Afdrukken

Of u nu een meerkleurendocument door een extern prepress-bureau laat afdrukken of gewoon een conceptversie van een document op een inkjet- of laserprinter afdrukt, als u de basis van het (af)drukken kent, drukt u makkelijker af en wordt de kans groter dat de uiteindelijke afdruk naar wens is.

Afdruktypen

Wanneer u in Adobe InDesign een bestand afdrukt, wordt dit direct afgedrukt op papier of naar een digitale drukpers verzonden, of het bestand wordt omgezet naar een positief of negatief beeld op film. In het laatste geval kunt u op basis van de film een drukplaat voor afdrukken op een drukpers maken.

Afbeeldingstypen

De eenvoudigste soorten afbeeldingen, zoals tekst, gebruiken slechts één kleur in één grijstintniveau. Bij complexere afbeeldingen worden kleurtonen gebruikt die binnen de afbeelding variëren. Dit type afbeelding wordt een afbeelding met ongerasterde halftonen genoemd. Een foto is een voorbeeld van zo'n afbeelding.

Rasteren

Afbeeldingen worden in een reeks puntjes opgedeeld om de illusie van ongerasterde halftonen te creëren. Dit wordt rastering genoemd. Door de grootte en densiteit van de puntjes in een halftoonraster te variëren wordt in de afgedrukte afbeelding de optische illusie gewekt van grijsvariaties of doorlopende kleur.

Kleurscheiding

Bij illustraties met meerdere kleuren die op professionele wijze worden gereproduceerd, moet elke kleur op een verschillende masterplaat worden afgedrukt. Dit wordt kleurscheiding genoemd.

Detail

Het detailniveau in een afgedrukte afbeelding wordt bepaald door een combinatie van de resolutie en de schermfrequentie. Hoe hoger de resolutie van het uitvoerapparaat, hoe fijner (hoger) de rasterfrequentie die u kunt gebruiken.

Duplexafdrukken

Specifieke afdrukfuncties, zoals duplexafdrukken, zijn beschikbaar wanneer u op de knop Printer in het dialoogvenster Afdrukken klikt. Duplexafdrukken kan alleen op printers die deze functie ondersteunen. Zie de handleiding van uw printer voor informatie over duplexafdrukken.

Transparante objecten

Als een illustratie objecten bevat met transparantiekenmerken die u hebt toegevoegd met het deelvenster Effecten of de opdracht Slagschaduw of Doezelaar, wordt de transparante illustratie afgevlakt volgens de instellingen in de geselecteerde afvlakvoorinstelling. U kunt de verhouding van gerasterde afbeeldingen ten opzichte van vectorafbeeldingen in de afgedrukte illustratie wijzigen.

Voor meer informatie over afdrukken gaat u naar het Adobe Print Resource Center op www.adobe.com/go/print_resource_nl. Op www.adobe.com/go/learn_id_printtrouble_nl vindt u informatie over het oplossen van problemen bij het afdrukken.

  1. Controleer of het juiste stuurprogramma en PPD-bestand voor uw printer zijn geïnstalleerd.
  2. Open het dialoogvenster Afdrukken:
    • Als er afzonderlijke documenten zijn geopend, kiest u Bestand > Afdrukken. Hiermee opent u het dialoogvenster Afdrukken voor het actieve document.

    • Als u geen of alle documenten in het deelvenster Boek hebt geselecteerd, kiest u Boek afdrukken in het menu van het deelvenster Boek. Hiermee drukt u alle documenten in een boek af.

    • Als u bepaalde documenten in het deelvenster Boek hebt geselecteerd, kiest u Geselecteerde documenten afdrukken in het menu van het deelvenster Boek.

  3. Geef in het menu Printer de printer op waarop u wilt afdrukken. Als een voorinstelling van de printer de gewenste instellingen heeft, kiest u deze voorinstelling in het menu Afdrukvoorinstelling.
  4. In het gedeelte Algemeen voert u het aantal exemplaren in dat u wilt afdrukken, kiest u of de pagina's moeten worden gesorteerd of in omgekeerde volgorde moeten worden afgedrukt en geeft u op welke pagina's u wilt afdrukken.

    Als u een boek afdrukt, is de optie Paginabereik niet beschikbaar.

    Als u een document met meerdere paginaformaten afdrukt, kunt u met de besturingselementen boven Bereik een bereik instellen van alle pagina's met hetzelfde formaat. Zie Documenten met verschillende paginaformaten afdrukken.

