Transparantie

Transparantie is een integraal onderdeel van Illustrator, zodat het mogelijk is dat transparantie aan illustraties wordt toegevoegd zonder dat u het merkt. U kunt op de volgende manieren transparantie aan illustraties toevoegen:

  • U verlaagt de dekking van objecten, zodat de onderliggende illustratie zichtbaar wordt.

  • U gebruikt dekkingsmaskers om variaties in transparantie te maken.

  • U gebruikt een overvloeimodus om de interactie tussen overlappende objecten te wijzigen.

  • U past verlopen en netten toe die transparantie bevatten.

  • U past effecten of grafische stijlen toe die transparantie bevatten, zoals slagschaduwen.

  • U importeert bestanden van Adobe Photoshop die transparantie bevatten.

Overzicht van het deelvenster Transparantie

Gebruik het deelvenster Transparantie (Venster > Transparantie) om de dekking en de overvloeimodus van objecten in te stellen, dekkingsmaskers te maken of om een gedeelte van het ene object af te dekken met het overlappende gedeelte van een transparant object.

Alle opties in het deelvenster Transparantie tonen

  1. Kies Opties tonen in het deelvenstermenu.

Een miniatuur van het geselecteerde object tonen in het deelvenster Transparantie

  1. Kies Miniatuur tonen in het deelvenstermenu. U kunt ook op het dubbele driehoekje op de deelvenstertab klikken om door de weergavegrootten te bladeren.

Transparantie in illustraties bekijken

Het is belangrijk dat u weet of u transparantie gebruikt, omdat u enkele extra opties moet instellen als u transparante illustraties wilt afdrukken of opslaan. Als u transparantie in een illustratie wilt zien, kunt u een geblokt achtergrondraster weergeven, zodat u kunt zien welke gebieden in de illustratie transparant zijn.

  1. Kies Weergave > Transparantieraster tonen.
  2. (Optioneel) Kies Bestand > Documentinstellingen en stel de transparantieopties voor het raster in.

    Opmerking:

    U kunt ook de kleur van het tekengebied wijzigen om te simuleren hoe de illustratie eruit ziet wanneer deze op gekleurd papier wordt afgedrukt.

De dekking van illustraties wijzigen

U kunt de dekking van een enkel object, de dekking van alle objecten in een groep of laag of de dekking van de vulling of lijn van een object wijzigen.

  1. Selecteer een object of groep (of selecteer een laag in het deelvenster Lagen).

    Als u de dekking van een vulling of lijn wilt wijzigen, selecteert u eerst het object en vervolgens de vulling of lijn in het deelvenster Vormgeving.

  2. Stel de optie Dekking in het deelvenster Transparantie of in het regelpaneel in.

    Opmerking:

    Als u alle objecten met een bepaalde dekking wilt selecteren, selecteert u een object met die dekking of deselecteert u alles en geeft u de dekkingswaarde op in het deelvenster Transparantie. Kies vervolgens Selecteren > Zelfde > Dekking.

    Als u meerdere objecten in een laag selecteert en de dekking wijzigt, verandert de transparantie van overlappende gebieden van de geselecteerde objecten ten opzichte van de andere objecten. Deze gebieden zullen een hogere dekkingswaarde hebben. Als u echter een laag of groep aanwijst en daarna de dekking wijzigt, worden de objecten in de laag of groep als één object gezien. Alleen objecten buiten en onder de laag of groep zijn zichtbaar door de transparante objecten. Als een object naar de laag of de groep wordt verplaatst, neemt het de dekking van de laag of de groep over en als een object buiten de groep wordt geplaatst, blijft de dekking niet behouden.

    De optie Dekking
    Afzonderlijke objecten die zijn geselecteerd en waarvoor de dekking is ingesteld op 50% (links), vergeleken met een laag die als doel is geselecteerd en waarvan de dekking is ingesteld op 50% (rechts)

Een transparante afdekgroep maken

In een transparante afdekgroep schijnen de elementen van een groep niet door elkaar heen.

Afdekgroep met transparantie
Groep waarvoor de optie Afdekgroep is uitgeschakeld (links) en ingeschakeld (rechts).

  1. Wijs in het deelvenster Lagen de groep of laag aan waar u een afdekgroep van wilt maken.
  2. Selecteer in het deelvenster Transparantie de optie Afdekgroep. Als deze optie niet wordt weergegeven, selecteert u Opties tonen in het deelvenstermenu.

    Het selectievakje Afdekgroep kent drie standen: aan (vinkje), uit (leeg) en neutraal (gevuld vierkantje). Gebruik de neutrale stand als u de illustratie wilt groeperen zonder het afdekgedrag te beïnvloeden zoals dat wordt bepaald door de ingesloten laag of groep. Schakel de optie uit als u wilt dat een laag of groep van transparante objecten elkaar nooit afdekken.

