Basisbegrippen voor afdrukken

Het maakt niet uit of u afdrukt op uw eigen desktopprinter of bestanden verzendt naar een drukvoorbereider. Het komt altijd van pas als u op de hoogte bent van enkele basisbeginselen, zodat het afdrukken soepeler verloopt en u het resultaat krijgt dat u verwacht.

Afdruktypen

Voor veel Photoshop-gebruikers houdt het afdrukken van een bestand in dat de afbeelding naar een inkjetprinter wordt gestuurd. Adobe Photoshop kan de afbeelding naar verschillende apparaten sturen zodat de afbeelding direct op papier wordt afgedrukt of wordt omgezet in een positieve of negatieve afbeelding op film. In het laatste geval kunt u met de film een masterplaat maken waarmee u op een mechanische pers kunt afdrukken.

Afbeeldingstypen

In de eenvoudigste afbeeldingen, zoals lijnpatronen, wordt slechts één kleur in één grijswaarde gebruikt. Een wat complexere afbeelding, zoals een foto, heeft verschillende kleurtonen. Dit type afbeelding wordt ook wel een continutoonafbeelding genoemd.

Kleurscheiding

Bij Illustraties die zijn bedoeld voor commerciële doeleinden en die meer dan één kleur bevatten, moet elke kleur worden afgedrukt op een eigen masterplaat. Dit proces wordt kleurscheiding genoemd, waarbij over het algemeen de inktkleuren cyaan, geel, magenta en zwart (CMYK) worden gebruikt. U kunt in Photoshop bepalen hoe de verschillende platen worden gegenereerd.

Detailkwaliteit

De details in een afgedrukte afbeelding worden bepaald door de afbeeldingsresolutie (pixels per inch) en de printerresolutie (punten per inch). De meeste PostScript-laserprinters hebben een resolutie van 600 dpi, terwijl PostScript-imagesetters een resolutie van 1200 dpi of hoger hebben. Inkjetprinters produceren een microscopisch straaltje inkt, geen afzonderlijke stippen, hetgeen bij benadering resulteert in een resolutie van 300 tot 720 dpi.

Informatie over afdrukken met een desktopprinter

Tenzij u bij een professionele drukker of in een printshop werkt, drukt u waarschijnlijk afbeeldingen af op een desktopprinter, zoals een inkjetprinter, laserprinter of een apparaat met verfsublimatie, en niet op een zetmachine. Met Photoshop kunt u bepalen hoe de afbeelding wordt afgedrukt.

Monitoren geven afbeeldingen weer met behulp van licht, terwijl desktopprinters afbeeldingen reproduceren met inkt, verf of pigmenten. Daardoor kan een desktopprinter niet alle kleuren reproduceren die u op het beeldscherm ziet. Door in de workflow bepaalde procedures zoals een kleurbeheersysteem op te nemen, kunt u voorspelbare resultaten behalen wanneer u afbeeldingen afdrukt op een desktopprinter. Houd rekening met het volgende wanneer u werkt met een afbeelding die u wilt afdrukken:

  • Zet een afbeelding in RGB-modus niet om in de CMYK-modus wanneer u afdrukt op een desktopprinter. Werk uitsluitend in de RGB-modus. De meeste desktopprinters zijn geconfigureerd om RGB-gegevens te accepteren en gebruiken interne software voor omzetting in CMYK. Als u CMYK-gegevens verzendt, zullen de meeste desktopprinters deze toch omzetten, wat een onvoorspelbaar resultaat oplevert.

  • Als u een voorbeeld wilt zien van een afbeelding zoals die wordt afgedrukt op een apparaat waarvoor u een profiel hebt, gebruikt u de opdracht Kleuren proefdrukken.

  • Als u de kleuren die u ziet op het beeldscherm nauwkeurig wilt laten terugkomen op de afgedrukte pagina, dient u kleurbeheer op te nemen in uw workflow. Werk met een gekalibreerde, beschreven monitor. In het ideale geval maakt u een speciaal aangepast profiel voor uw printer en voor het papier waarop u afdrukt. Het is echter mogelijk dat het bij uw printer geleverde profiel acceptabele resultaten produceert.

Photoshop biedt de volgende afdrukopdrachten in het menu Bestand:

Afdrukken

Hiermee geeft u het dialoogvenster Afdrukken weer met een voorvertoning van de afdrukopties en andere ingestelde opties. (Aangepaste instellingen worden als nieuwe standaardinstellingen opgeslagen als u op Gereed of Afdrukken klikt.)

Eén exemplaar afdrukken

Met de opdracht Eén exemplaar afdrukken wordt één exemplaar van een bestand afgedrukt zonder dat een dialoogvenster wordt weergegeven.

Opmerking:

U bereikt maximale efficiëntie wanneer u de opdracht Afdrukken opneemt in handelingen. (Photoshop verschaft alle afdrukinstellingen in één dialoogvenster.)

Afdrukopties van Photoshop instellen en afdrukken

  1. Kies Bestand > Afdrukken.
  2. Selecteer de printer, het aantal exemplaren en de afdrukstand.

  3. In de voorvertoning aan de linkerkant kunt u de positie en de schaal van de afbeelding ten opzichte van het geselecteerde papierformaat en de afdrukstand aanpassen. Of u kunt aan de rechterkant gedetailleerde opties voor Positie en formaat, Kleurbeheer, Afdrukmarkeringen enzovoort instellen.

    Zie Afbeeldingen plaatsen en schalen en Afdrukken met kleurbeheer vanuit Photoshop voor meer informatie.

