Opmerking:

De gebruikersinterface van Dreamweaver CC en hoger is vereenvoudigd. Daarom zijn sommige opties die in dit artikel worden beschreven, niet beschikbaar in Dreamweaver CC en hoger. Meer informatie vindt u in dit artikel.

Over aangepast servergedrag

Dreamweaver wordt geleverd met een reeks vormen van ingebouwd servergedrag, waarmee u eenvoudig dynamische mogelijkheden aan een site kunt toevoegen. U kunt de functionaliteit van Dreamweaver uitbreiden door servergedrag te maken dat geschikt is voor uw ontwikkelbehoeften, of door servergedrag te downloaden van de Dreamweaver Exchange-website.

Voordat u zelf servergedrag gaat maken, kunt u het beste eerst de Dreamweaver Exchange-website raadplegen om na te gaan of iemand anders al servergedrag heeft gemaakt met de functionaliteit die u aan uw website kunt toevoegen. Dikwijls heeft een andere ontwikkelaar al servergedrag gemaakt en getest dat aan uw behoeften voldoet.

Toegang krijgen tot Dreamweaver Exchange

  1. In Dreamweaver krijgt u op de volgende manieren toegang tot Dreamweaver Exchange:
    • Selecteer Help > Dreamweaver Exchange.

    • Kies Venster > Servergedrag, klik op de plusknop (+) en kies Meer servergedrag ophalen.

    De Dreamweaver Exchange-webpagina wordt in uw browser geopend.

  2. Meld u met aan bij Exchange met uw Adobe ID of volg de instructies om een Adobe-account te maken als u nog geen Dreamweaver Exchange-id voor uzelf hebt gemaakt.

Een servergedrag of andere extensie in Dreamweaver installeren

  1. Start Extension Manager met de opdracht Opdrachten > Extensies beheren.
  2. Kies Bestand > Pakket installeren in Extensiebeheer.

    Zie Extension Manager gebruiken voor meer informatie.

Workflow voor aangepast servergedrag

Als u bekwaam bent in ColdFusion, JavaScript, VBScript of PHP, kunt u uw eigen servergedrag schrijven. De stappen voor het maken van een servergedrag zijn de volgende:

  • Schrijf een of meer codeblokken die de vereiste actie uitvoeren.

  • Bepaal waar het codeblok in de HTML-code op de pagina moet worden ingevoegd.

  • Als voor het servergedrag een parameterwaarde moet worden opgegeven, maakt u een dialoogvenster waarin de webontwikkelaar die het gedrag toepast, wordt gevraagd een geschikte waarde op te geven.

  • Test het servergedrag voordat anderen het kunnen toepassen.

De opbouwfunctie voor servergedrag gebruiken

Gebruik de opbouwfunctie voor servergedrag om de codeblokken toe te voegen die het gedrag in een pagina invoegen.

  1. Klik in het deelvenster Servergedrag (Venster > Servergedrag) op de plusknop (+) en kies Nieuw servergedrag.
  2. Kies in het pop-upmenu Documenttype het type document waarvoor u het servergedrag ontwikkelt.
  3. Voer in het vak Naam een naam voor het servergedrag in.
  4. (Optioneel) Als u een bestaand servergedrag wilt toevoegen om het gedrag dat u maakt, aan te vullen, kiest u de optie Bestaand servergedrag kopiëren en selecteert u vervolgens het servergedrag in het pop-upmenu Gedrag dat moet worden gekopieerd. Klik op OK.

    Het dialoogvenster Opbouwfunctie voor servergedrag wordt weergegeven.

  5. Als u een nieuw codeblok wilt toevoegen, klikt u op de plusknop, voert u de naam van het codeblok in en klikt u op OK.

    De naam die u invoert, verschijnt in de opbouwfunctie voor servergedrag. De juiste scripttags worden in het vak Codeblok weergegeven.

  6. Voer in het vak Codeblok de runtimecode in die nodig is om het servergedrag te implementeren.

    Opmerking:

    Bij het invoeren van code in het vak Codeblok kunt u alleen een enkele tag of een enkel codeblok invoeren voor elk benoemd codeblok (bijvoorbeeld, myBehavior_block1, myBehavior_block2, myBehavior_blockn, etc.) Als u meer tags of codeblokken invoert, moet u voor elke tag of elk codeblok een afzonderlijk codeblok maken. U kunt code ook van andere pagina's kopiëren en plakken.

