Lagen proportioneel schalen

Bijgewerkt in de Photoshop CC-versies van oktober 2018 (versies 20.0)

Tijdens het transformeren van de meeste laagtypen, zoals pixellagen, tekstlagen, bitmaps en geplaatste slimme objecten, sleept u gewoon een hoekgreep om deze laagtypen proportioneel te schalen. Om deze laagtypen non-proportioneel te schalen, houdt u Shift ingedrukt als u een hoekgreep sleept.

Vormen en paden (vectoren) schalen standaard niet-proportioneel als u een hoekgreep sleept tijdens het transformeren.

Zie Vrije transformaties voor meer informatie.

Hoe kan ik het standaard proportioneel schalen uitschakelen voor het transformeren van lagen?

Ga als volgt te werk als u de oude manier van transformeren wilt herstellen:

  1. Maak een tekstbestand zonder opmaak (.txt) met Kladblok (Windows) of een teksteditor in Mac OS.

  2. Typ onderstaande tekst in het tekstbestand:

    TransformProportionalScale 0

  3. (Windows) Sla het bestand op als "PSUserConfig.txt" in de instellingenmap van Photoshop.
    [Installatiestation]:\Gebruikers\[Gebruikersnaam]\AppData\Roaming\Adobe\Adobe Photoshop CC 2019\Adobe Photoshop CC 2019 Instellingen\

    (macOs) Voer de volgende stappen uit:

    1. Sla het bestand op de desktop op als "PSUserConfig.txt".
    2. Klik op PSUserConfig.txt op de desktop en houd Control ingedrukt. Selecteer Kopiëren in het pop-upmenu.
    3. Kies Ga > Ga naar map in de Finder.
    4. In het dialoogvenster Ga naar map, typt u ~/Bibliotheek/Voorkeuren/Adobe Photoshop CC 2019 Instellingen/
    5. Plak het gekopieerde bestand op deze locatie.

  4. Start Photoshop opnieuw.

Vrije transformaties

Met de opdracht Vrije transformatie kunt u verschillende transformatiemethoden (roteren, schalen, schuintrekken, vervormen en perspectief) toepassen in één doorgaande bewerking. U kunt ook een verdraaiingstransformatie toepassen. In plaats van verschillende opdrachten te kiezen houdt u een toets op het toetsenbord ingedrukt om af te wisselen tussen de transformatiemethoden.

Opmerking:

Als u een vorm of een geheel pad transformeert, verandert de opdracht Transformatie in de opdracht Transformatie pad. Als u meerdere padsegmenten (maar niet het gehele pad) transformeert, verandert de opdracht Transformatie in de opdracht Transformatiepunten.

  1. Selecteer het beeldelement dat u wilt transformeren.
  2. Voer een van de volgende handelingen uit:
    • Kies Bewerken > Vrije transformatie.

    • Als u een selectie, een op pixels gebaseerde laag of een selectiekader transformeert, kiest u het gereedschap Verplaatsen . Selecteer vervolgens Besturingselementen voor transformatie tonen op de optiebalk.

    • Als u een vectorvorm of een pad transformeert, selecteert u het gereedschap Padselectie . Selecteer vervolgens Besturingselementen voor transformatie tonen op de optiebalk.

  3. Voer een of meer van de volgende handelingen uit:
    • Ga op basis van het laagtype dat u wilt transformeren als volgt te werk om te schalen door te slepen:
      • Als u bezig bent met het schalen van laagtypen, zoals pixellagen, tekstlagen, bitmaps en geplaatste slimme objecten, sleept u een hoekgreep om proportioneel te schalen. Houd Shift ingedrukt tijdens het slepen van hoekgrepen als u niet-proportioneel wilt schalen. 
      • Tijdens het schalen van vormen en paden (vectoren), sleept u een hoekgreep om niet-proportioneel te schalen. Houd tijdens het slepen van hoekgrepen Shift ingedrukt om proportioneel te schalen.
    • Als u numeriek wilt schalen, geeft u percentages op in de tekstvakken Breedte en Hoogte op de optiebalk. Klik op het koppelingspictogram  om de hoogte/breedte-verhouding te behouden.

