Handboek Annuleren

Dynamische inhoud toevoegen aan pagina's

 

 

Opmerking:

De gebruikersinterface van nieuwere versies van Dreamweaver is vereenvoudigd. Daarom zijn sommige opties die in dit artikel worden beschreven, niet beschikbaar in nieuwere versies van Dreamweaver. Meer informatie vindt u in dit artikel.

Informatie over het toevoegen van dynamische inhoud

Wanneer u een of meer dynamische inhoudsbronnen hebt gedefinieerd, kunt u deze bronnen gebruiken om dynamische inhoud aan de pagina toe te voegen. Inhoudsbronnen kunnen een kolom in een recordset zijn, een waarde die door een HTML-formulier is ingediend, de waarde van een serverobject of andere gegevens.

In Dreamweaver kunt u dynamische inhoud bijna overal op een webpagina of in de HTML-broncode van die pagina plaatsen. U kunt dynamische inhoud op de invoegpositie plaatsen, u kunt er een tekenreeks mee vervangen of u kunt deze als een HTML-kenmerk invoegen. Met dynamische inhoud kunt u bijvoorbeeld het kenmerk src van een afbeelding of het kenmerk value van een formulierveld definiëren.

U kunt dynamische inhoud aan een pagina toevoegen door een inhoudsbron in het paneel Bindingen te selecteren. In Dreamweaver wordt een script dat op de server is opgeslagen, ingevoegd in de code op de pagina. Deze code instrueert de server de gegevens uit de inhoudsbron over te brengen naar de HTML-code van de pagina wanneer de pagina door een browser wordt opgevraagd.

Dikwijls zijn er meer manieren om een gegeven pagina-element dynamisch te maken. U kunt een afbeelding bijvoorbeeld dynamisch maken met behulp van het paneel Bindingen, de eigenschappencontrole of de opdracht Afbeelding in het menu Invoegen.

Standaard kan op een HTML-pagina maar één record tegelijk worden weergegeven. Als u andere records in de recordset wilt weergeven, kunt u een koppeling toevoegen om de records een voor een te doorlopen, of kunt u een herhalingsgebied maken om meer dan één record op een enkele pagina weer te geven.

Dynamische tekst

Dynamische tekst neemt de tekstopmaak over die is toegepast op de bestaande tekst of op de invoegpositie. Als bijvoorbeeld een trapsgewijs opmaakprofiel (CSS) de geselecteerde tekst beïnvloedt, wordt de dynamische inhoud die de selectie vervangt, ook door dit opmaakprofiel beïnvloed. U kunt tekstopmaak aan dynamische inhoud toevoegen of deze wijzigen met de tekstopmaakgereedschappen van Dreamweaver.

U kunt eveneens gegevensopmaak op dynamische tekst toepassen. Als uw gegevens bijvoorbeeld uit datums bestaan, kunt u een specifieke datumnotatie toepassen, zoals 04/17/00 voor bezoekers uit de V.S, of 17/04/00 voor Canadese bezoekers.

Tekst dynamisch maken

U kunt bestaande tekst vervangen door dynamische tekst, of u kunt dynamische tekst op de plaats van de invoegpositie op de pagina plaatsen.

Dynamische tekst toevoegen

  1. Ga naar de ontwerpweergave en selecteer tekst op de pagina of klik op de plaats waar u dynamische tekst wilt toevoegen.
  2. Selecteer in het paneel Bindingen (Venster > Bindingen) een inhoudsbron in de lijst. Als u een recordset selecteert, geeft u de gewenste kolom in de recordset op.

    De inhoudsbron moet platte tekst (ASCII-tekst) bevatten. Platte tekst omvat ook HTML. Als de lijst geen inhoudsbronnen bevat of als de beschikbare inhoudsbronnen niet geschikt zijn, klikt u op de plusknop (+) om een nieuwe inhoudsbron te definiëren.

  3. (Optioneel) Selecteer een gegevensopmaak voor de tekst.
  4. Klik op Invoegen of sleep de inhoudsbron naar de pagina.