  7. Plaats de invoegpositie in het codeblok op de plaats waar u de parameter wilt invoegen, of selecteer een tekenreeks die u door een parameter wilt vervangen.
  8. Klik op de knop Parameter in codeblok invoegen.
  9. Voer een naam voor de parameter in het vak Parameternaam in (bijvoorbeeld, Sessie), en klik op OK.

    De parameter wordt in het codeblok ingevoegd op de plaats waar u de invoegpositie had gezet voordat u de parameter definieerde. Als u een tekenreeks had geselecteerd, wordt elke instantie van de geselecteerde tekenreeks in het codeblok vervangen door een parametermarkering (bijvoorbeeld @@Sessie@@).

  10. Selecteer een optie in het pop-upmenu Code invoegen om op te geven waar u de codeblokken wilt insluiten.
  11. (Optioneel) Als u aanvullende informatie over het servergedrag wilt opgeven, klikt u op de knop Geavanceerd.
  12. Als u meer codeblokken wilt maken, herhaalt u de stappen 5 tot en met 11.
  13. Als voor het servergedrag parameters moeten worden opgegeven, moet u een dialoogvenster maken waarin de persoon die het gedrag toepast, de parameters kan invoeren. Zie de link beneden.
  14. Klik op OK nadat u de vereiste stappen voor het maken van het servergedrag hebt uitgevoerd.

    Het servergedrag wordt in het paneel Servergedrag weergegeven.

  15. Test het servergedrag en controleer of het correct werkt.

Geavanceerde opties

Wanneer u de broncode en invoeglocatie voor elk codeblok hebt opgegeven, is het servergedrag helemaal gedefinieerd. In de meeste gevallen hoeft u geen aanvullende informatie meer op te geven.

Geavanceerde gebruikers kunnen de volgende opties instellen:

Id

Bepaalt of het codeblok als een identifier moet worden behandeld.

Standaard is elk codeblok een identifier. Als Dreamweaver een id-codeblok in een document aantreft, wordt het gedrag ervan weergegeven in het deelvenster Servergedrag. Gebruik de optie Identifier om op te geven of het codeblok als een identifier moet worden afgehandeld.

Minstens een van de codeblokken van het servergedrag moet een identifier zijn. Een codeblok mag geen identifier zijn als een van de volgende voorwaarden van toepassing is: hetzelfde codeblok wordt door een ander servergedrag gebruikt; of het codeblok is dermate eenvoudig dat het vanzelfsprekend op de pagina wordt weergegeven.

Titel servergedrag

De titel van het gedrag zoals deze in het paneel Servergedrag wordt weergegeven.

Wanneer de ontwerper van de pagina op de plusknop (+) in het paneel Servergedrag klikt, wordt de titel van het nieuwe servergedrag in het pop-upmenu weergegeven. Wanneer een ontwerper een instantie van een servergedrag op een document toepast, verschijnt het gedrag in de lijst met toegepast gedrag in het paneel Servergedrag. Gebruik het vak Titel servergedrag om de inhoud van het pop-upmenu Plus (+) en de lijst met toegepast gedrag op te geven.

De eerste waarde in het vak is de naam die u in het dialoogvenster Nieuw servergedrag hebt opgegeven. Terwijl de parameters worden gedefinieerd, wordt de naam automatisch bijgewerkt zodat de parameters tussen haakjes achter de naam van het servergedrag komen te staan.

Set Session Variable (@@Name@@, @@Value@@)

Als de gebruiker de standaardwaarde accepteert, wordt alles vóór de haakjes in het pop-upmenu Plus (+) weergegeven (bijvoorbeeld Sessievariabele instellen). De naam plus de parameters worden in de lijst met toegepast gedrag weergegeven, bijvoorbeeld Sessievariabele instellen ("abcd", “5").

Codeblok dat moet worden geselecteerd

Bepaalt welk codeblok wordt geselecteerd wanneer de gebruiker het gedrag in het paneel Servergedrag selecteert.

Wanneer u een servergedrag toepast, wordt een van de codeblokken in het gedrag aangewezen als het 'codeblok dat moet worden geselecteerd'. Als u het servergedrag toepast en het gedrag vervolgens in het paneel Servergedrag selecteert, wordt het aangewezen blok in het documentvenster geselecteerd. Standaard wordt in Dreamweaver het eerste codeblok geselecteerd dat zich niet boven de html-tag. Als alle codeblokken boven de html-tag staan, wordt het eerste codeblok geselecteerd. Geavanceerde gebruikers kunnen opgeven welk codeblok het geselecteerde is.

