinhoud verwijderen

  1. Ga op een van de volgende manieren te werk:
    • Als u een afbeelding of een tekstkader verwijdert, selecteert u het object met de tool Direct selecteren . U kunt ook met de tool Selecteren op de inhoudgrijper van de afbeelding klikken.

    • Als u teksttekens wilt verwijderen, selecteert u deze met de tool Tekst .

  2. Ga op een van de volgende manieren te werk:
    • Druk op Delete of Backspace om de inhoud permanent te verwijderen.

    • Als u de inhoud elders in de lay-out wilt plaatsen, kiest u Bewerken > Knippen. Vervolgens deselecteert u het kader en kiest u Bewerken > Plakken.

Opmerking:

Geïmporteerde afbeeldingen hebben altijd een kader nodig. Als u een geïmporteerde afbeelding uit het kader knipt en elders in een document plakt, wordt er automatisch een nieuw kader voor gemaakt.

Objecten aanpassen aan kaders

Als de afmetingen van het kader en van de inhoud verschillen, kunt u ze met de aanpassingsopdrachten op elkaar afstemmen.

Opties voor kaderuitlijning zijn van toepassing op kaders die een afbeelding of een ander tekstkader bevatten (in een ander kader geneste tekstkaders), maar niet op alinea's in een tekstkader. U stelt de uitlijning en plaatsing van tekst in met de opdracht Opties tekstkader en de deelvensters Alinea, Alineastijlen en Artikel.

Een object aanpassen aan een kader

  1. Selecteer het kader van het object.

  2. Kies Object > Aanpassen en selecteer een van de volgende opties:

    Kader proportioneel vullen

    Hiermee wijzigt u de grootte van de inhoud zodat het hele kader wordt gevuld en behoudt u de verhoudingen van de inhoud. De afmetingen van het kader worden niet gewijzigd. Als de inhoud en het kader verschillende verhoudingen hebben, wordt bepaalde inhoud bijgesneden door het selectiekader van het kader.

    Inhoud proportioneel aanpassen

    Hiermee past u de grootte van de inhoud aan in overeenstemming met een kader en behoudt u de verhoudingen van de inhoud. De afmetingen van het kader worden niet gewijzigd. Als inhoud en kader qua grootte verschillen, kan er enige witruimte ontstaan.

    Passend maken met behoud van inhoud

    Maakt een afbeelding automatisch passend voor een kader op basis van de afbeeldingsinhoud en kadergrootte. De afmetingen van het kader worden niet gewijzigd. Om dit de standaardoptie voor het aanpassen aan kader te maken gaat u naar Voorkeuren > Algemeen en selecteert u Maak passend maken met behoud van inhoud de standaardoptie voor het aanpassen aan kader.

    Opmerking:

    • Passend maken met behoud van inhoud verwijdert de transformaties die zijn toegepast op afbeeldingen, zoals Schalen, Roteren, Draaien of Schuiven. De transformaties die op het kader zijn aangebracht, worden echter niet verwijderd.
    • Passend maken met behoud van inhoud is niet beschikbaar op 32-bits Windows.

    Kader aan inhoud aanpassen

    Het formaat van een kader aanpassen aan de inhoud De verhoudingen van het kader worden indien nodig aangepast aan die van de inhoud. Dit is nuttig als u een afbeeldingskader wilt herstellen dat u per ongeluk hebt gewijzigd.

    Inhoud aan kader aanpassen

    Hiermee past u de grootte van de inhoud aan in overeenstemming met een kader en zorgt u dat de verhoudingen van de inhoud kunnen worden gewijzigd. Het kader wordt niet gewijzigd, maar de inhoud ziet er misschien enigszins uitgerekt uit als de inhoud en het kader verschillende verhoudingen hebben.

    Opmerking:

    Als u een kader snel aan de desbetreffende inhoud wilt aanpassen, dubbelklikt u op een hoekhandgreep op het kader. De grootte van het kader wordt gewijzigd buiten het punt waarop u klikt. Als u op een zijgreep klikt, wordt de grootte van het kader alleen in die dimensie gewijzigd.

