Meer informatie over hoe u Dreamweaver-sjablonen gebruikt om een 'vaste' paginalay-out te ontwerpen en vervolgens op deze sjabloon gebaseerde documenten kunt maken, die de paginalay-out ervan overnemen.

Een sjabloon is een speciaal type document waarmee u een “vaste” paginalay-out kunt ontwerpen. Vervolgens kunt u op deze sjabloon gebaseerde documenten maken, die de paginalay-out ervan overnemen. Bij het ontwerpen van een sjabloon geeft u aan welke inhoud gebruikers kunnen bewerken in een document dat is gebaseerd op de sjabloon. Sjablonen bieden sjabloonauteurs de gelegenheid om te bepalen welke pagina-elementen sjabloongebruikers—zoals schrijvers, grafici of andere webontwikkelaars—kunnen bewerken. Er zijn verschillende typen sjabloongebieden die de sjabloonauteur in een document kan opnemen.

Opmerking:

Sjablonen geven u de controle over een groot ontwerpgebied en bieden de mogelijkheid van hernieuwd gebruik van complete lay-outs. Als u afzonderlijke ontwerpelementen opnieuw wilt gebruiken, bijvoorbeeld een logo of de auteursrechtelijke informatie van een site, kunt u bibliotheekitems maken.

Door sjablonen te gebruiken kunt u meerdere pagina's tegelijk bijwerken. Een document dat is gemaakt op basis van een sjabloon, blijft gekoppeld aan die sjabloon (tenzij u het document later loskoppelt). U kunt een sjabloon aanpassen en het ontwerp in alle erop gebaseerde documenten onmiddellijk bijwerken.

Opmerking:

Sjablonen in Dreamweaver verschillen van sjablonen in sommige andere Adobe Creative Cloud-softwareproducten omdat de paginasecties in sjablonen van Dreamweaver standaard vast zijn (en dus niet bewerkbaar).

Typen sjabloongebieden

Als u een document opslaat als een sjabloon, zijn de meeste gebieden van een document vergrendeld. Als sjabloonauteur bepaalt u welke gebieden van een op een sjabloon gebaseerd document bewerkbaar zijn door bewerkbare gebieden of bewerkbare parameters in de sjabloon in te voegen.

Terwijl u de sjabloon maakt, kunt u zowel in bewerkbare als vergrendelde gebieden wijzigingen aanbrengen. In een op de sjabloon gebaseerd document kan een sjabloongebruiker echter alleen wijzigingen aanbrengen in de bewerkbare gebieden; de vergrendelde gebieden kunnen niet worden gewijzigd.

Er zijn vier typen sjabloongebieden:

Een bewerkbaar gebied: Een niet-vergrendeld gebied in een op een sjabloon gebaseerd document—een gedeelte dat een sjabloongebruiker kan bewerken. Een sjabloonauteur kan elk gebied van een sjabloon aanmerken als bewerkbaar. Een sjabloon is pas doelmatig als het ten minste één bewerkbaar gebied bevat; Als dit niet het geval is, kunnen pagina's die op de sjabloon zijn gebaseerd, niet worden bewerkt. Zie Bewerkbare gebieden maken in sjablonen voor gedetailleerde informatie in bewerkbare gebieden.

Een herhalingsgebied: Een gedeelte van de documentlay-out dat dusdanig is ingesteld dat de sjabloongebruiker desgewenst kopieën van het herhalingsgebied kan toevoegen aan of verwijderen uit een document dat op de sjabloon is gebaseerd. Zo kunt u instellen dat een tabelrij moet worden herhaald. Herhalingsgedeelten zijn bewerkbaar zodat de sjabloongebruiker de inhoud in het herhalingselement wel kan bewerken, maar dat het ontwerp zelf onder de controle van de sjabloonauteur blijft.

Er zijn twee typen herhalingsgebieden die u in een sjabloon kunt invoegen: een herhalingsgebied en een herhalingstabel. Zie Herhalingsgebieden en tabellen maken in Dreamweaver als u wilt weten hoe u met herhalingsgebieden kunt werken.

