Lees hoe u mediaobjecten in Dreamweaver-webpagina's kunt invoegen en bewerken, ontwerpnotities kunt gebruiken en nog veel meer.

Naast SWF- en FLV-bestanden kunt u ook andere audio- of video-objecten in een Dreamweaver-document invoegen. Als u toegankelijkheidskenmerken hebt ingevoegd voor een mediaobject, kunt u de toegankelijkheidskenmerken instellen en die waarden bewerken in de HTML-code.

  1. Plaats de invoegpositie in het documentvenster op de plaats waar u het object wilt invoegen.
  2. Voeg het object in door een van de volgende handelingen uit te voeren:
    • Ga naar de categorie HTML van het deelvenster Invoegen en selecteer het pictogram van het type object dat u wilt invoegen.

    • Selecteer het desbetreffende object in het vervolgmenu Invoegen > HTML.

    • Er wordt een dialoogvenster weergegeven waarin u een bronbestand kunt selecteren en bepaalde parameters voor het mediaobject kunt opgeven.

    Opmerking:

    U kunt voorkomen dat dergelijke dialoogvensters worden weergegeven door Bewerken > Voorkeuren > Algemeen (Windows) of Dreamweaver > Voorkeuren > Algemeen (Macintosh) te selecteren en de optie Dialoogvenster tonen bij het invoegen van objecten uit te schakelen. Om een voorkeur te overschrijven die is ingesteld voor het weergeven van dialoogvensters, houdt u Control (Windows) of Option (Macintosh) ingedrukt terwijl u het object invoegt. 

  3. Vul het dialoogvenster Bestand selecteren in en klik op OK.

    Opmerking:

    Het dialoogvenster Toegankelijkheidskenmerken verschijnt als u in het dialoogvenster Bewerken > Voorkeuren hebt gekozen om de kenmerken weer te geven wanneer u media invoegt.

  4. Stel de toegankelijkheidskenmerken in.

    Opmerking:

    U kunt ook mediaobjectkenmerken bewerken door het object te selecteren en de HTML-code te bewerken in de codeweergave, of door met de rechtermuisknop te klikken (Windows) of te klikken terwijl u Control ingedrukt houdt (Macintosh) en Tagcode bewerken te selecteren.

    Titel

    Typ een titel voor het mediaobject.

    Toegangstoets

    Typ een toetsenbordequivalent (één letter) in het tekstvak waarmee het formulierobject kan worden geselecteerd in de browser. Hiermee kan een bezoeker van de site de Control-toets (Windows) samen met de toegangstoets gebruiken voor toegang tot het object. Als u bijvoorbeeld B typt als toegangstoets, gebruikt u Control+B om het object te selecteren in de browser.

    Tabindex

    Typ een getal voor de tabvolgorde van het formulierobject. Het instellen van een tabvolgorde is handig wanneer de pagina nog andere koppelingen en formulierobjecten bevat en de gebruiker deze in een specifieke volgorde moet doorlopen. Als u de tabvolgorde instelt voor één object, moet u de tabvolgorde instellen voor alle objecten.

  5. Klik op OK om het mediaobject in te voegen.

    Opmerking:

    Als u op Annuleren klikt, verschijnt een voorlopig mediaobject in het document, maar worden er door Dreamweaver geen toegankelijkheidstags of -kenmerken aan gekoppeld.

    Als u een bronbestand wilt opgeven of afmetingen en andere parameters en kenmerken wilt instellen, gebruikt u de eigenschappencontrole voor elk object. U kunt toegankelijkheidskenmerken bewerken voor een object.

Een externe editor openen voor mediabestanden

U kunt vanuit Dreamweaver een externe editor openen voor het bewerken van de meeste mediabestanden. U kunt ook opgeven welke editor door Dreamweaver moet worden geopend voor het bewerken van het bestand.

  1. Zorg dat het mediabestandstype is gekoppeld aan een editor op uw systeem.

    Als u wilt bepalen welke editor aan het bestandstype is gekoppeld, selecteert u Bewerken > Voorkeuren in Dreamweaver en selecteert u Bestandstypen/editors in de lijst Categorie. Klik op de extensie van het bestand in de kolom Extensies om de gekoppelde editor of editors weer te geven in de kolom Editors. U kunt wijzigen welke editor aan een bestandstype is gekoppeld.

  2. Dubbelklik op het mediabestand in het deelvenster Bestanden om het te openen in de externe editor.

    De editor die wordt geopend als u dubbelklikt op het bestand in het deelvenster Bestanden, wordt de primaire editor genoemd. Als u bijvoorbeeld op een afbeeldingsbestand dubbelklikt, wordt het bestand door Dreamweaver geopend in de primaire externe afbeeldingseditor, zoals Adobe Fireworks.