    Een object binnen een afbeeldingskader uitlijnen
    Een object binnen een afbeeldingskader uitlijnen

    A. Origineel B. Kader aangepast aan inhoud C. Inhoud aangepast aan kader 

    Inhoud centreren

    Hiermee centreert u de inhoud in een kader. De verhoudingen van het kader en de inhoud worden gehandhaafd. De grootte van de inhoud en het kader blijft ongewijzigd.

    Opmerking:

    Met de opdracht Aanpassen past u de buitenranden van de inhoud aan aan het middelpunt van de lijn van het kader. Als het kader een dikkere lijn heeft, verdwijnen de buitenranden van de inhoud. U kunt de lijn van het kader uitlijnen op het midden, de binnenkant de buitenkant van een kaderrand. (Zie Lijnen instellen.)

    U verwijdert ongewenste aanpassingsinstellingen die zijn toegepast met Passend maken door Object > Aanpassen > Opties voor aanpassen aan kader wissen te kiezen.

Passend maken gebruiken

Als u het formaat van een afbeeldingskader wijzigt als Passend maken niet geselecteerd is, wordt het formaat van het kader gewijzigd, maar blijft het formaat van de afbeelding ongewijzigd. Als u Passend maken selecteert, wordt het formaat van de afbeelding ook aangepast wanneer u het kader wijzigt. Als u de afbeelding wilt uitsnijden of transformeren, gebruikt u de tool Direct selecteren om de afbeelding zelf te transformeren. U kunt Passend maken ook uitschakelen, de afbeelding transformeren en Passend maken weer inschakelen.

U kunt de optie Passend maken selecteren in het regelpaneel en in het dialoogvenster Opties voor aanpassen aan kader.

Opties voor aanpassen aan kader instellen

U kunt een aanpassingsoptie koppelen aan een kader voor plaatsaanduidingen, zodat de aanpassingsopdracht wordt toegepast wanneer nieuwe inhoud in dat kader wordt geplaatst.

  1. Selecteer een frame.

  2. Kies Object > Aanpassen > Opties voor aanpassen aan kader.

  3. Geef de volgende opties op en klik op OK:

    Passend maken

    Selecteer deze optie als u de afmetingen van de afbeelding automatisch wilt wijzigen wanneer u de afmetingen van het kader wijzigt.

    Referentiepunt

    Geef een referentiepunt op voor de uitsnijd- en aanpashandelingen. Als u bijvoorbeeld de rechterbovenhoek van een referentiepunt selecteert en Inhoud proportioneel aanpassen kiest, kan de afbeelding aan de linker- of onderzijde worden bijgesneden (bij het referentiepunt vandaan).

    Mate van bijsnijden

    Geef de locatie van het selectiekader van de afbeelding op in verhouding tot het kader. Gebruik positieve waarden om de afbeelding bij te snijden. Stel bijvoorbeeld dat u een rand rond de geplaatste afbeelding wilt uitsluiten. Gebruik negatieve waarden om ruimte toe te voegen tussen het selectiekader en het kader van de afbeelding. Zo kunt u bijvoorbeeld witruimte opnemen tussen de afbeelding en het kader.

    Als u uitsnijdwaarden opgeeft die ertoe leiden dat de afbeelding onzichtbaar wordt, worden deze waarden genegeerd. De aanpassingsoptie wordt echter wel toegepast.

    Aanpassen aan leeg kader

    Geef op of u de inhoud aan het kader wilt aanpassen (dit kan ertoe leiden dat de afbeelding wordt schuingetrokken), of u de inhoud proportioneel wilt aanpassen (dit kan leiden tot lege ruimte) of of u het kader proportioneel wilt vullen (een of meerdere zijden worden bijgesneden).

De aanpashandeling wordt alleen uitgevoerd wanneer inhoud in een kader wordt geplaatst. Als u de afmetingen van het kader wijzigt, wordt de optie Aanpassen alleen automatisch opnieuw toegepast als Passend maken is geselecteerd.

Een afbeeldingskader of de inhoud ervan verplaatsen

Als u een afbeeldingskader selecteert met de tool Selecteren, kunt u het kader of de afbeelding in het kader selecteren. Als u buiten de inhoudgrijper klikt en de selectie sleept, wordt de inhoud van het kader samen met het kader verplaatst. Als u de inhoudgrijper sleept, wordt de afbeelding binnen het kader verplaatst.