Dekkingsmaskers gebruiken om transparantie te maken

Met een dekkingsmasker en een maskerend object kunt u de transparantie van de illustratie wijzigen. Het dekkingsmasker (ook wel gemaskeerde illustratie genoemd) biedt een vorm waardoor andere objecten zichtbaar zijn. Het maskerende object bepaalt welke gebieden transparant zijn en wat de mate van transparantie is. U kunt elk gekleurd object of elke gekleurde rasterafbeelding gebruiken als maskerend object. Voor de dekkingsniveaus in het masker maakt Illustrator gebruik van de grijswaarde-equivalenten van de kleuren in het maskerende object. Waar het dekkingsmasker wit is, is de illustratie volledig zichtbaar. Waar het dekkingsmasker zwart is, is de illustratie verborgen. Grijstinten in het masker resulteren in verschillende transparantieniveaus in de illustratie.

Dekkingsmaskers
Een dekkingsmasker maken

A. Onderliggende objecten B. Illustratie die als dekkingsmasker fungeert C. Maskerend object gevuld met zwart-witverloop D. C is over gebied B geplaatst en maskeert B 

Wanneer het dekkingsmasker is gemaakt, wordt een miniatuur van het maskerende object weergegeven in het deelvenster Transparantie rechts van de miniatuur van de gemaskeerde illustratie. (Als deze miniaturen niet worden weergegeven, kiest u Miniatuur tonen in het deelvenstermenu.) Standaard zijn de gemaskeerde illustratie en het maskerende object gekoppeld (dit wordt weergegeven met een koppeling tussen de miniaturen in het deelvenster). Wanneer u de gemaskeerde illustratie verplaatst, wordt ook het maskerende object verplaatst. Wanneer u echter een maskerend object verplaatst, wordt de gemaskeerde illustratie niet verplaatst. U kunt de koppeling met het masker in het deelvenster Transparantie verbreken, zodat het masker op zijn plaats blijft en u de gemaskeerde illustratie onafhankelijk kunt verplaatsen.

Deelvenster met transparantieopties
In het deelvenster Transparantie worden miniaturen van dekkingsmaskers weergegeven: de miniatuur links vertegenwoordigt het dekkingsmasker, de miniatuur rechts vertegenwoordigt maskerende objecten.

U kunt maskers verplaatsen tussen Photoshop en Illustrator. Dekkingsmaskers in Illustrator worden in Photoshop omgezet in laagmaskers, en andersom.

Opmerking:

U kunt de isolatiemodus niet activeren als u in de bewerkingsmodus voor maskers werkt en andersom.

Zie Dekkingsmaskers maken voor een video over het werken met dekkingsmaskers.

Een dekkingsmasker maken

  1. Selecteer een enkelvoudig object of groep, of selecteer een laag in het deelvenster Lagen.
  2. Open het deelvenster Transparantie en kies, indien nodig, Opties tonen in het deelvenstermenu om de miniatuurafbeeldingen weer te geven.
  3. Dubbelklik direct rechts naast de miniatuur in het deelvenster Transparantie.

    Er wordt een leeg masker gemaakt en de bewerkingsmodus voor maskers wordt automatisch geactiveerd.

  4. Gebruik de tekentools om de vorm van het masker te tekenen.
  5. Klik op de miniatuur van de gemaskeerde illustratie (linkerminiatuur) in het deelvenster Transparantie om de bewerkingsmodus voor maskers af te sluiten.

Opmerking:

Met de optie Knippen stelt u een zwarte achtergrond in voor het masker. Als de optie Knippen is geselecteerd, zijn zwarte objecten, zoals zwarte tekst die u gebruikt om een dekkingsmasker te maken, daarom niet zichtbaar. Als u de objecten wilt zien, gebruikt u een andere kleur of schakelt u de optie Knippen uit.

Een bestaand object omzetten in een dekkingsmasker

  1. Selecteer ten minste twee objecten of groepen en kies Dekkingsmasker maken in het menu van het deelvenster Transparantie. Het bovenste object of de bovenste groep in de selectie wordt gebruikt als masker.

Een maskerend object bewerken

U kunt een maskerend object bewerken om de vorm of de transparantie van het masker te wijzigen.