Codeblokken maken

De codeblokken die u in de opbouwfunctie voor servergedrag maakt, worden opgenomen in een servergedrag dat in het paneel Servergedrag wordt weergegeven. De code kan elke geldige runtimecode voor het opgegeven servermodel zijn. Als u bijvoorbeeld ColdFusion als het documenttype voor uw aangepast servergedrag selecteert, moet de code worden geschreven in geldige ColdFusion-code die op een ColdFusion-toepassingsserver wordt uitgevoerd.

U kunt de codeblokken rechtstreeks in de opbouwfunctie voor servergedrag maken, of u kunt de code uit andere bronnen kopiëren en plakken. Elk codeblok dat u in de opbouwfunctie voor servergedrag maakt, moet een enkele tag of een enkel scriptblok zijn. Als u meerdere tagblokken moet invoeren, splitst u ze in afzonderlijke codeblokken.

Voorwaarden in codeblokken

In Dreamweaver kunt u codeblokken ontwikkelen die besturingsinstructies bevatten die voorwaardelijk worden uitgevoerd. De Opbouwfunctie voor servergedrag gebruikt if, elseif- en else-instructies en kan ook parameters voor servergedrag bevatten. Op die manier kunt u andere tekstblokken invoegen op basis van de waarden of OR-relaties tussen parameters voor servergedrag.

In het volgende voorbeeld worden de instructies if, elseif en else weergegeven. De vierkante haken ([ ]) duiden op optionele code en het sterretje (*) geeft nul of meer instanties aan. Gebruik de volgende syntaxis als u een gedeelte van een codeblok of het hele codeblok alleen wilt uitvoeren als een of meer voorwaarden gelden:

<@ if (expression1) @>    conditional
text1[<@ elseif (expression2) @>    conditional text2]*[<@ else @> 
    conditional text3]<@ endif @>

Voorwaardelijke expressies kunnen alle JavaScript-expressies zijn die kunnen worden geëvalueerd met de JavaScript-functie eval() en kunnen een parameter voor servergedrag bevatten die wordt gemarkeerd door @@'s. (De @@'s onderscheiden de parameter van JavaScript-variabelen en trefwoorden.)

Voorwaardelijke expressies effectief gebruiken

Wanneer u if, else- en elseif-instructies in de XML-tag insertText gebruikt, wordt de desbetreffende tekst vooraf verwerkt om de if-instructies op te lossen en te bepalen welke tekst in het resultaat moet worden opgenomen. De if- en elseif-instructies gebruiken de expressie als een argument. De voorwaardelijke expressie is dezelfde als die voor voorwaardelijke JavaScript-expressies, en kan ook parameters voor servergedrag bevatten. Met dergelijke instructies kunt u kiezen tussen verschillende codeblokken op basis van de waarden van, of de relaties tussen, parameters voor servergedrag.

Zo is de volgende JSP-code afkomstig uit een Dreamweaver-servergedrag dat een voorwaardelijk codeblok gebruikt:

@@rsName@@.close(); 
<@ if (@@callableName@@ != '') @> 
@@callableName@@.execute(); 
@@rsName@@ = @@callableName@@.getResultSet();<@ else @> 
@@rsName@@ = Statement@@rsName@@.executeQuery(); 
<@ endif @> 
@@rsName@@_hasData = @@rsName@@.next();

Het voorwaardelijke codeblok begint met <@ if (@@callableName@@ ! = '') @> en eindigt met <@ endif @>. Als de gebruiker volgens de code een waarde invult voor de @@callableName@@-parameter in het dialoogvenster Parameter van het servergedrag (indien dus de @@callableName@@-parameterwaarde niet nul is of @@callableName@@ != '')), dan wordt het voorwaardelijke codeblok vervangen door de volgende instructies:

@@callableName@@.execute(); 
@@rsName@@ = @@callableName@@.getResultSet();

Anders wordt het codeblok vervangen door de volgende instructie:

@@rsName@@ = Statement@@rsName@@.executeQuery();

Een codeblok plaatsen

Wanneer u met de opbouwfunctie voor servergedrag codeblokken maakt, moet u opgeven waar u ze in de HTML-code van de pagina wilt invoegen.

Als u bijvoorbeeld een codeblok invoegt boven de begintag <html>, moet u de positie van het codeblok opgeven ten opzichte van andere tags, scripts en servergedrag in die sectie van de HTML-code van de pagina. Een gedrag wordt dikwijls voor of na recordsetquery's geplaatst die ook in de paginacode staan voor de openingstag <html>.