Een optioneel gebied: Een gedeelte van een sjabloon dat inhoud—zoals tekst of een afbeelding—bevat die al dan niet in een document wordt weergegeven. Op de op een sjabloon gebaseerde pagina bepaalt meestal de sjabloongebruiker of de inhoud wordt weergegeven. Zie de sectie Optioneel gebied voor meer informatie.

Een bewerkbaar tagkenmerk: Hiermee ontgrendelt u een tagkenmerk in een sjabloon, waardoor het kenmerk kan worden bewerkt in een op een sjabloon gebaseerde pagina. Zo kunt u “vergrendelen” welke afbeelding wordt weergegeven in het document, waarbij de sjabloongebruiker nog wel de uitlijning kan instellen op links, rechts of gecentreerd. Zie Bewerkbare tagkenmerken in Dreamweaver definiëren voor meer informatie.

Als u een sjabloonbestand maakt door een bestaande pagina op te slaan als een sjabloon, worden de nieuwe sjabloon in de map Sjablonen en eventuele koppelingen in het bestand bijgewerkt, zodat hun documentafhankelijke relatieve paden correct zijn. Later, wanneer u een document maakt dat op deze sjabloon is gebaseerd, en dit opslaat, worden alle documentafhankelijke relatieve koppelingen opnieuw bijgewerkt om deze naar de juiste bestanden te laten verwijzen.

Als u een nieuwe documentafhankelijke relatieve koppeling toevoegt aan een sjabloonbestand, bestaat het gevaar dat u een onjuiste padnaam opgeeft als u in het tekstvak voor de koppeling in de eigenschappencontrole het pad typt. Het correcte pad in een sjabloonbestand is het pad van de map Sjablonen naar het gekoppelde document, niet het pad van de map van het op een sjabloon gebaseerde document naar het gekoppelde document. Zorg ervoor dat de correcte paden voor koppelingen bestaan door bij het maken van koppelingen in sjablonen het pictogram met de map of het pictogram Wijzen naar bestand in de eigenschappencontrole te gebruiken.

Serverscripts in sjablonen en op een sjabloon gebaseerde documenten

Bepaalde serverscripts worden ingevoegd in het allereerste begin of uiterste einde van het document (vóór de tag <html> of na de tag </html>). Dergelijke scripts moeten op een speciale manier worden behandeld in sjablonen en op een sjabloon gebaseerde documenten. Normaal gesproken geldt dat als u wijzigingen aanbrengt aan scriptcode vóór de tag <html> of na de tag </html> in een sjabloon, de wijzigingen niet worden gekopieerd naar documenten die op die sjabloon zijn gebaseerd. Hierdoor ontstaan serverfouten als andere serverscripts, binnen de hoofdtekst van de sjabloon, afhankelijk zijn van de scripts die niet worden gekopieerd. U ontvangt een waarschuwing als u scripts vóór de tag <html> of na de tag </html> in een sjabloon wijzigt.

Als u dit probleem wilt vermijden, kunt u de volgende code invoegen in het gedeelte head van de sjabloon:

<!-- TemplateInfo codeOutsideHTMLIsLocked="true" -->

Met deze code in een sjabloon worden wijzigingen aan scripts vóór de tag <html> of na de tag </html> gekopieerd naar documenten die op deze sjabloon zijn gebaseerd. U kunt deze scripts in documenten die op de sjabloon zijn gebaseerd, dan echter niet meer bewerken. U hebt dan ook de keuze tussen deze scripts in de sjabloon bewerken en deze scripts bewerken in documenten die op de sjabloon zijn gebaseerd; beide mogelijkheden hebben is niet mogelijk.