  1. Klik op de miniatuur van het maskerende object (rechterminiatuur) in het deelvenster Transparantie.
  2. Houd Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt en klik op de maskerminiatuur om alle andere illustraties in het documentvenster te verbergen. (Als de miniaturen niet worden weergegeven, kiest u Miniatuur tonen in het deelvenstermenu.)
  3. Bewerk het masker met de bewerkingstools en -technieken van Illustrator.
  4. Klik op de miniatuur van de gemaskeerde illustratie (linkerminiatuur) in het deelvenster Transparantie om de bewerkingsmodus voor maskers af te sluiten.
  • Als u een masker wilt ontkoppelen, wijs dan de gemaskeerde illustratie aan in het deelvenster Lagen en klik op het koppelingssymbool  tussen de miniaturen in het deelvenster Transparantie. Of selecteer Dekkingsmasker scheiden in het menu van het deelvenster Transparantie.

    De positie en de grootte van het maskerende object worden vergrendeld en u kunt de gemaskeerde objecten onafhankelijk van het masker verplaatsen en vergroten of verkleinen.

  • Als u een masker opnieuw wilt koppelen, wijs dan de gemaskeerde illustratie aan in het deelvenster Lagen en klik in het gebied tussen de miniaturen in het deelvenster Transparantie. Of selecteer Dekkingsmasker koppelen in het menu van het deelvenster Transparantie.

Een dekkingsmasker deactiveren of opnieuw activeren

Als u de transparantie wilt verwijderen die door het masker wordt gemaakt, kunt u het masker deactiveren.

  • Als u een masker wilt deactiveren, wijs dan de gemaskeerde illustratie aan in het deelvenster Lagen en klik, terwijl u Shift ingedrukt houdt, op de miniatuur van het maskerende object (rechterminiatuur) in het deelvenster Transparantie. Of selecteer Dekkingsmasker uitschakelen in het menu van het deelvenster Transparantie. Wanneer het dekkingsmasker is gedeactiveerd, wordt er een rood kruis weergegeven door de maskerminiatuur in het deelvenster Transparantie.
  • Als u een masker opnieuw wilt activeren, wijs dan de gemaskeerde illustratie aan in het deelvenster Lagen en klik, terwijl u Shift ingedrukt houdt, op de miniatuur van het maskerende object in het deelvenster Transparantie. Of selecteer Dekkingsmasker inschakelen in het menu van het deelvenster Transparantie.

Een dekkingsmasker verwijderen

  1. Wijs de gemaskeerde illustratie aan in het deelvenster Lagen en selecteer vervolgens Dekkingsmasker opheffen in het deelvenster Transparantie.

    Het maskerende object komt nu weer tevoorschijn boven op de objecten die waren gemaskeerd.

Een dekkingsmasker omkeren of knippen

  1. Selecteer de gemaskeerde illustratie in het deelvenster Lagen.
  2. Selecteer een van de volgende opties in het deelvenster Transparantie:

    Knippen

    Het masker krijgt een zwarte achtergrond waardoor de gemaskeerde illustratie wordt uitgeknipt tot de grenzen van het maskerende object. Schakel de optie Knippen uit om dit gedrag uit te schakelen. Als nieuwe dekkingsmaskers standaard knippend moeten zijn, selecteer dan Nieuwe dekkingsmaskers zijn knippend in het menu van het deelvenster Transparantie.

    Mask. omkeren

    Hiermee worden de lichtsterktewaarden van het maskerende object omgekeerd, waardoor de dekking van de gemaskeerde illustratie wordt omgekeerd. Als het masker is omgekeerd, worden gebieden die bijvoorbeeld 90% transparant zijn, 10% transparant. Schakel de optie Mask. omkeren uit om de oorspronkelijke toestand van het masker te herstellen. Als u alle maskers standaard wilt omkeren, selecteer dan Nieuwe dekkingsmaskers worden omgekeerd in het menu van het deelvenster Transparantie.

    Als deze opties niet worden weergegeven, selecteert u Opties tonen in het deelvenstermenu.

Transparantie gebruiken om een afdekvorm te maken

Met de optie Dekking en masker bepalen afdekvorm kunt u een afdekeffect maken dat proportioneel is ten opzichte van de dekking van het object. In gebieden van het masker waar de dekking bijna 100% is, is er sprake van een sterk afdekeffect; in gebieden met minder dekking, is het afdekeffect zwakker. Als u bijvoorbeeld een object met verloopmaskering gebruikt als afdekvorm, wordt het onderliggende object in toenemende mate afgedekt, alsof het door een verloop wordt gearceerd. U kunt afdekvormen maken met zowel vectorobjecten als rasterobjecten. Deze techniek is het meest geschikt voor objecten die een andere overvloeimodus gebruiken dan de modus Normaal.

