Opmerking:

3D-tools zijn niet afhankelijk van de Perspectiefraster-tools en 3D-objecten worden behandeld net als alle andere objecten in perspectief.

3D-objecten maken

Met 3D-effecten kunt u driedimensionale (3D) objecten maken van tweedimensionale (2D) illustraties. U kunt het uiterlijk van 3D-objecten bepalen met belichting, schaduweffecten, rotatie en andere eigenschappen. U kunt bovendien illustraties toewijzen aan elk oppervlak van een 3D-object.

U kunt een 3D-object op twee manieren maken: door diepte te geven of door te draaien. Daarnaast kunt u een 2D- of 3D-object ook in drie dimensies roteren. Als u 3D-effecten wilt wijzigen voor of wilt toepassen op een bestaand 3D-object, selecteert u het object en dubbelklikt u op het effect in het deelvenster Vormgeving.

Opmerking:

Bij 3D-objecten kunnen anti-alias artefacten op het scherm worden weergegeven, maar deze artefacten worden niet afgedrukt en niet weergegeven in illustraties die zijn geoptimaliseerd voor het web.

Zie Stap in de wereld van 3D voor een video over het werken met 3D-objecten in Illustrator.

Een 3D-object maken door het diepte te geven

Met de functie voor het geven van diepte verlengt u een 2D-object langs de z-as van het object waardoor het object diepte krijgt. Als u bijvoorbeeld een 2D-ovaal diepte geeft, verandert deze in een cilinder.

Opmerking:

De as van het object staat altijd loodrecht op het voorvlak van het object en beweegt ten opzichte van het object als het object wordt geroteerd in het dialoogvenster 3D-opties.

Een object diepte geven
Een object diepte geven

  1. Selecteer het object.
  2. Kies Effect > 3D > Diepte geven en voorzien van schuine kanten.
  3. Klik op Meer opties als u de volledige lijst met opties wilt weergeven, of op Minder opties als u de extra opties wilt verbergen.
  4. Selecteer Voorvertoning om een voorvertoning van het effect in het documentvenster weer te geven.
  5. Geef opties op:

    Positie

    Hiermee bepaalt u hoe het object wordt geroteerd en het perspectief waarin u het wilt bekijken. (Zie Opties instellen voor 3D-rotatieposities.)

    Diepte geven en schuine kanten

    Hiermee bepaalt u de diepte van het object en de schuine kanten die worden toegevoegd of verwijderd. (Zie Opties voor Diepte geven en voorzien van schuine kanten.)

    Oppervlak

    Hiermee maakt u diverse oppervlakken, van eenvoudige effen oppervlakken zonder schaduw tot glanzende en glimmende oppervlakken die er uitzien als plastic. (Zie Opties voor oppervlakschaduwen.)

    Belichting

    Hiermee voegt u een of meer lichten toe, verandert u de intensiteit van het licht en de schaduwkleur van het object, en verplaatst u lichten rond het object om dramatische effecten te creëren. (Zie Belichtingsopties.)

    Illustratie toewijzen

    Hiermee wijst u illustraties toe aan de oppervlakken van een 3D-object. (Zie Illustraties toewijzen aan een 3D-object.)

  6. Klik op OK.
    Een object diepte geven
    Object met diepte zonder schuine kant (links) vergeleken met object met schuine kant binnen (midden) en met schuine kant buiten (rechts)

Een 3D-object maken door het te draaien

Bij draaien trekt u een pad of profiel in cirkelvormige richting rond de globale y-as (draaias) om een 3D-object te maken. Aangezien de draaias verticaal vaststaat, moet het open of gesloten pad dat u draait doorgaans de helft van het gewenste profiel van het 3D-object afbeelden in een verticale positie met vooraanblik. Daarna kunt u de positie van het 3D-object roteren in het dialoogvenster van het effect.

Een object draaien
Een object draaien

  1. Selecteer het object.

    Opmerking:

    Wanneer het 3D-effect Draaien op een of meerdere objecten tegelijk wordt toegepast, draait elk object om zijn eigen as. Elk object bevindt zich in een eigen 3D-ruimte en kan geen andere 3D-objecten snijden. Wanneer het effect Draaien echter op een geselecteerde groep of laag wordt toegepast, draaien de objecten om één as.

    Opmerking:

    Het draaien van een gevuld pad zonder lijn neemt minder tijd in beslag dan het draaien van een pad met lijnen.