    Er wordt een tijdelijke aanduiding voor dynamische inhoud weergegeven. (Als u tekst op de pagina hebt geselecteerd, wordt de tekstselectie vervangen door de tijdelijke aanduiding.) De plaatsaanduiding voor recordsetinhoud gebruikt de syntaxis {RecordsetNaam.KolomNaam}, waarbij RecordsetNaam de naam van de recordset is en KolomNaam de naam is van de kolom die u in de recordset hebt gekozen.

    Het is mogelijk dat de pagina-indeling in het documentvenster wordt vervormd door de lengte van de tijdelijke aanduidingen voor dynamische tekst. U kunt dit probleem oplossen door lege accolades als tijdelijke aanduidingen te gebruiken, zoals in het volgende onderwerp wordt beschreven.

Tijdelijke aanduidingen voor dynamische tekst weergeven

  1. Kies Bewerken > Voorkeuren > Onzichtbare elementen (Windows) of Dreamweaver > Voorkeuren > Onzichtbare elementen (Macintosh).
  2. Selecteer { } in het pop-upmenu Dynamische tekst weergeven als en klik op OK.

Afbeeldingen dynamisch maken

U kunt afbeeldingen op uw pagina dynamisch maken. Stel bijvoorbeeld dat u een pagina ontwerpt om artikelen weer te geven die op een liefdadigheidsveiling worden verkocht. Elke pagina moet een beschrijving en een foto van één artikel bevatten. De algemene indeling van de pagina is voor elk artikel hetzelfde, maar de foto (en beschrijving) kunnen veranderen.

  1. Terwijl de pagina in de ontwerpweergave is geopend (Weergave > Ontwerp), plaatst u de invoegpositie daar waar u de afbeelding op de pagina wilt weergeven.
  2. Selecteer Invoegen > Afbeelding.

    Het dialoogvenster Afbeeldingsbron selecteren wordt geopend.

  3. Klik op de optie Gegevensbronnen (Windows) of de knop Gegevensbron (Macintosh).

    Een lijst met inhoudsbronnen wordt weergegeven.

  4. Selecteer een inhoudsbron in de lijst en klik op OK.

    De inhoudsbron moet een recordset zijn die de paden naar de afbeeldingsbestanden bevat. Afhankelijk van de bestandsstructuur van de pad kunnen het absolute paden zijn, of paden die relatief zijn ten opzichte van het document of de hoofdmap.

    Opmerking:

    Dreamweaver biedt momenteel geen ondersteuning voor binaire afbeeldingen die in een database zijn opgeslagen.

    Als de lijst geen recordsets bevat of als de beschikbare recordsets niet geschikt zijn, definieert u een nieuwe recordset.

HTML-kenmerken dynamisch maken

U kunt de weergave van een pagina dynamisch wijzigen door HTML-kenmerken aan gegevens te koppelen. U kunt bijvoorbeeld de achtergrondafbeelding van een tabel wijzigen door het kenmerk background van de tabel aan een veld in een recordset te koppelen.

U kunt HTML-kenmerken koppelen via het paneel Bindingen of via de eigenschappencontrole.

HTML-kenmerken dynamisch maken via het paneel Bindingen

  1. Open het paneel Bindingen door Venster > Bindingen te kiezen.
  2. Controleer of het paneel Bindingen de gegevensbron weergeeft die u wilt gebruiken.

    De inhoudsbron moet gegevens bevatten die geschikt zijn voor het HTML-kenmerk dat u wilt koppelen. Als de lijst geen inhoudsbronnen bevat of als de beschikbare inhoudsbronnen niet geschikt zijn, klikt u op de plusknop (+) om een nieuwe gegevensbron te definiëren.

  3. Selecteer een HTML-object in de ontwerpweergave.

    Als u bijvoorbeeld een HTML-tabel wilt selecteren, klikt u in de tabel en klikt u op de <table>-tag in de tagkiezer in de linkerbenedenhoek van het documentvenster.

  4. Selecteer in het paneel Bindingen een inhoudsbron in de lijst.
  5. Selecteer in het vak Binden aan een HTML-kenmerken in het pop-upmenu.
  6. Klik op Binden.