Wanneer u een plaatsingsoptie kiest in het pop-upmenu Code invoegen, veranderen de beschikbare opties in het pop-upmenu Relatieve positie om relevante opties voor dat deel van de pagina weer te geven. Als u bijvoorbeeld Boven de <html>-tag kiest in het pop-upmenu Code invoegen, geven de plaatsingsopties in het pop-upmenu Relatieve positie keuzen weer die relevant zijn voor dat deel van de pagina.

In de volgende tabel ziet u de invoegopties voor het codeblok en de relatieve plaatsingsopties die voor elke invoegoptie beschikbaar zijn:

Opties voor Code invoegen

Opties voor Relatieve positie

Boven de <html>-tag

  • Aan het begin van het bestand

  • Net voor de recordsets

  • Net na de recordsets

  • Net boven de <html>-tag

  • Aangepaste positie

Onder de </html>-tag

  • Voor het bestandseinde

  • Voor de afsluiting van de recordset

  • Na de afsluiting van de recordset

  • Na de </html>-tag

  • Aangepaste positie

Relatief ten opzichte van een specifieke tag

Selecteer een tag in het pop-upmenu Tag en kies een van de opties voor het plaatsen van de tag.

Relatief ten opzichte van de selectie

Voor de selectie

Na de selectie

De selectie vervangen

Rondom de selectie plaatsen

Als u een aangepaste positie wilt opgeven, moet u een gewicht aan het codeblok toekennen. Gebruik de optie Aangepaste positie wanneer u meer dan één codeblok in een bepaalde volgorde moet invoegen. Als u bijvoorbeeld een geordende reeks van drie codeblokken moet invoegen na de codeblokken die recordsets openen, moet u het eerste blok het gewicht 60, het tweede het gewicht 65 en het derde het gewicht 70 geven.

Standaard wijst Dreamweaver een gewicht van 50 toe aan alle codeblokken die een recordset openen en die boven de <html>-tag worden ingevoegd. Als het gewicht van twee of meer blokken gelijk is, plaatst Dreamweaver de blokken in willekeurige volgorde.

Een codeblok plaatsen (algemene instructies)

  1. Schrijf een codeblok met de opbouwfunctie voor servergedrag.
  2. Selecteer in het dialoogvenster Opbouwfunctie voor servergedrag de positie waarop u het codeblok wilt invoegen in het pop-upmenu Code invoegen.
  3. Selecteer in het dialoogvenster Opbouwfunctie voor servergedrag de positie ten opzichte van de positie die u in het pop-upmenu Code invoegen hebt geselecteerd.
  4. Als het codeblok helemaal is voltooid, klikt u op OK.

    Het servergedrag wordt weergegeven in het paneel Servergedrag (Venster > Servergedrag). Klik op de plusknop (+) om het servergedrag weer te geven.

  5. Test het servergedrag en controleer of het correct werkt.

Een codeblok ten opzichte van een andere tag op de pagina plaatsen

  1. Selecteer in het pop-upmenu Code invoegen de optie Relatief ten opzichte van een specifieke tag.
  2. Voer de tag in het vak Tag in of selecteer er een in het pop-upmenu.

    Als u een tag invoert, hoeft u geen punthaken (<>) te gebruiken.

  3. Geef een locatie ten opzichte van de tag op door een optie in het pop-upmenu Relatieve positie te selecteren.

Een codeblok plaatsen ten opzichte van een tag die de ontwerper van de pagina heeft gekozen

  1. Selecteer in het pop-upmenu Code invoegen de optie Relatief ten opzichte van de selectie.
  2. Geef een locatie ten opzichte van de selectie op door een optie in het pop-upmenu Relatieve positie te selecteren.

    U kunt uw codeblok net voor of net na de selectie invoegen. U kunt ook de selectie door het codeblok vervangen of het codeblok om de selectie heen laten lopen.

    Als u het codeblok rond een selectie wilt laten lopen, moet de selectie bestaan uit een openingstag en een afsluitende tag met niets daartussen, zoals volgt:

    <CFIF Day=”Monday”></CFIF>

    Voeg het stukje codeblok van de openingstag vóór de openingstag van de selectie in en voeg het stukje codeblok van de afsluitende tag na de afsluitende tag van de selectie in.

Codeblokken herhalen met de lusinstructie

Als u een gedeelte van een codeblok of het hele codeblok een aantal keer wilt herhalen, gebruikt u de volgende syntaxis:

<@ loop (@@param1@@,@@param2@@) @>    code
block<@ endloop @>

Wanneer u een servergedrag maakt, kunt u met lusconstructies een codeblok een bepaald aantal keer herhalen. <@ loop (@@param1@@,@@param2@@,@@param3@@,@@param_n@@) @> codeblok <@ endloop @>De lusinstructie accepteert een door komma's gescheiden lijst met parameterarrays als argumenten. In dit geval kan een gebruiker met parameterarrays als argument meerdere waarden voor een enkele parameter opgeven. De herhalingstekst wordt n keer gedupliceerd, waarbij n de lengte is van de parameterarray-argumenten. Als meer dan één parameterarray-argument is opgegeven, moeten alle arrays even lang zijn. Bij de ide evaluatie van de lus vervangen de ide elementen van de parameterarrays de bijbehorende parameterinstanties in het codeblok.