  5. Geef op of de niet-afdrukbare objecten, blanco pagina's of zichtbare hulplijnen en basislijnrasters moeten worden afgedrukt.
  6. Stel de instellingen voor elk gedeelte van het dialoogvenster Afdrukken naar eigen voorkeur in.
  7. Klik op Afdrukken.

Instellingen die u in het dialoogvenster Afdrukken opgeeft, worden bij het document opgeslagen.

Afdrukken vanuit het deelvenster Pagina's

U kunt ook gebruikmaken van de afdrukopties in het deelvenster Pagina's.

  1. Voer in het deelvenster Pagina's een van de volgende handelingen uit:

    • Selecteer één pagina.
    • Selecteer meerdere pagina's.
    • Selecteer een stramienpagina.
    • Selecteer een paginaspread.
  2. Klik met de rechtermuisknop op de selectie en kies Pagina afdrukken of Spread afdrukken (afhankelijk van uw selectie).

    De opties Pagina afdrukken en Spread afdrukken zijn ook beschikbaar in het vervolgmenu van het deelvenster Pagina's.

    Het dialoogvenster Afdrukken wordt weergegeven met daarin de geselecteerde pagina of het geselecteerde bereik.

  3. Klik op Afdrukken.

Afdrukopties voor pagina's

U kunt alle pagina's, alleen even of oneven pagina's, een reeks afzonderlijke pagina's of een bereik van opeenvolgende pagina's afdrukken.

Bereik

Bepaalt het bereik van pagina's in het huidige document die moeten worden afgedrukt. Plaats een koppelteken tussen de paginanummers in een bereik en gebruik een komma of spatie als scheidingsteken wanneer u meerdere pagina's of bereiken opgeeft (zie Opgeven welke pagina's moeten worden afgedrukt).

Als het document pagina's met verschillende paginaformaten bevat, kunt u de opties boven het veld Bereik gebruiken om alle pagina's van hetzelfde formaat te selecteren. (Zie Documenten met verschillende paginaformaten afdrukken.)

Huidige pagina

Druk de huidige pagina in het huidige document afdrukken.

Opmerking:

Het paginanummer voor de huidige pagina wordt opgegeven in de volgende notatie: Huidige pagina: <Naam van layout>: <naam van pagina>

Volgorde

Kies Alle pagina's om alle pagina's van een document af te drukken. Kies Alleen even pagina's of Alleen oneven pagina's om alleen die pagina's van het opgegeven bereik af te drukken. Deze opties zijn niet beschikbaar bij de optie Spreads of Stramienpagina's afdrukken.

Spreads

Drukt de pagina's af alsof ze zijn gebonden of alsof ze worden afgedrukt op hetzelfde vel. U kunt slechts één spread per vel afdrukken. Als de nieuwe pagina groter is dan het geselecteerde papierformaat, wordt zoveel mogelijk afgedrukt. Het paginaformaat wordt echter niet automatisch aangepast aan het afbeeldingsgebied, tenzij u Aanpassen aan pagina in het deelvenster Instellen van het dialoogvenster Afdrukken selecteert. U kunt ook de afdrukstand wijzigen.

Opmerking:

Als verschillende overvulstijlen op pagina's in de spread worden toegepast, werkt InDesign de verschillen weg.

Stramienpagina's afdrukken

Drukt alle stramienpagina's (geen documentpagina's) af. Als u deze optie selecteert, is de optie Bereiken niet beschikbaar.

Voorbeelden van paginabereiken

Paginabereik

Afgedrukte pagina's

11-

Pagina 11 tot de laatste pagina van het document.

-11

Alle pagina's tot en met pagina 11.

+11

Alleen pagina 11.

-+11

Alle pagina's tot en met pagina 11.

+11-

Alle pagina's vanaf de elfde pagina tot het einde van het document.

1, 3-8,

Pagina 1 plus pagina 3 tot en met 8.

+1, +3-+8,

Pagina 1 plus pagina 3 tot en met 8.

Sec1

Alle pagina's in de sectie met het label "Sec1".

Sec2:7

Pagina met nummer 7 (niet noodzakelijkerwijs de zevende pagina van die sectie) in de sectie met het label "Sec2".

PartB:7-

Pagina met nummer 7 in de sectie met het label "PartB" tot aan de laatste pagina van de sectie.

Chap2:7-Chap3

Pagina 7 in de sectie met het label "Chap2" tot het einde van de sectie met het label "Chap3".