Sjabloonparameters

Sjabloonparameters geven waarden voor het bepalen van de inhoud in documenten die zijn gebaseerd op een sjabloon. Gebruik sjabloonparameters voor optionele gebieden of bewerkbare tagkenmerken, of voor het instellen van waarden die u wilt doorgeven aan een bijgevoegd document. Voor elke parameter selecteert u een naam, een gegevenstype en een standaardwaarde. Elke parameter moet een unieke naam hebben die hoofdlettergevoelig is. Ze moeten een van de vijf toegestane gegevenstypen zijn: text (tekst), boolean (Booleaans), color (kleur), URL of number (getal).

Sjabloonparameters worden aan het document doorgegeven als objectparameters. In de meeste gevallen kan een sjabloongebruiker de standaardwaarde van de parameter bewerken om datgene wat in een op een sjabloon gebaseerd document wordt weergegeven, aan te passen. In andere gevallen bepaalt sjabloonauteur wat er in het document wordt weergegeven, op basis van de waarde van een sjabloonexpressie.

Sjabloonexpressies

Sjabloonexpressies zijn instructies die een waarde berekenen of beoordelen.

U kunt een expressie gebruiken om een waarde op te slaan en deze in een document weer te geven. Een expressie kan bijvoorbeeld gewoon de waarde van een parameter zijn, zoals @@(Param)@@, maar kan ook complex genoeg zijn om waarden te berekenen, die de achtergrondkleur in een tabelrij wisselen, zoals @@((_index & 1) ? rood : blauw)@@.

Ook kunt u expressies definiëren voor enkelvoudige en meervoudige if-voorwaarden. Als een expressie wordt gebruikt in een voorwaardelijke instructie, beoordeelt Dreamweaver deze als true (waar) of false (onwaar). Als de voorwaarde waar is, wordt het optionele gebied in het op een sjabloon gebaseerde document weergegeven; als deze onwaar is, wordt het niet weergegeven.

U kunt expressies definiëren in de codeweergave of in het dialoogvenster Optioneel gebied wanneer u een optioneel gebied invoegt.

In de codeweergave kunt u op twee manieren sjabloonexpressies definiëren: gebruik de <!-- TemplateExpr expr="uw expressie"--> of gebruik @@(uw expressie)@@. Als u de expressie invoegt in de sjablooncode, wordt in de ontwerpweergave een markering voor de expressie weergegeven. Als u een sjabloon toepast, wordt in Dreamweaver de expressie geëvalueerd en wordt de waarde weergegeven in het op de sjabloon gebaseerde document.

Taal voor sjabloonexpressies

De taal voor sjabloonexpressies bestaat uit een kleine subset van JavaScript en gebruikt de JavaScript-syntaxis en voorrangsregels. Gebruik JavaScript-operatoren om een expressie als de volgende te schrijven:

@@(firstName+lastName)@@

De volgende functies en operatoren worden ondersteund:

  • numerieke constanten, tekenreeksconstanten (uitsluitend syntaxis met dubbele aanhalingstekens), Booleaanse constanten (true (waar) of false (onwaar))

  • variabele verwijzing (zie de lijst van gedefinieerde variabelen verderop in dit gedeelte)

  • veldverwijzing (de “punt”-operator)

  • monadische operatoren: +, -, ~, !

  • binaire operatoren: +, -, *, /, %, &, |, ^, &&, ||, <, <=, >, >=, ==, !=, <<, >>

  • voorwaardelijke operator: ?:

  • haakjes: ()

    De volgende gegevenstypes worden gebruikt: Booleaans, IEEE 64-bpc drijvende komma, tekenreeks en object. Dreamweaver-sjablonen ondersteunen niet het gebruik van de typen “null” of “undefined” van JavaScript. Ook zijn geen schaalbare typen toegestaan die impliciet moeten worden omgezet in een object; de expressie "abc".length zou dan ook tot een fout leiden in plaats van de waarde 3 als resultaat.

    De enige beschikbare objecten zijn die die worden gedefinieerd door het expressieobjectmodel. De volgende variabelen zijn gedefinieerd:

    _document

    Bevat de sjabloongegevens op documentniveau met een veld voor elke parameter in de sjabloon.