Met de volgende werkwijzen kunt u een kader en de bijbehorende inhoud los van elkaar verplaatsen. Met deze technieken kunt u een afbeelding aanpassen wanneer deze in het kader is bijgesneden of gemaskeerd.

Opmerking:

Als u met een selectietool niet het gewenste resultaat krijgt, deselecteert u alles eerst. Dit doet u door te drukken op Ctrl+Shift+A (Windows) of Command+Shift+A (Mac OS).

  1. Voer een van de volgende handelingen uit:
    • Als u een kader samen met de inhoud ervan wilt verplaatsen, klikt u met de tool Selecteren  buiten de inhoudgrijper.

    • Als u geïmporteerde inhoud zonder het kader wilt verplaatsen (inhoud achter kader wilt laten meelopen), sleept u de inhoudgrijper. U kunt de afbeelding ook selecteren en slepen met de tool Direct selecteren .

    Inhoud zonder kader verplaatsen
    Inhoud zonder kader verplaatsen

    Opmerking:

    Als u de muis ingedrukt houdt boven een afbeelding voordat u deze verplaatst, verschijnt er een voorvertoning van de afbeelding (met een gesimuleerde achtergrond) van de buitenkant van het kader, maar wordt de voorvertoning van de afbeelding in het kader niet in het grijs weergegeven. U ziet zo beter hoe u de afbeelding in een kader plaatst.

    • Als u een kader zonder de inhoud ervan wilt verplaatsen, klikt u op het kader met de tool Selecteren. Vervolgens schakelt u over op de tool Direct selecteren en sleept u het middelpunt van het kader.
    Kader zonder inhoud verplaatsen
    Kader zonder inhoud verplaatsen

    • Als u meerdere kaders wilt verplaatsen, selecteert u de objecten met de tool Selecteren en sleept u deze objecten. Als u meerdere objecten selecteert met de tool Direct selecteren, wordt alleen het item dat u sleept beïnvloed.

Een rand of achtergrond maken

Een afbeeldingskader is bij uitstek geschikt voor gebruik als rand of achtergrond voor de bijbehorende inhoud, omdat u de lijn en de vulling van het kader los van de inhoud kunt wijzigen.

Randen aan afbeeldingskaders toevoegen
Randen aan afbeeldingskaders toevoegen

A. Foto in afbeeldingskader B. Kader met toegepaste lijn C. Vergroot kader met toegepaste lijn en vulling 
  1. Klik met de tool Selecteren  op een geïmporteerde afbeelding buiten de inhoudgrijper om het bijbehorende kader te selecteren.
  2. Sleep een handgreep van het selectiekader naar buiten om het kader te vergroten zonder de afbeelding te vergroten. Als u de verhoudingen van het kader wilt behouden, houdt u Shift ingedrukt tijdens het slepen.
  3. Pas met het deelvenster Stalen en de toolset een lijn- en een vulkleur toe.
  4. Gebruik het deelvenster Lijn om de lijndikte, de stijl of de uitlijning van het kader aan te passen.

Opmerking:

Met het deelvenster Transformeren of het regelpaneel kunt u een kader aan alle zijden snel gelijkmatig vergroten. Selecteer het kader met de tool Direct selecteren , stel de referentiepuntindicator van het deelvenster  in op het middelpunt en typ nieuwe waarden voor de breedte en hoogte.

Objecten uitsnijden of maskeren

Bijsnijden en maskeren zijn manieren om een deel van een object te verbergen. Bij uitsnijden worden via een rechthoek randen van een afbeelding verwijderd. Bij maskeren wordt via een willekeurige vorm de achtergrond van een object transparant gemaakt. Een voorbeeld van een masker is het uitknippad, dat een masker voor een bepaalde afbeelding is.

Met afbeeldingskaders kunt u objecten uitsnijden of maskeren. Omdat een geïmporteerde afbeelding automatisch een kader heeft, kunt u deze direct uitsnijden of maskeren, zonder eerst een kader te hoeven maken. Als u voor een geïmporteerde afbeelding niet zelf een kader hebt gemaakt, wordt er automatisch een kader gemaakt ter grootte van de afbeelding. In dat geval ziet u het kader waarschijnlijk niet.