  2. Kies Effect > 3D > Draaien.
  3. Selecteer Voorvertoning om een voorvertoning van het effect in het documentvenster weer te geven.
  4. Klik op Meer opties als u de volledige lijst met opties wilt weergeven, of op Minder opties als u de extra opties wilt verbergen.

    Positie

    Hiermee bepaalt u hoe het object wordt geroteerd en het perspectief waarin u het wilt bekijken. (Zie Opties instellen voor 3D-rotatieposities.)

    Draaien

    Hiermee bepaalt u hoe het pad rond het object wordt getrokken om het in drie dimensies te draaien. (Zie Opties voor Draaien.)

    Oppervlak

    Hiermee maakt u diverse oppervlakken, van eenvoudige effen oppervlakken zonder schaduw tot glanzende en glimmende oppervlakken die er uitzien als plastic. (Zie Opties voor oppervlakschaduwen.)

    Belichting

    Hiermee voegt u een of meer lichten toe, verandert u de intensiteit van het licht en de schaduwkleur van het object, en verplaatst u lichten rond het object om dramatische effecten te creëren. (Zie Belichtingsopties.)

    Illustratie toewijzen

    Hiermee wijst u illustraties toe aan de oppervlakken van een 3D-object. (Zie Illustraties toewijzen aan een 3D-object.)

  5. Klik op OK.

Opties instellen

Opties instellen voor 3D-rotatieposities

  1. Voer een van de volgende handelingen uit:
    • Kies een vooraf ingestelde positie in het menu Positie.

    • Sleep het voorvlak van een kubus om onbeperkt te kunnen roteren. De voorzijde van het object wordt aangegeven door het blauwe vlak van de kubus, de bovenste en onderste vlakken zijn lichtgrijs, de zijden zijn gewoon grijs en het achterste vlak is donkergrijs.

    • Als u het draaien langs een globale as wilt beperken, houdt u Shift ingedrukt terwijl u in horizontale richting (globale y-as) of in verticale richting (globale x-as) sleept. Als u het object rond de globale z-as wilt laten draaien, sleept u in de blauwe band rond de kubus.

    • Als u de rotatie wilt beperken rond een objectas, sleept u een rand op de voorbeeldkubus. De aanwijzer verandert in een dubbele pijl  en de rand van de kubus krijgt een andere kleur ter indicatie van de as waaromheen het object draait. Rode randen geven de x-as van het object aan, groene randen geven de y-as van het object aan en blauwe randen geven de z-as van het object aan.

    • Voer waarden in tussen –180 en 180 in de tekstvakken voor de horizontale as (x), de verticale as (y) en de diepteas (z).

    • Als u het perspectief wilt wijzigen, typt u een waarde tussen 0 en 160 in het tekstvak Perspectief. Een kleinere lenshoek komt overeen met een telelens en een grotere lenshoek komt overeen met een groothoeklens

Opmerking:

Bij een lenshoek die groter dan 150 is, kunnen objecten uit het zicht verdwijnen en vervormd worden weergegeven. Onthoud eveneens dat er x-, y- en z-assen van een object zijn en globale x-, y- en z-assen. Objectassen blijven relatief ten opzichte van de positie van het object in zijn 3D-ruimte. Globale assen blijven gefixeerd ten opzichte van het computerscherm: de x-as ligt horizontaal, de y-as verticaal en de z-as staat loodrecht op het computerscherm.

Assen van het object
Objectassen (zwart) bewegen samen met het object, globale assen (grijs) bewegen niet.

Opties voor Diepte geven en voorzien van schuine kanten

Diepte geven

Hiermee stelt u de diepte van het object in met een waarde tussen 0 en 2000.

Afbakening

Hiermee bepaalt u of het object massief (Afsluiten voor een massieve vorm ) of leeg (Openen voor een open vorm ) wordt weergegeven.

Schuine kant

Hiermee past u het gekozen type schuine kant toe langs de diepteas (z-as) van het object.

Hoogte

Hiermee stelt u de hoogte in op een waarde tussen 1 en 100. Wanneer hoogten van schuine kanten te groot zijn voor een object is het mogelijk dat het object zichzelf doorsnijdt, hetgeen onverwachte resultaten kan opleveren.

Schuine kant buiten

Hiermee wordt de schuine kant aan de originele vorm toegevoegd.