  3. Als u niet de primair externe editor wilt gebruiken voor het bewerken van het bestand, kunt u een andere editor op uw computer gebruiken om het bestand te bewerken. Ga hiervoor op een van de volgende manieren te werk:
    • Klik in het deelvenster Bestanden met de rechtermuisknop op de bestandsnaam (Windows) of houd Control ingedrukt en klik op de bestandsnaam (Macintosh) en kies Openen met in het contextmenu.

    • Klik in de ontwerpweergave met de rechtermuisknop (Windows) of houd Control ingedrukt en klik (Macintosh) op het media-element binnen de huidige pagina en selecteer Bewerken met in het contextmenu.

Opgeven welke editor moet worden gestart vanuit Dreamweaver

U kunt opgeven welke editor Dreamweaver moet gebruiken voor het bewerken van een bestandstype en bestandstypen toevoegen of verwijderen die door Dreamweaver worden herkend.

Expliciet opgeven welke externe editors moeten worden geopend voor een bepaald bestandstype

  1. Selecteer Bewerken > Voorkeuren en selecteer Bestandstypen/editors uit de lijst Categorie.

    Bestandsnaamextensies, zoals .gif, .wav en .mpg, worden links onder Extensies weergegeven. Gekoppelde editors voor een geselecteerde extensie worden rechts onder Editors weergegeven.

  2. Selecteer de bestandstype-extensie in de lijst Extensies en ga op een van de volgende manieren te werk:
    • Klik op de plusknop (+) boven de lijst Editors en vul het dialoogvenster in dat wordt weergegeven om een nieuwe editor te koppelen aan het bestandstype.

      Selecteer bijvoorbeeld het toepassingspictogram voor Acrobat om dat te koppelen aan het bestandstype.

    • Als u een editor de primaire editor voor een bestandstype wilt maken (de editor die wordt geopend als u dubbelklikt op het bestandstype in het deelvenster Bestanden), selecteert u de editor in de lijst Editors en klikt u op Primair maken.

    • Als u de koppeling tussen een editor en een bestandstype ongedaan wilt maken, selecteert u de editor in de lijst Editors en klikt u op de knop Min (-) boven de lijst Editors.

Een nieuw bestandstype en een gekoppelde editor toevoegen

  1. Klik op de plusknop (+) boven de lijst Extensies en typ een bestandstype-extensie (inclusief de punt aan het begin van de extensie) of verschillende verwante extensies gescheiden door spaties.

    U kunt bijvoorbeeld .xml .xsl invoeren als u de extensies wilt koppelen aan een XML-editor die op uw computer is geïnstalleerd.

  2. Selecteer een editor voor het bestandstype door op de knop Plus (+) boven de lijst Editors te klikken en het dialoogvenster dat wordt weergegeven in te vullen.

Een bestandstype verwijderen

  1. Selecteer het bestandstype in de lijst Extensies en klik op de knop Min (-) boven de lijst Extensies.

    Opmerking:

    U kunt het verwijderen van een bestandstype niet ongedaan maken, dus zorg dat u zeker weet dat u het wilt verwijderen.

Ontwerpnotities gebruiken voor mediaobjecten

Net zoals bij andere objecten in Dreamweaver kunt u ontwerpnotities toevoegen aan een mediaobject. Ontwerpnotities zijn notities die zijn gekoppeld aan een bepaald bestand en die worden opgeslagen in een afzonderlijk bestand. U kunt ontwerpnotities gebruiken om extra bestandsgegevens bij te houden die aan uw documenten zijn gekoppeld, zoals de bestandsnamen van afbeeldingsbronnen en opmerkingen over de bestandsstatus.

  1. Klik met de rechtermuisknop (Windows), of houd de Command-toets ingedrukt terwijl u op het object in het documentvenster klikt.

    Opmerking:

    U moet uw site definiëren voordat u Ontwerpnotities kunt toevoegen aan een object.

  2. Selecteer Ontwerpnotities voor pagina in het contextmenu.
  3. Typ de gewenste informatie in de ontwerpnotitie.

    Opmerking:

    U kunt ook vanuit het deelvenster Bestanden een ontwerpnotitie toevoegen aan een mediaobject door het bestand te selecteren, het contextmenu weer te geven en Ontwerpnotities te kiezen in het contextmenu.

Video (niet-FLV) toevoegen

U kunt op verschillende manieren video met verschillende indelingen toevoegen aan uw webpagina. Video kan worden gedownload naar de gebruiker of kan worden gestreamd zodat het tijdens het downloaden wordt afgespeeld.