Sec4:3-Sec4:6, Sec3:7

Pagina 3-6 in "Sec4" en pagina 7 in "Sec3".

Opties voor het afdrukken van objecten

In het gebied Algemeen van het dialoogvenster Afdrukken staan opties voor het afdrukken van elementen die normaliter alleen zichtbaar zijn op het scherm, zoals rasters en hulplijnen. Kies een van de volgende opties:

Lagen afdrukken

Geef op welke lagen er moeten worden afgedrukt (zie Kiezen welke lagen worden afgedrukt of naar PDF worden geëxporteerd).

Niet-afdrukbare objecten afdrukken

Drukt alle objecten af, ook als deze als niet-afdrukbaar zijn ingesteld.

Blanco pagina's afdrukken

Drukt alle pagina's in het opgegeven paginabereik af, zelfs als er geen tekst of objecten op de pagina staan. Deze optie is niet beschikbaar als u scheidingen afdrukt. Als u de optie Boekje afdrukken gebruikt voor samengesteld afdrukken, kiest u de optie Blanco printerspreads afdrukken als u blanco spreads als aanvulling op samengestelde inslagschema's wilt afdrukken.

Zichtbare hulplijnen en basislijnrasters afdrukken

Drukt zichtbare hulplijnen en rasters in dezelfde kleur af als in het document wordt weergegeven. In het menu Weergave kunt u bepalen welke hulplijnen en rasters zichtbaar zijn. Deze optie is niet beschikbaar als u scheidingen afdrukt.

Documenten met verschillende paginaformaten afdrukken

Het is mogelijk dat u pagina's van verschillende formaten afzonderlijk wilt afdrukken. Met een optie in het dialoogvenster Afdrukken kunt u gemakkelijk een bereik opgeven waarmee alle pagina's van hetzelfde formaat in het document worden geselecteerd.

Voordat u een document met verschillende paginaformaten laat afdrukken, dient u de drukker te vragen of er speciale vereisten zijn. Als er problemen optreden als u een document met verschillende paginaformaten probeert af te drukken, kunt u het opsplitsen in verschillende documenten.

  1. Kies Bestand > Afdrukken.

  2. Schakel in het deelvenster Algemeen de optie Spreads in of uit om te bepalen of u pagina's of spreads wilt afdrukken.

    Als een spread pagina's van verschillend formaat bevat, wordt het spreadformaat bepaald door de grootste breedte en hoogte op de spread.

  3. Als u alleen pagina's van dezelfde grootte wilt afdrukken, selecteert u een van de pagina's of spreads met de opties boven het veld Bereik en klikt u op het paginapictogram .

    In het veld Bereik worden alle pagina's of spreads van dat formaat weergegeven.

  4. Herhaal deze procedure om pagina's van andere formaten af te drukken.

Opgeven welke pagina's moeten worden afgedrukt

U kunt een paginabereik opgeven aan de hand van absolute nummering (de positie van de pagina in het huidige document) of aan de hand van sectie-/paginanummering (de sectie- en paginanummers die aan de pagina's zijn toegekend). Standaard gaan de dialoogvensters in InDesign uit van de paginanummeringsindeling die in het dialoogvenster Voorkeuren is opgegeven.

  • Als Absolute nummering wordt geselecteerd, komen de nummers die u voor pagina's of paginabereiken opgeeft, overeen met de absolute positie van pagina's in uw document. Een voorbeeld: Als u de derde pagina van het document wilt afdrukken, moet u '3' opgeven bij Bereik in het dialoogvenster Afdrukken.

  • Als Sectienummering in het dialoogvenster Voorkeuren wordt geselecteerd, kunt u pagina's en paginabereiken precies zo opgeven zoals deze in de layout worden weergegeven, of u kunt voor absolute nummering kiezen. Een voorbeeld: Als de pagina met de aanduiding SecA:5 de vijftiende pagina in uw document is, kunt u deze afdrukken door in het dialoogvenster Afdrukken 'SecA:5' op te geven of door '+15' op te geven. Het '+'-teken geeft aan dat u de normale sectie- en paginanummering wilt negeren en absolute paginanummering wilt gebruiken.

Opmerking:

Als u niet zeker weet welke indeling u wilt als u paginanummers in het dialoogvenster Afdrukken opgeeft, kunt u de indeling overnemen die onder in het documentvenster wordt weergegeven.