    • Als u wilt roteren door te slepen, plaatst u de cursor buiten het selectiekader (de cursor verandert in een kromme dubbele pijl) en sleept u. Druk op Shift om de rotatie te beperken tot stappen van 15°.

    • Als u een beeldelement numeriek wilt roteren, voert u de graden in in het tekstvak voor rotatie  op de optiebalk.

    • Als u iets wilt vervormen ten opzichte van het middelpunt van het selectiekader, houdt u Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt en sleept u een greep.

    • Als u vrije vervorming wilt toepassen, houdt u Ctrl (Windows) of Command (Mac OS) ingedrukt en sleept u een greep.

    • Als u wilt schuintrekken, houdt u Ctrl+Shift (Windows) of Command+Shift (Mac OS) ingedrukt en sleept u een zijgreep. Zodra de cursor op een zijgreep staat, verandert deze in een witte pijlpunt met een kleine dubbele pijl.

    • Als u numeriek wilt schuintrekken, voert u de graden in in de tekstvakken H (horizontaal schuintrekken) en V (verticaal schuintrekken) op de optiebalk.

    • Als u perspectief wilt gebruiken, houdt u Ctrl+Alt+Shift (Windows) of Command+Option+Shift (Mac OS) ingedrukt en sleept u een hoekgreep. Zodra de cursor op een hoekgreep staat, verandert deze in een grijze pijlpunt.

    • Klik op de knop Overschakelen tussen de modi voor vrije transformatie en verdraaien  op de optiebalk om te verdraaien. Sleep controlepunten om de vorm van het beeldelement te bewerken of kies een verdraaiingsstijl in het pop-upmenu Verdraaien op de optiebalk. Nadat u een optie hebt gekozen in het pop-upmenu Verdraaien, is er een vierkante handgreep beschikbaar waarmee u de vorm van de verdraaiing kunt aanpassen.

    • Als u het referentiepunt wilt wijzigen, klikt u op een vierkantje in de referentiepuntzoeker  op de optiebalk.

    • Als u een beeldelement wilt verplaatsen, voert u de waarden in voor de nieuwe locatie van het referentiepunt in de tekstvakken X (horizontale positie) en Y (verticale positie) op de optiebalk. Klik op de knop Relatieve positionering  om de nieuwe positie ten opzichte van de huidige positie op te geven.

    Opmerking:

    Als u de laatste greepaanpassing ongedaan wilt maken, kiest u Bewerken > Ongedaan maken.

  4. Voer een van de volgende handelingen uit om de transformatie vast te leggen:

    • Selecteer een nieuwe tool.
    • Klik op een laag in het deelvenster Lagen. (Hiermee worden wijzigingen automatisch vastgelegd en wordt de laag geselecteerd.)
    • Klik in het documentvenster buiten het canvasgebied.
    • Klik in het canvasgebied buiten het selectiekader.
    • Druk op Enter (Windows) of Return (Mac OS), klik op de knop Vastleggen  op de optiebalk of dubbelklik in het transformatiekader.

    Als u de transformatie wilt annuleren, drukt u op Esc of klikt u op de knop Annuleren  op de optiebalk.

    Opmerking:

    Wanneer u een bitmapafbeelding transformeert (in plaats van een vorm of een pad), wordt deze bij elke keer dat u een transformatie toepast minder scherp. Het verdient daarom aanbeveling meerdere opdrachten uit te voeren voordat u de verzamelde transformatie toepast in plaats van elke transformatie afzonderlijk toe te passen.

Dit werk is gelicentieerd onder de Creative Commons Naamsvermelding/Niet-commercieel/Gelijk delen 3.0 Unported-licentie  De voorwaarden van Creative Commons zijn niet van toepassing op Twitter™- en Facebook-berichten.

Juridische kennisgevingen   |   Online privacybeleid