  1. Plaats het fragment in uw sitemap.

    Deze fragmenten hebben vaak de bestandsindeling AVI of MPEG.

  2. Maak een koppeling naar het fragment of sluit het fragment in op uw pagina.

    Als u een koppeling wilt maken naar het fragment, typt u tekst voor de koppeling (bijvoorbeeld “Fragment downloaden"), selecteert u de tekst en klikt u op het mappictogram in de eigenschappencontrole. Blader naar het videobestand en selecteer het.

    Opmerking:

    De gebruiker moet een extra toepassing (een insteekmodule) downloaden voor het weergeven van algemene streaming-indelingen, zoals Real Media, QuickTime en Windows Media.

Inhoud voor insteekmodules invoegen

U kunt inhoud voor een browserinsteekmodule maken, bijvoorbeeld een QuickTime-film, en de inhoud invoegen in een HTML-document. Veel gebruikte insteekmodules zijn RealPlayer en QuickTime. Voorbeelden van inhoudsbestanden zijn mp3-bestanden en QuickTime-films.

U kunt films en animaties die afhankelijk zijn van browserinsteekmodules rechtstreeks bekijken in de ontwerpweergave van het documentvenster. U kunt alle insteekelementen in één keer afspelen om te zien hoe de pagina eruit ziet voor de gebruiker, of u kunt elk element afzonderlijk afspelen om te controleren of u het juiste media-element hebt ingesloten.

Opmerking:

U kunt geen voorbeeld bekijken van films of animaties die afhankelijk zijn van ActiveX-besturingselementen.

Nadat u inhoud voor een insteekmodule hebt ingevoegd, gebruikt u de eigenschappencontrole om parameters in te stellen voor die inhoud. U kunt de volgende eigenschappen weergeven in de eigenschappencontrole door een object voor een insteekmodule te selecteren.

In de eigenschappencontrole worden aanvankelijke de meest gebruikte eigenschappen weergegeven. Klik op de uitvouwpijl in de rechterbenedenhoek om alle eigenschappen te zien.

Inhoud voor insteekmodules invoegen en de eigenschappen instellen

  1. Plaats in de ontwerpweergave van het documentvenster de invoegpositie op de plaats waar u de inhoud wilt invoegen en ga vervolgens op een van de volgende manieren te werk:
    • Ga naar de categorie Algemeen van het deelvenster Invoegen, klik op de knop Media en selecteer het pictogram Insteekmodule  uit het menu.

    • Selecteer Invoegen > Media > Insteekmodule.

  2. Selecteer in het dialoogvenster dat verschijnt een inhoudsbestand voor een insteekmodule en klik op OK.
  3. Stel de opties voor de insteekmodule in de eigenschappencontrole in.

    Naam

    Hiermee geeft u een naam op waarmee de insteekmodule wordt aangeduid voor scripts. Typ een naam in het tekstvak zonder label helemaal links in de eigenschappencontrole.

    B en H

    De breedte en hoogte, in pixels, die zijn toegewezen aan het object op de pagina.

    Bron

    Het brongegevensbestand. Klik op het mappictogram om naar een bestand te bladeren of typ een bestandsnaam.

    URL van module

    De URL van het kenmerk ruimte insteekmodule. Typ de volledige URL van de site waar gebruikers de insteekmodule kunnen downloaden. Als de gebruiker die de pagina bekijkt de insteekmodule niet heeft, probeert de browser deze te downloaden vanaf deze URL.

    Uitlijnen

    Hiermee wordt bepaald hoe het object wordt uitgelijnd op de pagina.

    V-ruimte en H-ruimte

    De hoeveelheid witruimte in pixels boven, onder en aan weerszijden van de insteekmodule.

    Rand

    De breedte van de rand rond de insteekmodule.

    Parameters

    Hiermee opent u een dialoogvenster waarin u extra parameters kunt invoeren die aan de insteekmodule moeten worden doorgegeven. Veel insteekmodules reageren op speciale parameters.

    U kunt de kenmerken die aan de geselecteerde insteekmodule zijn toegewezen ook weergeven door op de knop Kenmerk te klikken. U kunt kenmerken zoals breedte en hoogte bewerken, toevoegen en verwijderen in dit dialoogvenster.

Inhoud voor een insteekmodule afspelen in het documentvenster

  1. Voeg een of meer media-elementen in met een van de methoden die in de vorige sectie zijn beschreven.
  2. Voer een van de volgende handelingen uit:
    • Selecteer een van de media-elementen die u hebt ingevoegd en selecteer Weergave > Insteekmodules > Afspelen of klik op de knop Afspelen in de eigenschappencontrole.