Het papierformaat en de afdrukstand opgeven

Er is een verschil tussen paginaformaat (zoals gedefinieerd in het dialoogvenster Documentinstelling voor uw document) en papierformaat (het vel papier, het stuk film of het gebied van de drukplaat waarop u afdrukt). U kunt bijvoorbeeld het paginaformaat A4 (210 bij 297 mm) instellen, maar afdrukken op een groter stuk papier of film omdat ruimte nodig is voor drukkersmarkeringen of het afloopgebied en de witruimte rond de pagina.

De papierformaten in InDesign komen uit het PPD-bestand (PostScript-printers) of het printerstuurprogramma (niet-PostScript-printers). Als de printer en PPD die u voor PostScript-afdrukken hebt geselecteerd, aangepaste papierformaten ondersteunen, staat de optie Aangepast in het menu Papierformaat.

De meeste imagesetters zijn geschikt voor de standaardpapierformaten, zoals Letter en Tabloid, en kunnen dwars (gekanteld) afdrukken (waarbij de standaardpagina bij het afdrukken 90° wordt gedraaid). Bij deze stand worden de imagesettermedia doorgaans effectiever gebruikt.

Paginaformaat en stand voor imagesetters
Paginaformaat en stand voor imagesetters

A. US Letter (staand) B. Aangepast paginaformaat (staand) C. Letter (gekanteld) 

De papierformaten zijn op 'normale' naam (bijvoorbeeld Letter) gesorteerd. De afmetingen geven de grenzen van het afbeeldingsgebied aan: Het totale papierformaat min een eventuele niet-afdrukbare rand die door de printer of imagesetter wordt gebruikt. De meeste laserprinters kunnen niet tot aan de rand van een pagina afdrukken.

Als u een ander papierformaat selecteert (bijvoorbeeld, als u van Letter overstapt op Legal), worden de documenten opnieuw in het voorvertoningsvenster geschaald. Het voorvertoningsvenster geeft het volledige afbeeldingsgebied van de geselecteerde pagina weer. Wanneer de grootte van de voorvertoning wordt gewijzigd, wordt het venster automatisch aangepast aan het afbeeldingsgebied.

Opmerking:

Het afbeeldingsgebied is afhankelijk van het PPD-bestand (zelfs voor standaardpapierformaten zoals Letter), omdat dit gebied door de printer of imagesetter wordt gedefinieerd.

Vergelijking van een afgedrukte pagina
Vergelijking van een afgedrukte pagina in letter-formaat op een vel Letter, Letter.extra of Tabloid.

Opmerking:

De voorvertoning linksonder in het dialoogvenster Afdrukken geeft aan of er voldoende plaats is voor alle drukkersmarkeringen, afloopgebieden en witruimte rond pagina's.

Het papierformaat en de afdrukstand opgeven

  1. Kies Bestand > Afdrukken.
  2. Kies een optie in het menu Papierformaat in het gedeelte Instellen van het dialoogvenster Afdrukken.

    Zorg er echter wel voor dat het papierformaat groot genoeg is voor het document, de afloopgebieden en witruimte rond de pagina's (indien van toepassing), en eventuele drukkersmarkeringen. Om imagesetterfilm of papier te besparen, kunt u het beste het kleinste paginaformaat selecteren dat groot genoeg is voor de illustraties en de vereiste afdrukgegevens.

  3. Klik op de knop Stand om het document op het medium te draaien.

    Doorgaans zijn de afdrukstand die is ingesteld in Documentinstelling (Bestand > Documentinstelling) en de paginastand die is ingesteld in het gedeelte Instellen van het dialoogvenster Afdrukken (beide Staand of beide Liggend), gelijk aan elkaar, ongeacht of u op de normale manier of gekanteld afdrukt. Als u echter spreads afdrukt, kunt u een ander papierformaat en een andere afdrukstand (bijvoorbeeld Liggend) kiezen zodat alle pagina's van een spread op één blad passen. Als u de spreadweergave hebt geroteerd, wilt u wellicht de afdrukstand wijzigen om de spread correct af te drukken.

Afdrukstandknoppen
Afdrukstandknoppen

A. Staand B. Liggend C. Staand omkeren D. Liggend omkeren 

Een aangepast papierformaat opgeven

Als u een printer hebt waarop meerdere papierformaten kunnen worden gebruikt, bijvoorbeeld een imagesetter met hoge resolutie, kunt u aangepast papierformaat opgeven wanneer u gaat afdrukken. Deze optie is alleen in InDesign beschikbaar als de geselecteerde PPD aangepaste papierformaten ondersteunt.