Wanneer u een dialoogvenster voor het servergedrag maakt, kunt u een besturingselement aan het dialoogvenster toevoegen waarmee de paginaontwerper parameterarrays kan maken. Dreamweaver bevat een eenvoudig arraybesturingselement dat u kunt gebruiken om dialoogvensters te maken. Dit besturingselement, de Door komma’s gescheiden lijst van tekstvelden, is beschikbaar via de opbouwfunctie voor servergedrag. Als u complexere gebruikersinterface-elementen wilt maken, raadpleegt u de API-documentatie voor het maken van een dialoogvenster met een besturingselement waarmee u arrays kunt maken (bijvoorbeeld een rasterbesturingselement).

U kunt een willekeurig aantal voorwaarden of een lusinstructie in een voorwaardelijke instructie nesten. U kunt bijvoorbeeld opgeven dat de lus wordt uitgevoerd als een bepaalde expressie waar is.

In het volgende voorbeeld ziet u hoe een dergelijke herhaling van codeblokken kan worden gebruikt om servergedrag te maken (het voorbeeld is een ColdFusion-gedrag dat wordt gebruikt om toegang te krijgen tot een opgeslagen procedure):

<@ loop (@@param1@@,@@param2@@,@@param3@@,@@param_n@@) @>    code block 
<@ endloop @>
<CFSTOREDPROC procedure="AddNewBook" 
    datasource=#MM_connection_DSN# 
    username=#MM_connection_USERNAME# 
    password=#MM_connection_PASSWORD#> 
<CFPROCPARAM type="IN" dbvarname="@CategoryId" value="#Form.CategoryID#" 
    cfsqltype="CF_SQL_INTEGER"> 
<CFPROCPARAM type="IN" dbvarname="@ISBN" value="#Form.ISBN#" 
    cfsqltype="CF_SQL_VARCHAR"> 
</CFSTOREDPROC>

In dit voorbeeld kan de CFSTOREDPROC-tag nul of meer CFPROCPARAM-tags bevatten. Zonder de lusinstructie is het echter niet mogelijk om de CFPROCPARAM-tags in de ingevoegde CFSTOREDPROC-tag op te nemen. Als dit zonder lusinstructie als een servergedrag moest worden gemaakt, had u dit voorbeeld in twee deelnemers moeten verdelen: een hoofdtag CFSTOREDPROC en een CFPROCPARAM-tag met een meervoudig deelnemerstype.

Met de lusinstructie kunt u dezelfde procedure als volgt schrijven:

<CFSTOREDPROC procedure="@@procedure@@" 
datasource=#MM_@@conn@@_DSN# 
username=#MM_@@conn@@_USERNAME# 
password=#MM_@@conn@@_PASSWORD#> 
<@ loop (@@paramName@@,@@value@@,@@type@@) @> 
    <CFPROCPARAM type="IN" 
    dbvarname="@@paramName@@" 
    value="@@value@@" 
    cfsqltype="@@type@@"> 
<@ endloop @> 
</CFSTOREDPROC>

Opmerking:

Nieuwe regels na '@>' worden genegeerd.

Als de gebruiker de volgende parameterwaarden in het dialoogvenster Servergedrag heeft ingevoerd:

procedure = "proc1" 
conn = "connection1" 
paramName = ["@CategoryId", "@Year", "@ISBN"] 
value = ["#Form.CategoryId#", "#Form.Year#", "#Form.ISBN#"] 
type = ["CF_SQL_INTEGER", "CF_SQL_INTEGER", "CF_SQL_VARCHAR"]

voegt het servergedrag de volgende runtimecode op de pagina in:

<CFSTOREDPROC procedure="proc1" 
datasource=#MM_connection1_DSN# 
username=#MM_connection1_USERNAME# 
password=#MM_connection1_PASSWORD#> 
<CFPROCPARAM type="IN" dbvarname="@CategoryId" value="#Form.CategoryId#" 
    cfsqltype="CF_SQL_INTEGER"> 
<CFPROCPARAM type="IN" dbvarname="@Year" value="#Form.Year#" 
    cfsqltype="CF_SQL_INTEGER"> 
<CFPROCPARAM type="IN" dbvarname="@ISBN" value="#Form.ISBN#" 
    cfsqltype="CF_SQL_VARCHAR"> 
</CFSTOREDPROC>

Opmerking:

Parameterarrays kunnen niet buiten een lus worden gebruikt, behalve als onderdeel van een voorwaardelijke instructie-expressie.

