Bijgewerkt in Photoshop 21.0 (versie van november 2019)

Ontwerpers maken vaak meerdere composities (of samenstellingen) van een paginalay-out om deze aan hun klanten te laten zien. Met laagsamenstellingen kunt u in één Photoshop-bestand meerdere versies van een lay-out maken, beheren en weergeven.

Een laagsamenstelling is een opname van een staat van het deelvenster Lagen. Bij laagsamenstellingen worden drie soorten laagopties vastgelegd:

  • Zichtbaarheid laag: of een laag zichtbaar is of verborgen.
  • De positie van de laag in het document.
  • Laagweergave: of een laagstijl is toegepast op de laag en de overvloeimodus van de laag.
  • Selectie laagsamenstelling slimme objecten.

 

Een laagsamenstelling maken

  1. Kies Venster > Laagsamenstellingen om het deelvenster Laagsamenstellingen weer te geven.

    Deelvenster Laagsamenstellingen
    Deelvenster Laagsamenstellingen
  2. Klik op de knop Nieuwe laagsamenstelling maken onder in het deelvenster Laagsamenstellingen. De nieuwe samenstelling geeft de huidige staat van lagen weer in het deelvenster Lagen.

  3. Geef de samenstelling een naam in het dialoogvenster Nieuwe laagsamenstelling, voeg beschrijvende opmerkingen toe en kies opties om toe te passen op lagen: Zichtbaarheid, Positie, Verschijningsvorm (laagstijl), Selectie laagsamenstelling voor slimme objecten.

    Dialoogvenster Nieuwe laagsamenstelling
    Dialoogvenster Nieuwe laagsamenstelling
  4. Klik op OK. De opties die u selecteert, worden opgeslagen als standaardwaarden voor uw volgende samenstelling.

    Opmerking:

    Als u een laagsamenstelling wilt dupliceren, selecteert u een laagsamenstelling in het deelvenster Laagsamenstellingen en sleept u deze naar de knop Nieuwe laagsamenstelling maken.

Laagsamenstellingen toepassen en weergeven

  1. Voer in het deelvenster Laagsamenstellingen een van de volgende handelingen uit:

    • Als u een laagsamenstelling wilt weergeven, moet u deze eerst toepassen. Klik op het pictogram Laagsamenstelling toepassen  naast een geselecteerde samenstelling.

    • Met de knoppen Vorige  en Volgende  onder aan het deelvenster doorloopt u een weergave van alle laagsamenstellingen. (Als u specifieke samenstellingen wilt doorlopen, moet u deze samenstellingen eerst selecteren.)

    • Als u terug wilt naar de status van het document van voordat u een laagsamenstelling koos, klikt u op het pictogram Laagsamenstelling toepassen  naast Laatste documentstatus boven in het deelvenster.

Een laagsamenstelling wijzigen en bijwerken

Als u de configuratie van een laagsamenstelling wijzigt, moet u deze bijwerken.

  1. Selecteer de laagsamenstelling in het deelvenster Laagsamenstellingen.

  2. Breng wijzigingen aan in de zichtbaarheid, de positie of de stijl van de laag. Mogelijk moet u de opties van de laagsamenstelling wijzigen om deze wijzigingen vast te leggen.

  3. Als u de opties voor de laagsamenstelling wilt wijzigen, selecteert u Opties laagsamenstelling in het menu van het deelvenster en selecteert u aanvullende opties om de positie en de stijl van de laag vast te leggen.

  4. Klik op de knop Laagsamenstelling bijwerken  onder in het deelvenster.

Laagsamenstellingen in slimme objecten

Stel dat er een document met laagsamenstellingen als een slim object in een ander document is geplaatst. Wanneer u het slimme object selecteert in het containerdocument, hebt u via het deelvenster Eigenschappen toegang tot de laagsamenstellingen die in het bronbestand zijn gedefinieerd.

Met deze functie kunt u de toestand van het slimme object op laagniveau wijzigen zonder het slimme object te bewerken. 

Laagsamenstellingen in een slim object in Photoshop
Laagsamenstellingen in een slim object

Waarschuwingen voor laagsamenstellingen wissen

Bepaalde handelingen hebben tot gevolg dat de laagsamenstelling niet meer volledig kan worden hersteld. Dit gebeurt als u een laag wist, een laag samenvoegt of een laag omzet naar een achtergrond. In dergelijke gevallen wordt een waarschuwingspictogram  weergegeven naast de naam van de laagsamenstelling.

  1. Voer een van de volgende handelingen uit:
    • Negeer de waarschuwing. Dit kan leiden tot het verlies van een of meer lagen. Andere opgeslagen parameters blijven mogelijk behouden.

    • Werk de laagsamenstelling bij. Dit leidt ertoe dat de eerder vastgelegde parameters verloren gaan, maar zorgt er wel voor dat de samenstelling wordt bijgewerkt.

    • Klik op het waarschuwingspictogram om de melding te zien waarin wordt uitgelegd dat de laagsamenstelling niet correct kan worden hersteld. Kies Wissen om het waarschuwingspictogram te verwijderen. De resterende lagen blijven ongewijzigd.

    • Klik met de rechtermuisknop (Windows) of klik terwijl u Control ingedrukt houdt (Mac OS) op het waarschuwingspictogram om het pop-upmenu weer te geven en kies de optie Waarschuwing voor laagsamenstelling wissen of Alle waarschuwingen voor laagsamenstellingen wissen.

Een laagsamenstelling verwijderen

  1. Voer een van de volgende handelingen uit:
    • Selecteer de laagsamenstelling in het deelvenster Laagsamenstellingen en klik op het pictogram Verwijderen in het deelvenster. U kunt ook Laagsamenstelling verwijderen in het menu van het deelvenster kiezen.

    • Sleep de laagsamenstelling naar het pictogram Verwijderen in het deelvenster.

Laagsamenstellingen exporteren

U kunt laagsamenstellingen naar afzonderlijke bestanden exporteren.

  1. Kies Bestand > Exporteren > Laagsamenstellingen naar bestanden, kies het bestandstype en geef de bestemming op.