Het maximale aangepaste papierformaat dat u kunt opgeven, is afhankelijk van het maximale afbeeldingsgebied van de imagesetter. Raadpleeg de documentatie bij de printer voor meer informatie.

Opmerking:

De opties voor een aangepast papierformaat voor niet-PostScript-printers kunnen niet vanuit het dialoogvenster Afdrukken van InDesign worden ingesteld. Als u deze printerspecifieke functies wilt instellen, klikt u op Instellen (Windows), Printer (Mac OS) of Pagina-instelling (Mac OS) in het dialoogvenster Afdrukken van InDesign. Raadpleeg de documentatie van uw niet-PostScript-printer voor verdere informatie.

  1. Kies Bestand > Afdrukken.
  2. Als u een PostScript-bestand afdrukt, kiest u PostScript voor Printer in het gedeelte Algemeen van het dialoogvenster Afdrukken. Vervolgens selecteert u het PPD-bestand dat aangepaste papierformaten ondersteunt.
  3. Kies in het gedeelte Instellen van het dialoogvenster Afdrukken de optie Aangepast in het menu Papierformaat.

    Opmerking:

    Als de optie Aangepast niet beschikbaar is, worden aangepaste papierformaten niet ondersteund door het PPD-bestand dat u tijdens het instellen van de printer hebt geïnstalleerd.

  4. Voer een van de volgende handelingen uit om de hoogte en breedte op te geven:
    • Als u InDesign het kleinste papierformaat wilt laten bepalen dat nodig is voor de inhoud van het document, de drukkersmarkeringen, en het afloopgebied en de witruimte rond pagina, selecteert u Automatisch bij Breedte en Hoogte. De standaardoptie Automatisch is eveneens de beste optie als u verschillende paginaformaten in een boek gebruikt en u afdrukt op doorlopende media, zoals een filmrol of fotogevoelig papier.

    • Als u een groter formaat dan het standaardformaat op wilt geven, voert u de gewenste afmetingen in de tekstvakken Breedte en Hoogte in. Voer een hogere waarde in. Bij een lagere waarde dan de standaardwaarden kan het document worden bijgeknipt.

  5. Als u de positie van de pagina op de film wilt wijzigen, voert u een waarde in bij Verschuiving.

    Deze waarde bepaalt de lege ruimte links van het afbeeldingsgebied. Als u bijvoorbeeld een waarde van 30 punten bij de optie Verschuiving invoert, wordt de pagina 30 punten naar rechts verschoven.

  6. Om zowel het medium als de pagina-inhoud te roteren, selecteert u Gekanteld en klikt u op OK.

    U kunt aanzienlijk besparen op film of papier als u Gekanteld in combinatie met Verschuiving gebruikt. Vergelijk de volgende voorbeelden van een afbeelding die is afgedrukt met en zonder de optie Gekanteld.

    Gekanteld niet geselecteerd en wel geselecteerd
    Gekanteld niet geselecteerd (links) en Gekanteld geselecteerd (rechts)

    A. Verschuivingswaarde B. Tussenruimte C. Bespaarde film 
  7. Als u de afstand tussen afzonderlijke pagina's op wilt geven voor het afdrukken op doorlopende media, voert u een waarde in bij Tussenruimte.

Kiezen welke lagen worden afgedrukt of naar PDF worden geëxporteerd

  1. Als u de instellingen van Laag tonen of Laag afdrukken voor het document wilt bekijken of wijzigen, selecteert u een laag in het deelvenster Lagen en kiest u Laagopties in het deelvenstermenu. Geef laagopties op en klik op OK.
  2. Ga op een van de volgende manieren te werk:
    • Kies Bestand > Afdrukken en klik op Algemeen links in het dialoogvenster Afdrukken.

    • Kies Bestand > Exporteren, geef Adobe PDF op en klik op Opslaan. Klik op Algemeen links in het dialoogvenster Adobe PDF exporteren.

  3. Kies in het menu Lagen afdrukken of Lagen exporteren welke lagen u wilt afdrukken of in het PDF-bestand wilt opnemen:

    Alle lagen

    Hiermee worden alle lagen in het document afgedrukt of uitgevoerd, ook de verborgen en niet-afdrukbare lagen.

    Zichtbare lagen

    Hiermee worden alle zichtbare lagen afgedrukt, ook de lagen die in Laagopties als niet-afdrukbaar zijn ingesteld.

