Met de opdracht Lagen automatisch uitlijnen kunt u een samengestelde foto maken op basis van twee vrijwel gelijke foto's met mogelijk wat ongewenste elementen. Stel bijvoorbeeld dat u een verder perfecte groepsfoto hebt waarin iemand haar ogen dicht heeft. In een andere foto zijn haar ogen echter open. Met Lagen automatisch uitlijnen en laagmaskers kunt u deze twee foto's combineren tot een perfecte foto waaruit de onvolkomenheden zijn verwijderd.

  1. Open de twee afbeeldingen die u wilt combineren.
  2. Maak een nieuwe afbeelding (Bestand > Nieuw) met dezelfde afmetingen als de twee bronafbeeldingen.
  3. Selecteer in het deelvenster Lagen voor iedere bronafbeelding de laag met de afbeeldingsinhoud en sleep deze naar het nieuwe afbeeldingsvenster. Het deelvenster Lagen voor de nieuwe afbeelding bevat nu twee nieuwe lagen, één laag voor iedere bronafbeelding.
  4. Schik de nieuwe lagen in het deelvenster Lagen van de nieuwe afbeelding zodanig dat de laag met de inhoud die u wilt corrigeren (foto met gesloten ogen) zich vóór de laag bevindt met de juiste inhoud (foto met ogen open).
  5. Selecteer de twee nieuwe lagen en kies Bewerken > Lagen automatisch uitlijnen.
  6. Selecteer Alleen positie wijzigen en klik op OK. Photoshop zoekt de overeenkomende gebieden in elke laag en lijnt de lagen zodanig uit dat deze overeenkomende gebieden elkaar overlappen.
  7. Klik op de bovenste laag om alleen die laag te selecteren.
  8. Voeg een leeg laagmasker toe aan de laag:
    • Klik op Laagmasker toevoegen in het deelvenster Lagen.
    • Kies Laag > Laagmasker > Alles onthullen.
  9. Stel de voorgrondkleur in op zwart, kies een grootte en uiteinde voor het penseel en zoom, indien nodig, in om het gedeelte van de afbeelding dat u wilt corrigeren beter te kunnen zien.
  10. Teken met het penseel over de bovenste laag om het laagmasker uit te breiden. Wanneer u met zwart tekent, maskeert u de bovenste laag volledig. Wanneer u met grijswaarden tekent, ontstaat gedeeltelijke transparantie en wanneer u met wit tekent, herstelt u de bovenste laag. Zie Lagen maskeren. Blijf de laag bewerken totdat u de twee lagen hebt samengevoegd tot één naadloze afbeelding.

    Opmerking:

    Zorg ervoor dat de miniatuur van het laagmasker en niet de miniatuur van de afbeelding is geselecteerd in het deelvenster Lagen tijdens de maskerbewerking.

  11. Als u de afbeelding verder wilt kunnen bewerken, slaat u de gelaagde en de gemaskerde versie van de afbeelding op en maakt u nog een kopie die u kunt samenvoegen tot één laag, zodat de bestandsomvang afneemt.

Dit werk is gelicentieerd onder de Creative Commons Naamsvermelding/Niet-commercieel/Gelijk delen 3.0 Unported-licentie  De voorwaarden van Creative Commons zijn niet van toepassing op Twitter™- en Facebook-berichten.

Juridische kennisgevingen   |   Online privacybeleid