    • Selecteer Weergave > Insteekmodules > Alles afspelen om alle media-elementen op de geselecteerde pagina af te spelen die afhankelijk zijn van insteekmodules.

    Opmerking:

    Alles afspelen geldt alleen voor het huidige document en niet voor bijvoorbeeld andere documenten in een frameset.

Het afspelen van inhoud voor insteekmodules stoppen

  1. Selecteer een media-element en selecteer Weergave > Insteekmodules > Stoppen of klik op de knop Stoppen in de eigenschappencontrole.

    U kunt ook Beeld > Insteekmodules > Alles stoppen selecteren om het afspelen van alle inhoud voor insteekmodules te stoppen.

Problemen met insteekmodules oplossen

Als u de stappen voor het afspelen van inhoud voor insteekmodules in het documentvenster hebt uitgevoerd, maar sommige inhoud voor insteekmodules niet wordt afgespeeld, kunt u het volgende proberen:

  • Controleer of de gekoppelde insteekmodule op uw computer is geïnstalleerd en of de inhoud compatibel is met de versie van de insteekmodule die u hebt.

  • Open het bestand Configuration/Plugins/UnsupportedPlugins.txt in een teksteditor en kijk of de insteekmodule die problemen veroorzaakt, in de lijst staat. In dit bestand staan insteekmodules die problemen veroorzaken in Dreamweaver en die daarom niet worden ondersteund. (Als u problemen ondervindt met een bepaalde insteekmodule, kunt u het aan dit bestand toevoegen.)

  • Controleer of er voldoende geheugen is. Voor het uitvoeren van sommige insteekmodules is 2 tot 5 MB extra geheugen nodig.

Gedrag gebruiken voor het besturen van media

U kunt gedrag aan uw pagina toevoegen waarmee verschillende mediaobjecten worden gestart en gestopt.

Shockwave of Flash beheren

Hiermee kunt u een Shockwave-film of SWF-bestand afspelen, stoppen of terugspoelen of naar een bepaald frame gaan.

Geluid afspelen

Hiermee kunt u een geluid afspelen. U kunt bijvoorbeeld een geluidseffect afspelen als de gebruiker de muis over een koppeling verplaatst.

Insteekmodule controleren

Hiermee kunt u controleren of bezoekers aan uw site de vereiste insteekmodule hebben geïnstalleerd en kunt u ze vervolgens naar verschillende URL's doorsturen, afhankelijk van of ze de juiste insteekmodule hebben. Dit geldt alleen voor insteekmodules omdat het gedrag Insteekmodule controleren niet controleert op ActiveX-besturingselementen.

Parameters gebruiken voor het beheren van mediaobjecten

Definieer speciale parameters om SWF-bestanden en insteekmodules te beheren. Parameters worden gebruikt met de object-, embed- en applet-tag. Met parameters worden kenmerken ingesteld die specifiek zijn voor verschillende objecttypen. Een SWF-bestand kan bijvoorbeeld een kwaliteitsparameter <paramname="quality"value="best"> gebruiken voor de objecttag. Het dialoogvenster Parameter kan worden geopend vanuit de eigenschappencontrole. Raadpleeg de documentatie voor het object dat u gebruikt voor informatie over de parameters die nodig zijn.

Opmerking:

Er is geen breed geaccepteerde standaard voor het identificeren van gegevensbestanden voor ActiveX-besturingselementen. Raadpleeg de documentatie voor het ActiveX-object dat u gebruikt voor informatie over de parameters u kunt gebruiken.

Een naam en waarde opgeven voor een parameter

  1. Selecteer een object dat parameters kan hebben in het documentvenster.

  2. Open zonodig de eigenschappencontrole en klik op de knop Parameters in de onderste helft van de eigenschappencontrole. (Controleer of de eigenschappencontrole is uitgevouwen.)

  3. Klik op de plusknop (+) en typ de parameternaam en -waarde in de desbetreffende kolommen.

Een parameter verwijderen

  1. Selecteer een parameter en druk op de knop Min (-).

De volgorde van parameters veranderen

  1. Selecteer een parameter en gebruik de knoppen Pijl-omhoog en Pijl-omlaag.

Dit werk is gelicentieerd onder de Creative Commons Naamsvermelding/Niet-commercieel/Gelijk delen 3.0 Unported-licentie  De voorwaarden van Creative Commons zijn niet van toepassing op Twitter™- en Facebook-berichten.

Juridische kennisgevingen   |   Online privacybeleid