De variabelen _length en _index van de lusinstructie gebruiken

De lusinstructie bevat twee ingebouwde variabelen die u kunt gebruiken voor ingesloten if-voorwaarden. De variabelen zijn: _lengte en _index. De variabele _length evalueert de lengte van de arrays die door de lusinstructie zijn verwerkt, terwijl de variabele _index de huidige index van de lusinstructie evalueert. Als u ervoor wilt zorgen dat de variabelen alleen als instructies worden herkend en niet als echte parameters die aan een lus worden doorgegeven, plaatst u de variabelen niet tussen @@.

Een voorbeeld van het gebruik van ingebouwde variabelen is de toepassing ervan op het import-kenmerk van de page-instructie. Het kenmerk import vereist een met komma's gescheiden lijst met pakketten. Als de lusinstructie zich rond het hele import-kenmerk uitstrekt, moet u bij de eerste uitvoering van de lus alleen de naam van het kenmerk import= opgeven, inclusief de afsluitende dubbele aanhalingstekens, en mag u bij de laatste uitvoering van de lus geen komma meer opgeven. Met de ingebouwde variabele kunt u dit als volgt uitdrukken:

<@loop (@@Import@@)@> 
<@ if(_index == 0)@>import=" 
<@endif@>@@Import@@<@if (_index == _length-1)@>"<@else@>, 
<@ endif @> 
<@endloop@>

Een parameter voor het servergedrag aanvragen

Voor servergedrag moet de paginaontwerper dikwijls een parameterwaarde opgeven. Deze waarde moet worden ingevoegd voordat de code van het servergedrag op de pagina wordt ingevoegd.

U maakt het dialoogvenster door de door de ontwerper opgegeven parameters in de code te definiëren. Vervolgens genereert u een dialoogvenster voor het servergedrag, waarin de paginaontwerper wordt gevraagd een parameterwaarde op te geven.

Opmerking:

Een parameter wordt zonder uw tussenkomst aan het codeblok toegevoegd als u opgeeft dat de code relatief ten opzichte van een door de paginaontwerper gekozen tag moet worden ingevoegd (dus als u Relatief ten opzichte van een specifieke tag hebt gekozen in het pop-upmenu Code invoegen). De parameter voegt een tagmenu aan het dialoogvenster van het gedrag toe waarin de paginaontwerper een tag kan selecteren.

Definieer de parameter in de code van het servergedrag

  1. Voer een parametermarkering in de code in op de plaats waar u de opgegeven parameterwaarde wilt invoegen. De parameter heeft de volgende syntaxis:
    @@parameterName@@
  2. Plaats de tekenreeks formParam tussen parametermarkeringen (@@):
    <% Session(“lang_pref”) = Request.Form(“@@formParam@@”); %>

    Als het servergedrag bijvoorbeeld het volgende codeblok bevat:

    <% Session(“lang_pref”) = Request.Form(“Form_Object_Name”); %>

    Als u wilt dat de paginaontwerper de waarde Form_Object_Name opgeeft, plaatst u de tekenreeks tussen parametermarkeringen (@@):<% Session(“lang_pref”) = Request.Form(“@@Form_Object_Name@@”); %>

    <% Session(“lang_pref”) = Request.Form(“@@Form_Object_Name@@”); %>

U kunt ook de tekenreeks markeren en op de knop Parameter in codeblok invoegen klikken. Typ een naam voor de parameter en klik op OK. In Dreamweaver wordt elke instantie van de gemarkeerde tekenreeks vervangen door de opgegeven parameternaam tussen parametermarkeringen.

Dreamweaver gebruikt de tekenreeksen die u tussen parametermarkeringen hebt ingesloten om de besturingselementen van een tag te voorzien in het dialoogvenster dat wordt gegenereerd (zie de volgende procedure). In het vorige voorbeeld werd in Dreamweaver een dialoogvenster met de volgende label gemaakt:

Opmerking:

Parameternamen in de code van het servergedrag kunnen geen spaties bevatten. Dat betekent dat dialoogvensterlabels ook geen spaties kunnen bevatten. Als u spaties in de label wilt opnemen, kunt u het gegenereerde HTML-bestand bewerken.