    Opmerking:

    In Mac OS vouwt u de sectie voor Kleurbeheer uit en selecteert u 16-bits gegevens verzenden om de hoogst mogelijke kwaliteit subtiele tinten te krijgen, zoals een heldere lucht.

  4. Voer een van de volgende handelingen uit:
    • Klik op Afdrukken om de afbeelding af te drukken.
    • Klik op Annuleren om het dialoogvenster te sluiten zonder de opties op te slaan.
    • Klik op Gereed om de opties te behouden en het dialoogvenster te sluiten.

Afbeeldingen plaatsen en schalen

U kunt de positie en de schaal van een afbeelding aanpassen met gebruik van de opties in het dialoogvenster Afdrukken. De marges van het geselecteerde papier worden gearceerd weergegeven. Het afdrukgebied is wit.

De standaard uitvoergrootte van een afbeelding wordt bepaald door de instellingen voor documentgrootte in het dialoogvenster Afbeeldingsgrootte. Als u een afbeelding in het dialoogvenster Afdrukken schaalt, wijzigt u alleen de grootte en resolutie van de afgedrukte afbeelding. Als u bijvoorbeeld een afbeelding van 72 ppi in het dialoogvenster Afdrukken naar 50% schaalt, wordt de afbeelding afgedrukt met 144 ppi. De instellingen voor documentgrootte in het dialoogvenster Afbeeldingsgrootte worden echter niet gewijzigd. In het dialoogvenster Afdrukken geeft het veld Afdrukresolutie onder aan de sectie Positie en formaat de afdrukresolutie bij de huidige schaalinstelling weer.

Veel printerstuurprogramma's van derden beschikken over een schalingsoptie in het dialoogvenster Afdrukinstellingen. Met deze optie beïnvloedt u de grootte van alle elementen op de pagina, waaronder snijtekens en bijschriften, terwijl het schalingspercentage met de opdracht Afdrukken alleen van invloed is op de grootte van de afgedrukte afbeelding (en niet op de grootte van paginamarkeringen).

Opmerking:

U kunt onnauwkeurige schaling voorkomen door de schaling in het dialoogvenster Afdrukken en niet in het dialoogvenster Afdrukinstellingen in te stellen. Voer dus niet in beide vensters een schalingspercentage in.

De positie van een afbeelding op het papier wijzigen

  1. Kies Bestand > Afdrukken en vouw de instellingen Positie en formaat aan de rechterkant uit. Voer vervolgens een van de volgende stappen uit:

    • Selecteer Afbeelding centreren om de afbeelding te centreren in het afdrukbare gebied.
    • Als u de afbeelding numeriek wilt plaatsen, schakelt u Afbeelding centreren uit en geeft u waarden op voor Boven en Links.
    • Schakel Afbeelding centreren uit en sleep de afbeelding in het voorvertoningsgebied.

De afdrukgrootte van een afbeelding schalen

  1. Kies Bestand > Afdrukken en vouw de instellingen Positie en formaat aan de rechterkant uit. Voer vervolgens een van de volgende stappen uit:

    • Klik op Schaal passend maken voor medium om de afbeelding aan te passen aan het afdrukbare gebied van het geselecteerde papier.
    • Als u de afbeelding numeriek wilt schalen, schakelt u de selectie Schaal passend maken voor medium uit en voert u vervolgens waarden in voor Schaal, Hoogte en Breedte.
    • Om de gewenste schaal te verkrijgen, sleept u het selectiekader rond de afbeelding in het voorvertoningsgebied.

    Opmerking:

    Als u een waarschuwing krijgt dat uw afbeelding groter is dan het afdrukbaar gebied van het document, klikt u op Annuleren. Kies vervolgens Bestand > Afdrukken, vouw de instellingen voor Positie en formaat aan de rechterkant uit en selecteer Schaal passend maken voor medium.

  1. Selecteer met de tool Rechthoekig selectiekader het gedeelte van de afbeelding dat u wilt afdrukken.
  2. Kies Bestand > Afdrukken en selecteer Geselecteerd gebied afdrukken.
  3. Indien gewenst past u het geselecteerde gebied aan door de driehoekige grepen op de rand van het afdrukvoorbeeld te slepen.
  4. Klik op Afdrukken.

Als een afbeelding vectorafbeeldingen bevat, zoals vormen en tekst, kan Photoshop de vectorgegevens naar een PostScript-printer zenden. Als u kiest voor het opnemen van vectorgegevens, verzendt Photoshop voor elke tekst- en vectorvormlaag een afzonderlijke afbeelding naar de printer. Deze extra afbeeldingen worden boven op de basisafbeelding afgedrukt en uitgeknipt met behulp van de vectoromtrek. De randen van vectorafbeeldingen worden daardoor afgedrukt met de volledige resolutie van de printer, terwijl de inhoud van elke laag is beperkt tot de resolutie van het afbeeldingsbestand.

Opmerking:

Voor sommige overvloeimodi en laageffecten zijn in pixels omgezette vectorgegevens vereist.

  1. Kies Bestand > Afdrukken.
  2. In het vak met opties aan de rechterkant gaat u naar de onderkant van het venster en vouwt u PostScript-opties uit.

  3. Selecteer Inclusief vectorgegevens.

Dit werk is gelicentieerd onder de Creative Commons Naamsvermelding/Niet-commercieel/Gelijk delen 3.0 Unported-licentie  De voorwaarden van Creative Commons zijn niet van toepassing op Twitter™- en Facebook-berichten.

Juridische kennisgevingen   |   Online privacybeleid