Schuine kant binnen

Hiermee wordt de schuine kant van de originele vorm afgehaald.

Object met diepte en afbakening
Object met diepte en met vulling (linksboven) vergeleken met object zonder vulling (rechtsboven). Object zonder schuine kant (linksonder) vergeleken met object met schuine kant (rechtsonder)

Opties voor Draaien

Hoek

Hiermee stelt u het aantal graden (tussen 0 en 360) in om het pad te draaien.

Afbakening

Hiermee bepaalt u of het object massief (Afsluiten voor een massieve vorm ) of leeg (Openen voor een open vorm ) wordt weergegeven.

Verschuiving

Hiermee voegt u ruimte tussen de draaias en het pad toe, bijvoorbeeld om een ringvormig object te maken. U kunt een waarde invoeren tussen 0 en 1000.

Van

Kies Linkerrand of Rechterrand om aan te geven rond welke as het object draait.

Opties voor oppervlakschaduwen

Oppervlak

Hiermee kunt u opties kiezen voor de schaduw van oppervlakken:

Draadframe

Hiermee worden de contouren van de geometrie van het object omlijnd en wordt elk oppervlak transparant.

Geen lichteffect

Hiermee voegt u nieuwe oppervlakeigenschappen toe aan het object. Het 3D-object heeft dezelfde kleur als het originele 2D-object.

Diffuus lichteffect

Hiermee laat u het object licht reflecteren in een zacht, diffuus patroon.

Ruimtelijk lichteffect

Hiermee laat u het object licht reflecteren alsof het is gemaakt van glanzend, glimmend materiaal.

Opmerking: Afhankelijk van de optie die u kiest, zijn er verschillende belichtingsopties beschikbaar. Als het object alleen het effect Roteren in 3D gebruikt, zijn alleen de oppervlakopties Diffuus lichteffect of Geen lichteffect beschikbaar.

Lichtintensiteit

Hiermee stelt u de lichtintensiteit in op een waarde tussen 0% en 100%.

Omgevingslicht

Hiermee regelt u de globale belichting, die op uniforme wijze de helderheid van alle objectoppervlakken verandert. Voer een waarde in tussen 0% en 100%.

Intensiteit van hooglicht

Met waarden tussen 0% en 100% bepaalt u in welke mate het object licht reflecteert. Lagere waarden produceren een mat oppervlak en hogere waarden geven een glimmender oppervlak.

Grootte van hooglicht

Hiermee regelt u de grootte van het hooglicht van groot (100%) tot klein (0%).

Overvloeistappen

Hiermee bepaalt u hoe vloeiend het lichteffect wordt weergegeven over de oppervlakken van het object. Voer een waarde in tussen 1 en 256. Hogere waarden produceren vloeiendere lichteffecten en meer paden dan lagere waarden.

Verborgen vlakken weergeven

Hiermee geeft u de verborgen achtervlakken van het object weer. De achtervlakken zijn zichtbaar als het object transparant is of als het object wordt uitgebreid en vervolgens uit elkaar wordt gehaald.

Opmerking: Als het object transparant is en u wilt de verborgen achtervlakken weergeven door de transparante voorvlakken heen, past u de opdracht Object > Groeperen toe op het object voordat u het 3D-effect toepast.

Steunkleuren behouden (effect Diepte geven en voorzien van schuine kanten, effect Draaien en effect Roteren)

Hiermee kunt u steunkleuren in het object behouden. U kunt steunkleuren niet behouden als u voor de optie Schaduwkleur de instelling Aangepast kiest.

Voorbeelden van verschillende lichteffecten voor oppervlakken
Voorbeelden van verschillende lichteffecten voor oppervlakken

A. Draadframe B. Geen lichteffect C. Diffuus lichteffect D. Ruimtelijk lichteffect 

Belichtingsopties

Licht

Hier definieert u waar het licht zich bevindt. Sleep het licht naar de gewenste positie op de lichtbol.

Knop voor het verplaatsen van het licht naar de achtergrond

Hiermee plaatst u het geselecteerde licht achter het object.

Knop Geselecteerd licht naar voorgrond van object verplaatsen

Hiermee plaatst u het geselecteerde licht vóór het object.

Knop Nieuw licht

Hiermee voegt u licht toe. Standaard worden nieuwe lichten vooraan in het midden van de lichtbol geplaatst.

Knop Licht verwijderen

Hiermee verwijdert u het geselecteerde licht.