Opmerking:

Om het afdrukken efficiënter te laten verlopen, worden alleen de gegevens voor de zichtbare gedeelten van bijgesneden of gemaskeerde afbeeldingen verzonden als het document uitgevoerd wordt. Desondanks bespaart u schijfruimte en RAM als u afbeeldingen tot de gewenste grootte en vorm uitsnijdt of maskeert voordat u ze importeert in het document.

  • U snijdt een geïmporteerde afbeelding of een andere afbeelding die al in een kader staat uit door met de selectietool op het object te klikken enalle grepen op het selectiekader dat verschijnt te slepen. U behoudt de oorspronkelijke verhoudingen van het kader als u Shift bij het slepen ingedrukt houdt.


    Een afbeelding uitsnijden via een afbeeldingskader

  • Als u objecten wilt uitsnijden of maskeren, gebruikt u de tool Selecteren of Direct selecterentoolomeen object te selecteren dat u wilt maskeren. Kies Bewerken > Kopiëren, selecteer een leeg pad of kader dat kleiner is dan het object en kies Bewerken > Plakken in.
  • Als u kaderinhoud nauwkeurig wilt uitsnijden, selecteert u het kader met de tool Direct selecteren en wijzigt u de kadergrootte met het deelvenster Transformeren of het regelpaneel.
  • Als u uitsnijdinstellingen wilt opgeven voor een leeg kader voor plaatsaanduidingen, kiest u Object > Aanpassen > Opties voor aanpassen aan kader en geeft u de mate van uitsnijden op.

Opmerking:

Voor een geïmporteerde afbeelding kunt u ook een masker maken door met de tekentools de vorm van het bestaande kader te wijzigen.

Exportopties voor objecten

Inleiding exportopties voor objecten

Exportopties voor objecten kunnen worden gebruikt om exportparameters op te geven. Deze parameters zijn vereist voor het exporteren naar verschillende indelingen, zoals EPUB, HTML of toegankelijke PDF's.

 

Exportopties voor object kunnen op zowel tekst- en afbeeldingskaders als groepen worden toegepast. Gebruik Exportopties voor object voor het volgende:

  • Alt-tekst voor geplaatste afbeeldingen definiëren.

  • Labels en werkelijke tekstinstellingen voor gelabelde PDF's toepassen.

  • Verschillende instellingen maken voor omzetting op elk object, zodat de objecten goed worden weergegeven op verschillende schermformaten en bij verschillende pixeldichtheden. Gebruik deze opties om de kwaliteit in te stellen van de rastering die wordt toegepast op teksteffecten, zoals slagschaduwen en schuine randen, wanneer u de lay-out naar HTML of EPUB exporteert.

Opmerking:

Als een object een hyperlink is, wordt het bij het exporteren ondersteund.

Exportopties voor object toepassen

  1. Selecteer het kader of de groep in de layout.
  2. Kies Object > Exportopties voor object.

    of

    Klik met de rechtermuisknop op het object en selecteer Exportopties voor object.

  3. Pas de instellingen toe.

Opmerking:

U kunt het dialoogvenster Exportopties voor object sluiten wanneer u andere objecten in de layout selecteert waarop u de instellingen wilt toepassen.

Opties voor alternatieve tekst

Alternatieve tekst (Alt-tekst) is een korte op tekst gebaseerde beschrijving van een afbeelding. Deze tekst wordt gebruikt in gevallen waarin de afbeelding niet wordt weergegeven of om schermlezers te helpen.

Bron voor alternatieve tekst

Selecteer de bron voor het toewijzen van de alt-tekst voor de geselecteerde kaders of groepen.

Opmerking:

Wanneer u elementen uit Microsoft Word importeert, importeert InDesign ook de alternatieve tekst die op afbeeldingen is toegepast.

Aangepast

Voer de tekst handmatig in.

Van structuur

Gebruik de tekst zoals is aangegeven in de structuur. Zie Afbeeldingen labelen voor gebruik bij schermlezers.

Van XMP (titel | omschrijving | titeltekst)

Gebruik de gegevens die in algemene XMP-velden zijn opgeslagen. Als XMP-gegevens worden bijgewerkt met behulp van een andere toepassing zoals Adobe Bridge, wordt de tekst automatisch bijgewerkt wanneer u de koppeling bijwerkt.