    Zichtbare en afdrukbare lagen

    Hiermee worden alleen de lagen afgedrukt of uitgevoerd die zijn ingesteld om zowel te worden weergegeven als te worden afgedrukt.

Afdrukken op niet-PostScript-printers

Het is mogelijk documenten op een niet-PostScript-printer af te drukken. Aangezien PostScript de standaardpaginabeschrijvingstaal voor professioneel publiceren is, kunnen veel geavanceerde functies voor kleuren en afbeeldingen, zoals rasterfrequenties en kleurscheidingen, alleen op PostScript-printers worden gereproduceerd. De meeste geïmporteerde grafische bestandsindelingen worden in een acceptabele kwaliteit afgedrukt. Een document dat op een niet-PostScript-printer wordt afgedrukt, hoort eruit te zien zoals het op het scherm wordt weergegeven wanneer u de voorvertoningsmodus hebt gekozen.

Opmerking:

Er is software van andere leveranciers beschikbaar waarmee u PostScript-functies kunt toevoegen aan een niet-PostScript-printer. Neem contact op met uw softwareleverancier voor informatie over beschikbaarheid en compatibiliteit.

Wanneer u op een niet-PostScript-printer afdrukt, kunt u tijdens het afdrukken alle illustraties rasteren. Gebruik deze optie wanneer u documenten wilt afdrukken die complexe objecten bevatten, zoals objecten met vloeiende schaduwen en verlopen, omdat de kans op fouten dan kleiner is.

  1. Kies Bestand > Afdrukken.
  2. Selecteer Geavanceerd aan de linkerkant van het dialoogvenster Afdrukken.
  3. Selecteer Afdrukken als bitmap.

    Deze optie is alleen beschikbaar wanneer de printer door het printerstuurprogramma als een niet-PostScript-printer wordt aangegeven. Als deze optie in Mac OS 10.3 of hoger wordt geselecteerd voor niet-PostScript-printers, wordt er in InDesign in PostScript afgedrukt, waarmee vervolgens de afbeeldingen op de pagina's door Mac OS en het stuurprogramma worden weergegeven. In Windows worden de geavanceerde kleur- en afbeeldingsfuncties waarschijnlijk niet goed omgezet als deze optie niet is geselecteerd.

  4. Geef een resolutie voor het afdrukken van bitmaps op.

    De uitvoerresolutie kan worden beperkt door de resolutie van het printerstuurprogramma. De kwaliteit van de uitvoer is het beste als u de resolutie van het niet-PostScript-printerstuurprogramma gelijk of hoger instelt dan de uitvoerresolutie die in het dialoogvenster Afdrukken van InDesign is ingesteld.

Voorvertoning van documenten bekijken

Controleer voordat u op een PostScript-printer afdrukt of de documentpagina's op het gekozen papierformaat passen. Een voorvertoning linksonder in het dialoogvenster Afdrukken geeft aan of de instellingen voor papier en de afdrukstand geschikt zijn voor het paginaformaat. Wanneer u verschillende opties in het dialoogvenster Afdrukken selecteert, wordt de voorvertoning dynamisch bijgewerkt met nieuwe afdrukinstellingen.

  1. Kies Bestand > Afdrukken.
  2. Klik linksonder in het dialoogvenster Afdrukken op de voorvertoningsafbeelding.

De voorvertoning kent drie weergaven:

Standaardweergave

Geeft de relatie van een documentpagina ten opzichte van het medium aan. In deze weergave ziet u de effecten van diverse opties (zoals papierformaat) op het afbeeldingsgebied, het afloopgebied en de witruimte rondom de pagina, paginamarkeringen, enzovoort, evenals de effecten van de optie Naast elkaar en de miniatuurweergave.

Vier verschillende instellingen, in de standaardweergave, om pagina's passend te maken
Vier verschillende instellingen, in de standaardweergave, om pagina's passend te maken

A. Standaard B. Spreads C. Afdrukstand D. 2x2 miniaturen 

Tekstweergave

Geeft een overzicht van de numerieke waarden voor bepaalde afdrukinstellingen.

Weergave van aangepaste pagina's of losse vellen

Geeft de effecten van diverse afdrukinstellingen weer, afhankelijk van het paginaformaat. Bij aangepaste paginaformaten ziet u hoe de media op het aangepaste uitvoerapparaat passen, wat de maximale ondersteunde media-afmetingen van het uitvoerapparaat zijn en welke instellingen voor Verschuiving, Tussenruimte en Gekanteld zijn geselecteerd. Bij losse vellen zoals Letter en Tabloid geeft de voorvertoning de relatie tussen afbeeldingsgebied en mediagrootte aan.