Opmerking: Een object krijgt bij een 3D-effect standaard één licht toegewezen. U kunt lichten toevoegen en verwijderen, maar het object moet altijd minstens één licht hebben.

Lichtintensiteit

Hiermee stelt u de intensiteit van het geselecteerde licht in op een waarde tussen 0% en 100%.

Schaduwkleur

Hiermee regelt u de schaduwkleur van het object afhankelijk van de gekozen opdracht:

Geen

Hiermee voegt u geen kleur toe aan de schaduw.

Aangepast

Hiermee kunt u een aangepaste kleur kiezen. Als u deze optie kiest, klikt u op het vak Schaduwkleur opgeven en selecteert u een kleur in de Kleurkiezer. Steunkleuren veranderen in proceskleuren.

Zwart

Hiermee vermijdt u proceskleuren als u met steunkleuren werkt. Het object wordt van een schaduw voorzien door zwarttinten over de vulkleur van het object heen te drukken. Kies Weergave > Voorvertoning overdruk om de schaduw weer te geven.

Steunkleuren behouden

Hiermee kunt u steunkleuren in het object behouden. U kunt steunkleuren niet behouden als u voor de optie Schaduwkleur de instelling Aangepast kiest.

Lichtbol
Lichtbol

A. Geselecteerd licht op de voorgrond B. Knop om geselecteerd licht naar de achtergrond of de voorgrond te verplaatsen C. Knop Nieuw licht D. Knop Licht verwijderen 

Een pad voor een aangepaste schuine kant toevoegen

  1. Open het bestand Bevels.ai in de map Adobe Illustrator [versie]\Support Files\Required\Resources\nl_NL (Windows) of Adobe Illustrator [versie]\Required\Resources\nl_NL (Mac OS).

  2. Maak een enkel open pad in het bestand Schuine kanten.ai.
  3. Kies Venster > Symbolen en voer een van de volgende handelingen uit om van het pad een symbool te maken:
    • Sleep het pad naar het deelvenster Symbolen.

    • Klik terwijl het pad is geselecteerd op de knop Nieuw symbool  in het deelvenster Symbolen of kies Nieuw symbool in het deelvenstermenu.

  4. Als u de naam van het symbool wilt wijzigen, dubbelklikt u op het symbool in het deelvenster Symbolen, typt u een naam in het dialoogvenster Symboolopties en klik u op OK.
  5. Kies Bestand > Opslaan.
  6. Sluit Illustrator af en start Illustrator opnieuw.

    De schuine kant wordt nu weergegeven in het menu Schuine kant in het dialoogvenster Opties voor Diepte geven en schuine kanten in 3D.

  7. Voer een van de volgende handelingen uit om de aangepaste schuine kant toe te passen:
    • Als u de schuine kant wilt toepassen op een 3D-object met diepte, selecteert u het 3D-object en vervolgens dubbelklikt u op het effect voor diepte geven en voorzien van schuine kanten in 3D in het deelvenster Vormgeving. Kies in het dialoogvenster Opties voor Diepte geven en schuine kanten in 3D de gewenste kant in het menu Schuine kant.

    • Als u de aangepaste schuine kant wilt toepassen op 2D-illustraties, selecteert u het 2D-object en kiest u Effect > 3D > Diepte geven en voorzien van schuine kanten. Kies in het dialoogvenster Opties voor Diepte geven en schuine kanten in 3D de gewenste aangepaste schuine kant in het menu Schuine kant.

Een object roteren in drie dimensies

  1. Selecteer het object.
  2. Kies Effect > 3D > Draaien.
  3. Selecteer Voorvertoning om een voorvertoning van het effect in het documentvenster weer te geven.
  4. Klik op Meer opties als u de volledige lijst met opties wilt weergeven, of op Minder opties als u de extra opties wilt verbergen.
  5. Geef opties op:

    Positie

    Hiermee bepaalt u hoe het object wordt geroteerd en het perspectief waarin u het wilt bekijken. (Zie Opties instellen voor 3D-rotatieposities.)

    Oppervlak

    Hiermee maakt u diverse oppervlakken, van eenvoudige effen oppervlakken zonder schaduw tot glanzende en glimmende oppervlakken die er uitzien als plastic. (Zie Opties voor oppervlakschaduwen.)