  1. Voer een van de volgende handelingen uit:
    • Als u een dekkingsmasker wilt gebruiken om de afdekvorm te maken, selecteert u de gemaskeerde illustratie en groepeert u deze vervolgens met de objecten die u wilt afdekken.

    • Als u het alfakanaal van een bitmapobject wilt gebruiken om de afdekvorm te maken, selecteert u een bitmapobject dat transparantie bevat en vervolgens groepeert u dat object met de objecten die u wilt afdekken.

  2. Selecteer de groep.
  3. Klik in het deelvenster Transparantie op de optie Afdekgroep totdat er een vinkje wordt weergegeven.
  4. Selecteer de maskerende objecten of de transparante afbeelding die in het deelvenster Lagen tussen de gegroepeerde objecten staan.
  5. Selecteer in het deelvenster Transparantie de optie Dekking en masker bepalen afdekvorm.
    Afdekvormen
    Vormen afdekken met een bitmapobject

    A. Originele illustratie B. De overvloeimodus Donkerder maken toegepast op het woord “PEARS” terwijl de optie Afdekgroep is geselecteerd C. De optie Dekking en masker bepalen afdekvorm toegepast op woord 

Overvloeimodi

Met overvloeimodi kunt u kleuren van objecten en de kleuren van onderliggende objecten op verschillende manieren in elkaar laten overvloeien. Wanneer u een overvloeimodus toepast op een object, is het effect van de overvloeimodus zichtbaar op alle objecten onder de laag of de groep met het object.

Het is handig om bij het visualiseren van het effect van een overvloeimodus te denken aan de volgende terminologie wat betreft kleuren:

  • De overvloeikleur is de oorspronkelijke kleur van het geselecteerde object of van de geselecteerde groep of laag.

  • De basiskleur is de onderliggende kleur in de illustratie.

  • De resulterende kleur is de kleur die ontstaat na het overvloeien.

Overvloeimodi
Bovenste object met overvloeimodus Normaal (links) in vergelijking met de overvloeimodus Fel licht (rechts)

In Illustrator kunt u beschikken over de volgende overvloeimodi:

Normaal

Verft de selectie met de overvloeikleur zonder interactie met de basiskleur. Dit is de standaardmodus.

Donkerder maken

Selecteert de basis- of overvloeikleur als resulterende kleur (de donkerste kleur wordt geselecteerd). Gebieden die lichter zijn dan de overvloeikleur, worden vervangen. Gebieden die donkerder zijn dan de overvloeikleur, blijven ongewijzigd.

Vermenigvuldigen

Vermenigvuldigt de basiskleur met de overvloeikleur. De resulterende kleur is altijd donkerder. Vermenigvuldigen met zwart geeft altijd zwart als resultaat. Elke willekeurige kleur die met wit wordt vermenigvuldigd, blijft ongewijzigd. U krijgt een vergelijkbaar effect wanneer u tekent op de pagina met meerdere magische markeringen.

Kleur doordrukken

Maakt de basiskleur donkerder waardoor de overvloeikleur zichtbaar wordt. Wit als overvloeikleur heeft in deze modus geen effect.

Lichter maken

Selecteert de basis- of overvloeikleur als resulterende kleur (de lichtste kleur wordt geselecteerd). Gebieden die donkerder zijn dan de overvloeikleur, worden vervangen. Gebieden die lichter zijn dan de overvloeikleur, blijven ongewijzigd.

Rasteren

Vermenigvuldigt de omkering van de overvloeikleur en de basiskleur. De resulterende kleur is altijd lichter. Rasteren met zwart heeft geen effect: de originele kleur blijft ongewijzigd. Rasteren met wit geeft altijd wit. U krijgt een vergelijkbaar effect wanneer u meerdere dia's bovenop elkaar projecteert.

Kleur tegenhouden

Maakt de basiskleur helderder waardoor de overvloeikleur zichtbaar wordt. Zwart heeft in deze modus geen effect.

Overvloeien

In deze modus worden de kleuren vermenigvuldigd of gerasterd, afhankelijk van de basiskleur. Patronen of kleuren bedekken de bestaande illustraties. Hierbij blijven de markeringen en schaduwen van de basiskleur behouden, terwijl de overvloeikleur wordt gemengd om de lichtheid en donkerte van de oorspronkelijke kleur weer te geven.

Zacht licht

In deze modus worden de kleuren donkerder of lichter gemaakt, afhankelijk van de overvloeikleur. Dit geeft ongeveer hetzelfde effect als diffuus licht op een schilderij.