    Wanneer de pagina een volgende keer op de toepassingsserver wordt uitgevoerd, wordt de waarde van de gegevensbron aan het HTML-kenmerk toegekend.

HTML-kenmerken dynamisch maken via de eigenschappencontrole

  1. Selecteer een HTML-kenmerk in de ontwerpweergave en open de eigenschappencontrole (Venster > Eigenschappen).

    Als u bijvoorbeeld een HTML-tabel wilt selecteren, klikt u in de tabel en klikt u op de <table>-tag in de tagkiezer in de linkerbenedenhoek van het documentvenster.

  2. Hoe u een dynamische inhoudsbron aan het HTML-kenmerk koppelt, hangt van de locatie van het kenmerk af.
    • Als het kenmerk dat u wilt koppelen een mappictogram ernaast heeft in de eigenschappencontrole, klik dan op het mappictogram om een dialoogvenster te openen waarin u een bestand kunt selecteren, en klik vervolgens op de optie Gegevensbronnen om een lijst met gegevensbronnen weer te geven.

    • Als er geen mappictogram staat naast het kenmerk dat u wilt koppelen, klikt u op het tabblad Lijst (het onderste van de twee tabbladen), links in de eigenschappencontrole.

      De lijstweergave van de eigenschappencontrole wordt weergegeven.

    • Als het kenmerk dat u wilt koppelen, niet in de lijstweergave wordt vermeld, klikt u op de plusknop (+) en voert u de naam van het kenmerk in of klikt u op de kleine pijlknop en selecteert u het kenmerk in het pop-upmenu.

  3. Als u de waarde van het kenmerk dynamisch wilt maken, klikt u op het kenmerk. Klik daarna op het pictogram met de bliksemflits of het mappictogram aan het einde van de rij van het kenmerk.

    Als u op het pictogram met de bliksemflits hebt geklikt, wordt een lijst met gegevensbronnen weergegeven.

    Als u op het mappictogram hebt geklikt, wordt een dialoogvenster geopend waarin u een bestand kunt selecteren. Selecteer de optie Gegevensbronnen om een lijst met inhoudsbronnen weer te geven.

  4. Selecteer een inhoudsbron in de lijst met inhoudsbronnen en klik op OK.

    De inhoudsbron moet gegevens bevatten die geschikt zijn voor het HTML-kenmerk dat u wilt koppelen. Als de lijst geen inhoudsbronnen bevat of als de beschikbare inhoudsbronnen niet geschikt zijn, definieert u een nieuwe inhoudsbron.

    Wanneer de pagina een volgende keer op de toepassingsserver wordt uitgevoerd, wordt de waarde van de gegevensbron aan het HTML-kenmerk toegekend.

ActiveX-, Flash- en andere objectparameters dynamisch maken

U kunt de parameters van Java-applets en invoegtoepassingen, maar ook de parameters van ActiveX-, Flash-, Shockwave, Director- en Generator-objecten dynamisch maken.

Voordat u begint, moet u controleren of de velden in de recordset gegevens bevatten die geschikt zijn voor de objectparameters die u wilt koppelen.

  1. Selecteer in de ontwerpweergave een object op de pagina en open de eigenschappencontrole (Venster > Eigenschappen).
  2. Klik op de knop Parameters.
  3. Als de parameter niet in de lijst voorkomt, klikt u op de plusknop (+) en voert u een parameternaam in de kolom Parameter in.
  4. Klik op de kolom Waarde van de parameter en klik vervolgens op het pictogram met de bliksemflits om een dynamische waarde op te geven.

    Een lijst met gegevensbronnen wordt weergegeven.

  5. Selecteer een gegevensbron in de lijst en klik op OK.

    De gegevensbron moet gegevens bevatten die geschikt zijn voor de objectparameter die u wilt koppelen. Als de lijst geen gegevensbronnen bevat of als de beschikbare gegevensbronnen niet geschikt zijn, definieert u een nieuwe gegevensbron.

Krijg sneller en gemakkelijker hulp

Nieuwe gebruiker?