    _repeat

    Alleen gedefinieerd voor expressies die voorkomen binnen een herhalingsgebied. Biedt ingebouwde informatie over het gebied

    _index

    De numerieke index (vanaf 0) van de huidige vermelding

    _numRows

    Het totaal aantal vermeldingen in dit herhalingsgebied

    _isFirst

    True (waar) als de huidige vermelding de eerste vermelding is in het herhalingsgebied ervan

    _isLast

    True (waar) als de huidige vermelding de laatste vermelding is in het herhalingsgebied ervan

    _prevRecord

    Het object _repeat voor de vorige vermelding. Deze eigenschap kan niet worden gebruikt voor de eerste vermelding in het gebied.

    _nextRecord

    Het object _repeat voor de volgende vermelding. Deze eigenschap kan niet worden gebruikt voor de laatste vermelding in het gebied.

    _parent

    In een genest herhaald gebied krijgt u hiermee het object _repeat voor het omgevende (buitenste) herhaalde gebied. Toegang tot deze eigenschap buiten een genest herhaald gebied leidt tot een foutsituatie.

    Tijdens de beoordeling van een expressie zijn alle velden van het object _document en het object _repeat impliciet beschikbaar. Zo kunt u title opgeven in plaats van _document.title voor toegang tot de titelparameter van het document.

    In gevallen waarin sprake is van een conflict tussen velden, krijgen velden van het object _repeat voorrang op velden van het object _document. Daarom zou u bij de verwijzing naar documentparameters die worden verborgen door parameters van een herhaald gebied, alleen een expliciete verwijzing naar _document of _repeat moeten gebruiken wanneer _document zich mogelijk binnen een herhalingsgebied bevindt.

    Als geneste herhaalde gebieden worden gebruikt, zijn alleen velden van de binnenste herhaalde gebieden impliciet beschikbaar. Naar buitenste gebieden moet expliciet worden verwezen door middel van _parent.

Meerdere if-voorwaarden in sjablooncode

U kunt expressies definiëren voor enkelvoudige en meervoudige if-voorwaarden. Het volgende voorbeeld toont de manier waarop u een parameter met de naam “Dept” definieert, een aanvankelijke waarde instelt en een meervoudige if-voorwaarde definieert die bepaalt welk logo wordt weergegeven.

Hieronder ziet u een voorbeeld van de code die u zou kunnen invoeren in het gedeelte head van de sjabloon:

<!-- TemplateParam name="Dept" type="number" value="1" -->

De volgende instructie voor een voorwaarde controleert de waarde die is toegewezen aan de parameter Dept. Als de voorwaarde true (waar) is (dat wil zeggen wanneer eraan wordt voldaan), wordt de juiste afbeelding weergegeven.

<!-- TemplateBeginMultipleIf --> 
<!-- checks value of Dept and shows appropriate image--> 
<!-- TemplateBeginIfClause cond="Dept == 1" --> <img src=".../sales.gif"> <!-- TemplateEndIfClause --> 
<!-- TemplateBeginIfClause cond="Dept == 2" --> <img src=".../support.gif"> <!-- TemplateEndIfClause--> 
<!-- TemplateBeginIfClause cond="Dept == 3" --> <img src=".../hr.gif"> <!-- TemplateEndIfClause --> 
<!-- TemplateBeginIfClause cond="Dept != 3" --> <img src=".../spacer.gif"> <!-- TemplateEndIfClause --> 
<!-- TemplateEndMultipleIf -->

Als u een op een sjabloon gebaseerd document maakt, worden de sjabloonparameters er automatisch aan doorgegeven. De sjabloongebruiker bepaalt welke afbeelding moet worden weergegeven.

Dit werk is gelicentieerd onder de Creative Commons Naamsvermelding/Niet-commercieel/Gelijk delen 3.0 Unported-licentie  De voorwaarden van Creative Commons zijn niet van toepassing op Twitter™- en Facebook-berichten.

Juridische kennisgevingen   |   Online privacybeleid