Een parameternaam invoeren
Een parameternaam invoeren

Maak een dialoogvenster voor uw servergedrag om de parameterwaarde op te vragen

  1. Klik in de opbouwfunctie voor servergedrag op Volgende.
  2. Als u de weergavevolgorde van de besturingselementen in het dialoogvenster wilt wijzigen, selecteert u een parameter en klikt u op de pijlen omhoog en omlaag.
  3. Als u een besturingselement van een parameter wilt wijzigen, selecteert u eerst de parameter en vervolgens een ander besturingselement in de kolom Weergeven als.
  4. Klik op OK.

    Dreamweaver genereert een dialoogvenster met een gelabeled besturingselement voor elke door de ontwerper opgegeven parameter die u hebt gedefinieerd.

Het dialoogvenster weergeven

  1. Klik op de plusknop (+) in het paneel Servergedrag (Venster > Servergedrag) en selecteer het aangepast servergedrag in het pop-upmenu.

Bewerk het dialoogvenster dat u gemaakt heeft voor het servergedrag

  1. Klik in het deelvenster Servergedrag (Venster > Servergedrag) op de plusknop (+) en kies Servergedrag bewerken in het pop-upmenu.
  2. Selecteer het servergedrag in de lijst en klik op Openen.
  3. Klik op Volgende.

    Een dialoogvenster wordt geopend met een overzicht van alle door de ontwerp opgegeven parameters die u in uw code hebt gedefinieerd.

  4. Als u de weergavevolgorde van de besturingselementen in het dialoogvenster wilt wijzigen, selecteert u een parameter en klikt u op de pijlen omhoog en omlaag.
  5. Als u een besturingselement van een parameter wilt wijzigen, selecteert u eerst de parameter en vervolgens een ander besturingselement in de kolom Weergeven als.
  6. Klik op OK.

Servergedrag bewerken en wijzigen

U kunt elk servergedrag bewerken dat met de opbouwfunctie voor servergedrag is gemaakt, evenals vormen van servergedrag die u van de Dreamweaver Exchange-website hebt gedownload, en servergedrag van andere ontwikkelaars.

Als u een servergedrag toepast op een pagina en het gedrag vervolgens bewerkt in Dreamweaver, worden instanties van het oude gedrag niet meer in het deelvenster Servergedrag weergegeven. Het paneel Servergedrag zoekt op de pagina naar code die overeenkomt met de code van bekende vormen van servergedrag. Als de code van een servergedrag verandert, herkent het paneel oudere versies van het gedrag op die pagina niet meer.

De oude en nieuwe versie van het gedrag in het deelvenster behouden

  1. Klik op de plusknop (+) in het paneel Servergedrag (Venster > Servergedrag), selecteer Nieuw servergedrag en maak een kopie van het oude servergedrag.

De code bewerken van een servergedrag dat met de opbouwfunctie voor servergedrag is gemaakt

  1. Klik in het deelvenster Servergedrag (Venster > Servergedrag) op de plusknop (+) en kies Servergedrag bewerken in het pop-upmenu.

    In het dialoogvenster Servergedrag bewerken worden alle vormen van gedrag voor de huidige servertechnologie weergegeven.

  2. Selecteer het servergedrag en klik op Bewerken.
  3. Selecteer het desbetreffende codeblok en wijzig de code, de parametermarkeringen of de positie waarop het codeblok op de pagina's wordt ingevoegd.
  4. Als de gewijzigde code geen door de ontwerper opgegeven parameters bevat, klikt u op OK.

    Dreamweaver genereert het servergedrag opnieuw zonder een dialoogvenster. Het nieuwe servergedrag verschijnt in het pop-upmenu Plus (+) van het paneel Servergedrag.

  5. Als de gewijzigde code door de ontwerper opgegeven parameters bevat, klikt u op Volgende.

    In Dreamweaver wordt u gevraagd of u een nieuw dialoogvenster wilt maken dat het oude overschrijft. Breng de gewenste wijzigingen aan en klik op OK.

    Dreamweaver slaat alle wijzigingen in het EDML-bestand van het servergedrag op.

Coderingsrichtlijnen

In het algemeen moet de code van het servergedrag compact en robuust zijn. Ontwikkelaars van webtoepassingen zijn zeer gevoelig op het gebied van code die aan hun pagina's wordt toegevoegd. Volg de gangbare coderingspraktijken voor de taal van het type document (ColdFusion, JavaScript, VBScript of PHP). Wanneer u commentaar schrijft, moet u rekening houden met het technisch verschillende publiek dat de code misschien moet begrijpen, zoals web- en interactieontwerpers, of andere ontwikkelaars van webtoepassingen. Neem commentaar op dat het doel van de code nauwkeurig beschrijft, en neem eventueel speciale instructies op voor hoe de code op een pagina moet worden ingevoegd.