Als de overvloeikleur (lichtbron) lichter is dan 50% grijs, wordt de illustratie lichter, alsof deze is tegengehouden. Als de overvloeikleur donkerder is dan 50% grijs, wordt de illustratie donkerder, alsof deze is doorgedrukt. Als u puur zwart of puur wit als werkkleur gebruikt, is het resultaat een aanzienlijk donkerder of lichter gebied, maar niet een puur zwart of puur wit gebied.

Fel licht

In deze modus worden de kleuren vermenigvuldigd of gerasterd, afhankelijk van de overvloeikleur. Dit geeft ongeveer hetzelfde effect als een felle lamp op een schilderij.

Als de overvloeikleur (lichtbron) lichter is dan 50% grijs, wordt de illustratie lichter, alsof deze is gerasterd. Zo kunt u markeringen toevoegen aan illustraties. Als de overvloeikleur donkerder is dan 50% grijs, wordt de illustratie donkerder, alsof deze is vermenigvuldigd. Hiermee kunt u een schaduweffect aan illustraties toevoegen. Als u in deze modus puur zwart of puur wit als werkkleur gebruikt, is het resultaat ook puur zwart of puur wit.

Verschil

Trekt de overvloeikleur van de basiskleur of de basiskleur van de overvloeikleur af, afhankelijk van welke kleur de hoogste helderheidswaarde heeft. Als u wit gebruikt als overvloeikleur, worden de kleurwaarden van de basiskleur omgekeerd. Zwart heeft in deze modus geen effect.

Uitsluiting

In deze modus wordt een effect gecreëerd dat vergelijkbaar is met dan van de modus Verschil; het contrast is alleen minder. Als u wit gebruikt als overvloeikleur, worden de basiskleurcomponenten omgekeerd. Zwart heeft in deze modus geen effect.

Kleurtoon

Hiermee wordt een eindkleur gemaakt met de lichtsterkte en verzadiging van de basiskleur, en de kleurtoon van de overvloeikleur.

Verzadiging

In deze modus ontstaat een eindkleur met de luminantie en kleurtoon van de basiskleur en de verzadiging van de overvloeikleur. Als u in deze modus een gebied verft zonder verzadiging (grijs), gebeurt er niets.

Kleur

In deze modus ontstaat een eindkleur met de luminantie van de basiskleur en de kleurtoon en verzadiging van de overvloeikleur. Op deze manier blijven de grijsniveaus in de illustraties behouden en kunt u heel gemakkelijk monochrome illustraties kleuren en gekleurde illustraties tinten geven.

Lichtsterkte

In deze modus ontstaat een eindkleur met de kleurtoon en verzadiging van de basiskleur en de luminantie van de overvloeikleur. Het effect van deze modus is het tegenovergestelde van het effect van de modus Kleur.

Opmerking: In de modi Verschil, Uitsluiting, Kleurtoon, Verzadiging, Kleur en Lichtsterkte vloeien steunkleuren niet over en in de meeste overvloeimodi dekt een kleur van 100% zwart de kleur van de onderliggende laag af. Geef in plaats van 100% zwart een rijke zwarte kleur op met CMYK-waarden.

De overvloeimodus van illustraties wijzigen

  1. Selecteer een object of groep (of selecteer een laag in het deelvenster Lagen).

    Als u de overvloeimodus van een vulling of lijn wilt wijzigen, selecteert u het object en vervolgens de vulling of lijn in het deelvenster Vormgeving.

  2. Kies een overvloeimodus in het pop-upmenu van het deelvenster Transparantie.

    U kunt de overvloeimodus in een aangewezen laag of groep isoleren, zodat de onderliggende objecten niet worden beïnvloed. Hiervoor selecteert u rechts van een groep of laag in het deelvenster Lagen het doelpictogram dat een object bevat dat een overvloeimodus gebruikt. Selecteer Overvloeien isoleren in het deelvenster Transparantie. (Als de optie Overvloeien isoleren niet wordt weergegeven, selecteert u Opties tonen in het menu van het deelvenster Transparantie.)

    De optie Overvloeien Isoleren
    Groep (ster en cirkel) met uitgeschakelde optie Overvloeien isoleren (links) vergeleken met ingeschakelde optie (rechts)

    Opmerking:

    Als u alle objecten met dezelfde overvloeimodus wilt selecteren, selecteer dan een object met die overvloeimodus of deselecteer alles en kies de overvloeimodus in het deelvenster Transparantie. Kies vervolgens Selecteren > Zelfde > Overvloeimodus.

Dit werk is gelicentieerd onder de Creative Commons Naamsvermelding/Niet-commercieel/Gelijk delen 3.0 Unported-licentie  De voorwaarden van Creative Commons zijn niet van toepassing op Twitter™- en Facebook-berichten.

Juridische kennisgevingen   |   Online privacybeleid