Van andere XMP

Als de tekstreeks in een ander XMP-veld is opgeslagen, voert u hier de volledige naamruimte en naam van de eigenschap in de notatie <naamruimte>:<eigenschap> in. Een voorbeeld: de Adobe Bridge-gebruikersinterface ondersteunt IPTC Core, waarin het veld “IPTC-onderwerpcode” voorkomt. Als dit veld is gebruikt om de tekstreeks op te slaan, zou de waarde van de eigenschap “Iptc4xmpCore:SubjectCode[1]” zijn.

Opties voor Gelabelde PDF

Label toepassen

Selecteer de bron voor het toewijzen van het PDF-label voor de geselecteerde kaders of groepen.

Van structuur

Gebruik de tekst zoals is aangegeven in de structuur.

Artefact

Gebruik deze optie voor grafische elementen die geen belangrijke betekenis hebben wanneer ze worden voorgelezen door een schermlezer.

Gebaseerd op object

Hiermee wordt automatisch de inhoud van het kader bepaald en wordt het label “Artikel” of “Afbeelding” toegepast.

Bron van werkelijke tekst

PDF ondersteunt naast alt-tekst ook werkelijke tekst. Werkelijke tekst kan worden toegepast op grafische elementen die eruit zien als tekst, bijvoorbeeld een gescande TIFF-afbeelding. Werkelijke tekst wordt gebruikt om woorden weer te geven die in illustraties zijn omgezet. Werkelijke tekst kan alleen bij gelabelde PDF's worden toegepast.

Aangepast

Voer de tekst handmatig in.

Van structuur

Gebruik de tekst zoals is aangegeven in de structuur. Zie Afbeeldingen labelen voor gebruik bij schermlezers.

Van XMP (titel | omschrijving | titeltekst)

Gebruik de gegevens die in algemene XMP-velden zijn opgeslagen. Als XMP-gegevens worden bijgewerkt met behulp van een andere toepassing zoals Adobe Bridge, wordt de tekst automatisch bijgewerkt wanneer u de koppeling bijwerkt.

Van andere XMP

Als de tekstreeks in een ander XMP-veld is opgeslagen, voert u hier de volledige naamruimte en naam van de eigenschap in de notatie <naamruimte>:<eigenschap> in. Een voorbeeld: de Bridge-gebruikersinterface ondersteunt IPTC Core, waarin het veld “IPTC-onderwerpcode” voorkomt. Als dit veld is gebruikt om de tekstreeks op te slaan, zou de waarde van de eigenschap “Iptc4xmpCore:SubjectCode[1]” zijn.

Opties voor EPUB en HTML

Gebruik de opties voor EPUB en HTML om instellingen voor omzetting van afbeeldingen op te geven voor afzonderlijke objecten. Als u hier geen instellingen opgeeft, worden de instellingen voor omzetting van afbeeldingen van de EPUB-export gebruikt. Zie EPUB-exportopties - Afbeelding.

Exportopties voor object
Exportopties voor object

epub: type

Klik op het pijlpictogram om de volgorde te kiezen waarin de lezer het document kan lezen.

Weergave van lay-out behouden

Schakel dit selectievakje in om aangepaste instellingen voor de conversie van afbeeldingen voor geselecteerde kaders op te geven.

Standaard

Standaardinstellingen die in het dialoogvenster met exportinstellingen zijn toegewezen.

Bestaande afbeelding gebruiken voor grafische objecten

Hiermee wordt een bestaande afbeelding voor grafische objecten gebruikt.

Container rasteren

Hiermee wordt het object omgezet in een afbeelding. Een tekstkader wordt bijvoorbeeld omgezet in een afbeelding.

Inhoud rasteren

De weergave blijft behouden via CSS.

Aangepaste rastering

Schakel dit selectievakje in om aangepaste instellingen voor de conversie van afbeeldingen voor geselecteerde kaders op te geven.

Indeling

Hiermee kunt u kiezen of de geoptimaliseerde afbeeldingen in het document worden omgezet in GIF, JPEG of PNG.

Resolutie (ppi)

Geef hier de resolutie van de afbeeldingen in pixels per inch (ppi) op. Besturingssystemen hebben standaard een resolutie van 72 ppi of 96 ppi, terwijl de resolutie van mobiele apparatuur varieert van 132 ppi (iPad) en 172 ppi (Sony Reader) tot zelfs meer dan 300 ppi (iPhone 4). U kunt voor elk geselecteerd object een ppi-waarde opgeven. De waarden zijn 72, 96, 150 (gemiddelde voor alle huidige eBook-apparaten) en 300.