In beide weergaven wordt in de voorvertoning de uitvoermodus ook aangeduid met een pictogram: Scheidingen , Samengesteld grijs , Samengesteld CMYK  of Samengesteld RGB .

Weergave voor aangepaste pagina's (links) en weergave voor losse vellen (rechts)
Weergave voor aangepaste pagina's (links) en weergave voor losse vellen (rechts)

A. Richting van mediadoorvoer B. Gekanteld niet geselecteerd C. Papierformaat D. Media E. Afdrukbaar gebied F. Media 

Een printer instellen

Met InDesign kunt u zowel op PostScript® (Level 2 en 3)- als op niet-PostScript-printers afdrukken met behulp van de nieuwste printerstuurprogramma's. Als u op een PostScript-printer afdrukt, gebruikt InDesign informatie van een PPD-bestand (PostScript Printer Description) om te bepalen welke instellingen in het dialoogvenster Afdrukken moeten worden weergegeven.

Volg deze basisstappen als u een printer wilt instellen:

  • Installeer het nieuwste printerstuurprogramma voor uw uitvoerapparaat. Raadpleeg de documentatie van het besturingssysteem voor nadere instructies.

  • Selecteer voor PostScript-afdrukken een PPD-bestand wanneer u uw printer instelt.

Over printerstuurprogramma's

Met behulp van een printerstuurprogramma hebt u rechtstreeks via de toepassingen op uw computer toegang tot de functies van uw printer. Alleen als u over het juiste stuurprogramma beschikt, hebt u toegang tot alle functies die een bepaalde printer ondersteunt.

Adobe raadt aan het nieuwste stuurprogramma dat voor uw besturingssysteem beschikbaar is, te installeren.

Functies van printerstuurprogramma openen

Printerstuurprogramma's bieden mogelijk ondersteuning voor functies die niet in InDesign zijn opgenomen, zoals duplexafdrukken. Ondersteuning voor deze functies is afhankelijk van het stuurprogramma dat u hebt. Raadpleeg de leverancier van de printer voor meer informatie.

Als u instellingen voor een bepaalde printer wilt opgeven, is het goed te weten dat InDesign via de volgende knoppen in het dialoogvenster Afdrukken van InDesign toegang tot het printerstuurprogramma biedt (deze opties zijn niet beschikbaar wanneer u een PostScript-bestand afdrukt).

Instellen

In Windows opent deze knop het dialoogvenster Afdrukken.

Pagina-instelling

In Mac OS opent deze knop het standaard Mac OS-dialoogvenster Pagina-instelling.

Printer

In Mac OS opent deze knop het standaard Mac OS-dialoogvenster Afdrukken.

Opmerking:

Sommige afdrukfuncties van InDesign staan zowel in de dialoogvensters van het printerstuurprogramma als in het dialoogvenster Afdrukken van InDesign. U krijgt het beste resultaat als u deze instellingen alleen in het dialoogvenster Afdrukken van InDesign opgeeft. In dat geval probeert InDesign de instellingen te synchroniseren. Als dat niet lukt, worden de instellingen van het stuurprogramma genegeerd. Sommige functies van het printerstuurprogramma (bijvoorbeeld N-up afdrukken waarmee u dezelfde illustratie meerdere keren op dezelfde pagina afdrukt) kunnen niet worden gecombineerd met InDesign-functies zoals scheidingen en leiden tot minder goede afdrukken.

Een PPD-bestand selecteren

Een PPD-bestand (PostScript Printer Description) heeft invloed op het gedrag van het stuurprogramma van uw specifieke PostScript-printer. Het bevat informatie over het uitvoerapparaat, zoals de lettertypen in de printer, de beschikbare mediumformaten en de afdrukstand, geoptimaliseerde rasterfrequenties, rasterhoeken, resolutie en functies voor kleurendruk. Het is belangrijk het juiste PPD-bestand te gebruiken wanneer u gaat afdrukken. Wanneer u de PPD voor uw PostScript-printer of imagesetter selecteert, staan de beschikbare instellingen voor uw uitvoerapparaat in het dialoogvenster Afdrukken. Indien nodig kunt u een andere PPD gebruiken die beter aan uw behoeften voldoet. Op basis van de informatie in het PPD-bestand wordt bepaald welke PostScript-informatie bij het afdrukken naar de printer wordt verzonden.