Onthoud de volgende codeerrichtlijnen wanneer u servergedrag maakt:

Foutcontrole

Een belangrijke vereiste. Foutsituaties moeten op elegante wijze in de code van het servergedrag worden afgehandeld. Probeer met elke situatie rekening te houden. Wat gebeurt er bijvoorbeeld als een parameterverzoek mislukt? Wat gebeurt er als een query geen records oplevert?

Unieke namen

Zorgen ervoor dat uw code identificeerbaar is, en vermijden verwarring met bestaande code. Als bijvoorbeeld de pagina een functie bevat met de naam hideLayer() en een globale variabele met de naam ERROR_STRING, en als uw servergedrag code invoegt waarin deze namen eveneens worden gebruikt, kan het servergedrag conflicten opleveren met de bestaande code.

Codevoorvoegsels

Kunt u uw eigen runtimefuncties en globale variabelen in een pagina identificeren. Eén conventie is bijvoorbeeld het gebruik van uw initialen. Gebruik nooit het voorvoegsel MM_ aangezien dit is gereserveerd voor gebruik door Dreamweaver. Dreamweaver plaatst het voorvoegsel MM_ voor alle functies en globale variabelen om te voorkomen dat deze conflicten opleveren met zelfgeschreven code.

var MM_ERROR_STRING = "..."; 
function MM_hideLayer() {

Vermijd vergelijkbare codeblokken

opdat de code die u schrijft niet al te zeer lijkt op de code in andere blokken. Als een codeblok teveel op een ander codeblok op de pagina lijkt, zou het eerste codeblok in het paneel Servergedrag per ongeluk kunnen worden beschouwd als een instantie van het tweede codeblok (of andersom). Een eenvoudige oplossing is het toevoegen van een opmerking aan een codeblok om het verschil groter te maken.

Gedrag van de testserver

Dreamweaver Exchange raadt u aan voor elk servergedrag dat u maakt, de volgende tests uit te voeren:

  • Pas het gedrag toe vanuit het paneel Servergedrag. Als het gedrag een dialoogvenster heeft, voert u in elk veld geldige gegevens in en klikt u op OK. Controleer of er geen fouten optreden wanneer het gedrag wordt toegepast. Controleer of de runtimecode voor het servergedrag in de codecontrole wordt weergegeven.

  • Pas het servergedrag nogmaals toe en voer ongeldige gegevens in elk veld van het dialoogvenster in. Probeer het veld leeg te laten, gebruik extreem grote of negatieve waarden alsmede ongeldige tekens (zoals /, ?, :, * enzovoort) en voer letters in numerieke velden in. U kunt formuliervalidatieroutines schrijven om ongeldige gegevens af te handelen (voor validatieroutines moet handmatig worden gecodeerd, een onderwerp dat buiten het bereik van dit boek valt).

    Wanneer u het servergedrag met succes op de pagina hebt toegepast, controleert u het volgende:

  • Controleer het paneel Servergedrag om na te gaan of de naam van het servergedrag voorkomt in de lijst met gedrag dat aan de pagina is toegevoegd.

  • Controleer, indien van toepassing, of de pictogrammen van het script aan serverzijde op de pagina worden weergegeven. De algemene pictogrammen van het script aan serverzijde zijn gouden schilden. Om de pictogrammen te zien, schakelt u Onzichtbare elementen in (Weergave > Visuele hulpmiddelen > Onzichtbare elementen).

  • Controleer in de codeweergave (Weergave > Code) of er geen ongeldige code is gegenereerd.

    Als uw servergedrag code in het document invoegt die een verbinding met een database tot stand brengt, maakt u een testdatabase om de code die in het document is ingevoegd, te testen. Controleer de verbinding door query's te definiëren die verschillende sets gegevens en gegevenssets van verschillende grootte produceren.

    Tot slot laadt u de pagina op de server en opent u deze in een browser. Geef de HTML-broncode van de pagina weer en controleer of geen ongeldige HTML is gegenereerd door de scripts aan serverzijde.

Dit werk is gelicentieerd onder de Creative Commons Naamsvermelding/Niet-commercieel/Gelijk delen 3.0 Unported-licentie  De voorwaarden van Creative Commons zijn niet van toepassing op Twitter™- en Facebook-berichten.

Juridische kennisgevingen   |   Online privacybeleid