Palet

Hiermee kunt u bepalen hoe de kleuren worden verwerkt bij het optimaliseren van GIF-bestanden. Bij de GIF-indeling wordt een beperkt kleurenpalet met maximaal 256 kleuren gebruikt.

Kies Aangepast (geen dither) om een palet te maken met behulp van een representatief voorbeeld van kleuren in de afbeelding zonder enige vorm van dithering (extra kleuren simuleren door kleine puntjes kleuren te mengen). Kies Web om een palet van webveilige kleuren te maken. Deze kleuren zijn een subset van de systeemkleuren van Windows en Mac OS. Kies Systeem (Win) of Systeem (Mac) om met behulp van het ingebouwde kleurenpalet een palet te maken. Dit kan tot onverwachte resultaten leiden.

Selecteer Interliniëren om een langzaam geladen afbeelding weer te geven, waarbij ontbrekende lijnen geleidelijk worden ingevuld. Als u deze optie niet selecteert, ziet een afbeelding er wazig uit en wordt deze geleidelijk aan gedetailleerder weergegeven naarmate de volledige resolutie wordt bereikt.

Kwaliteit

Hiermee kunt u voor elke gemaakte JPEG-afbeelding een afweging maken tussen compressie (voor kleinere bestanden) en kwaliteit van de afbeelding. Een lage resolutie levert het kleinste bestand op, maar resulteert ook in de slechtste kwaliteit.

Methode

Hiermee kunt u bepalen hoe snel JPEG-afbeeldingen worden weergegeven wanneer het bestand met de afbeelding op het web wordt geopend. Kies Progressief om de JPEG-afbeeldingen geleidelijk en steeds gedetailleerder te laten weergeven als ze naar een webbrowser worden gedownload. (De bestanden die met deze optie worden gemaakt, zijn iets groter en hebben meer RAM-geheugen nodig om te kunnen worden weergegeven.) Selecteer Basislijn om elk JPEG-bestand pas weer te geven nadat het is gedownload; er verschijnt een plaatsaanduiding totdat het uiteindelijke bestand wordt weergegeven.

Aangepast Layout

Selecteer de gewenste layout in de vervolgkeuzelijst.

  • Uitlijning en tussenruimte: hiermee kunt u de uitlijning van de afbeelding instellen op links, midden en rechts en de opvulling boven en onder de afbeelding opgeven.
  • Links zweven: selecteer deze optie voor zwevende linkeruitlijning.
  • Rechts zweven: selecteer deze optie voor zwevende rechteruitlijning.

Pagina-einde invoegen

Selecteer deze optie om pagina-einden samen met afbeeldingen in te voegen. U kunt pagina-einden vóór, na, of vóór en na de afbeelding invoegen.

Grootte

Kies de aangepaste CSS-breedte en -hoogte uit de volgende opties:

  • Geen: er wordt geen CSS-breedte of -hoogte toegepast op het object.
  • Standaard: de standaard CSS-breedte en -hoogte worden gebruikt.
  • Vast: een vaste CSS-breedte en -hoogte worden toegepast.
  • Ten opzichte van tekstdoorloop: alleen van toepassing op CSS-breedte. De CSS-breedte wordt aangepast aan de tekstdoorloop.
  • Ten opzichte van tekstgrootte: alleen van toepassing op CSS-breedte. De CSS-breedte wordt aangepast aan de tekstdoorloop.
  • Aangepaste breedte: selecteer deze optie om de aangepaste waarde voor de breedte in te voeren.
  • Aangepaste hoogte: selecteer deze optie om de aangepaste waarde voor de hoogte in te voeren.

Opmerking:

De vervolgkeuzelijst Grootte is alleen van toepassing op herschikbare EPUB- en HTML-layouts. Deze is niet van toepassing op vaste EPUB-layouts.

Dit werk is gelicentieerd onder de Creative Commons Naamsvermelding/Niet-commercieel/Gelijk delen 3.0 Unported-licentie  De voorwaarden van Creative Commons zijn niet van toepassing op Twitter™- en Facebook-berichten.

Juridische kennisgevingen   |   Online privacybeleid