Voor kwalitatief goede afdrukken raadt Adobe aan contact op te nemen met de leverancier van het uitvoerapparaat voor het meest recente PPD-bestand. Veel afdrukservicebureaus en drukkers beschikken over een PPD voor de imagesetters waarmee zij werken. Sla de PPD's op de locatie op die door het besturingssysteem is opgegeven. Raadpleeg de documentatie bij het besturingssysteem voor meer informatie.

  1. In Windows en in Mac OS selecteert u een PPD-bestand zoals u een printer toevoegt. De procedure waarmee u een PPD-bestand selecteert, verschilt per platform. Raadpleeg de documentatie van het besturingssysteem voor nadere instructies.

Afdrukvoorinstellingen gebruiken

Als u regelmatig op verschillende printers afdrukt of verschillende soorten afdruktaken gebruikt, kunt u de afdruktaken automatiseren door alle uitvoerinstellingen als voorinstellingen voor het afdrukken op te slaan. Met behulp van voorinstellingen voor afdrukken kunt u afdruktaken waarvoor u veel opties in het dialoogvenster Afdrukken nauwkeurig moet instellen, snel en accuraat uitvoeren.

U kunt voorinstellingen voor het afdrukken opslaan en laden. Zo kunt u er makkelijker reservekopieën van maken of de voorinstellingen doorsturen naar uw servicebureaus, klanten of collega's in uw werkgroep.

U kunt voorinstellingen voor afdrukken maken en bekijken in het dialoogvenster Voorinstellingen afdrukken.

Afdrukvoorinstellingen maken

  1. Ga op een van de volgende manieren te werk:
    • Kies Bestand > Afdrukken, pas de afdrukinstellingen aan en klik op Voorinstelling opslaan. Typ een naam of gebruik de standaardnaam en klik op OK. Met deze methode wordt de voorinstelling opgeslagen in het voorkeurenbestand.

    • Kies Bestand > Voorinstellingen afdrukken > Definiëren en klik op Nieuw. Typ in het dialoogvenster dat wordt geopend, een nieuwe naam of gebruik de standaardnaam, pas de afdrukinstellingen aan en klik op OK. U gaat terug naar het dialoogvenster Voorinstellingen afdrukken. Klik nogmaals op OK.

Afdrukvoorinstellingen toepassen

  1. Kies Bestand > Afdrukken.
  2. Kies een afdrukvoorinstelling in het menu Voorinstellingen afdrukken. Bevestig desgewenst de printerinstellingen in het dialoogvenster Afdrukken.
  3. Klik op Afdrukken.

Opmerking:

In InDesign kunt u ook afdrukken met een afdrukvoorinstelling als u een voorinstelling kiest via Bestand > Voorinstellingen afdrukken.

Afdrukvoorinstellingen bewerken

  1. Ga op een van de volgende manieren te werk:
    • Kies Bestand > Afdrukken, pas de afdrukinstellingen aan en klik op Voorinstelling opslaan. Typ in het dialoogvenster Voorinstelling opslaan een naam of gebruik de huidige naam (als de huidige naam de naam is van een bestaande voorinstelling, worden de instellingen hiervan overschreven). Klik op OK.

    • Kies Bestand > Voorinstellingen afdrukken > Definiëren, selecteer een voorinstelling in de lijst en klik op Bewerken. Pas de afdrukinstellingen aan en klik op OK om terug te gaan naar het dialoogvenster Voorinstellingen afdrukken. Klik nogmaals op OK.

    Opmerking:

    U kunt de standaardvoorinstelling bewerken op de hierboven beschreven manier.

Afdrukvoorinstellingen verwijderen

  1. Kies Bestand > Voorinstellingen afdrukken > Definiëren.
  2. Selecteer een of meer voorinstellingen in de lijst en klik op Verwijderen. Houd Shift ingedrukt terwijl u klikt als u aangrenzende voorinstellingen wilt selecteren. Houd Ctrl (Windows) of Command (Mac OS) ingedrukt en klik om niet-aangrenzende voorinstellingen te selecteren.

Dit werk is gelicentieerd onder de Creative Commons Naamsvermelding/Niet-commercieel/Gelijk delen 3.0 Unported-licentie  De voorwaarden van Creative Commons zijn niet van toepassing op Twitter™- en Facebook-berichten.

Juridische kennisgevingen   |   Online privacybeleid