  6. Klik op OK.

Illustraties toewijzen aan een 3D-object

Ieder 3D-object bestaat uit meerdere vlakken. Zo wordt een vierkant met diepte een kubus die bestaat uit zes vlakken: de voor- en achterkant en de vier zijkanten. U kunt een 2D-illustratie toewijzen aan elk vlak van een 3D-object. U kunt bijvoorbeeld een label of tekst toewijzen aan een flesvormig object of voor elke zijde van een object een andere structuur gebruiken.

3D-object waarbij aan elke zijde een illustratie is toegewezen
3D-object waarbij aan elke zijde een illustratie is toegewezen

A. Symboolillustraties B. Symboolillustraties C. A en B toegewezen aan 3D-object 

U kunt alleen 2D-illustraties die zijn opgeslagen in het deelvenster Symbolen toewijzen aan een 3D-object. Symbolen kunnen bestaan uit Illustrator-illustraties, waaronder paden, samengestelde paden, tekst, rasterafbeeldingen, netobjecten en groepen objecten.

Houd bij het toewijzen van illustraties aan 3D-objecten rekening met de volgende punten:

  • Aangezien de functie Illustratie toewijzen gebruikmaakt van symbolen, kunt u een exemplaar van een symbool bewerken en vervolgens automatisch alle oppervlakken bijwerken die aan het symbool zijn toegewezen.

  • In het dialoogvenster Illustratie toewijzen kunt u met het symbool werken met de normale besturingselementen van het omsluitende kader om het object te verplaatsen, te schalen en te roteren.

  • Het 3D-effect onthoudt elk objectvlak waaraan een symbool is toegewezen als een nummer. Als u het 3D-object bewerkt of hetzelfde effect op een nieuw object toepast, heeft dit wellicht meer of minder zijden dan het origineel. Als het object minder vlakken heeft dan het aantal vlakken dat is opgegeven voor de oorspronkelijke toewijzing, worden de extra illustraties genegeerd.

  • Omdat de positie van een symbool relatief is ten opzichte van het midden van het oppervlak van een object, wordt het symbool opnieuw toegewezen ten opzichte van het nieuwe midden van het object als de geometrie van een oppervlak verandert.

  • U kunt illustraties toewijzen aan objecten die gebruikmaken van het effect Diepte geven en voorzien van schuine kanten of het effect Draaien, maar u kunt geen illustraties toewijzen aan objecten die alleen gebruikmaken van het effect Roteren.

  1. Selecteer het 3D-object.
  2. Dubbelklik in het deelvenster Vormgeving op het effect Diepte geven en schuine kanten in 3D of het effect Draaien in 3D.
  3. Klik op Illustratie toewijzen.
  4. Kies in het pop-upmenu Symbool de illustratie die u wilt toewijzen aan het geselecteerde oppervlak.
  5. U selecteert het objectvlak waaraan u de illustratie wilt toewijzen door te klikken op de pijlknoppen voor het eerste , vorige , volgende  en laatste  vlak of door het nummer voor het vlak in te voeren in het tekstvak.

    Een lichtgrijze kleur verschijnt op de oppervlakken die momenteel zichtbaar zijn. Een donkergrijze kleur verschijnt op de oppervlakken die zijn verborgen door de huidige positie van het object. Wanneer een oppervlak in het dialoogvenster wordt geselecteerd, wordt het geselecteerde oppervlak in het documentvenster in het rood omlijnd.

  6. Voer een van de volgende handelingen uit:
    • Als u het symbool wilt verplaatsen, plaatst u de aanwijzer in het omsluitende kader en sleept u. Als u dit wilt schalen, sleept u een zijgreep of een hoekgreep. Als u het symbool wilt roteren, sleept u buiten en nabij een handgreep van het omsluitende kader.

    • Als u de toegewezen illustratie wilt aanpassen aan de grenzen van het geselecteerde oppervlak, klikt u op Passend maken.

    • Als u de illustratie uit één oppervlak wilt verwijderen, selecteert u het oppervlak met gebruik van de oppervlakopties en kiest u Geen in het menu Symbool of klikt u op Wissen.

    • Als u alle toewijzingen wilt verwijderen uit alle oppervlakken van een 3D-object, klikt u op Alles wissen.

    • Als u de schaduwen en lichten van het object wilt toepassen op de toegewezen illustratie, selecteert u Illustratie van schaduw voorzien.

    • Als u alleen de toegewezen illustraties en niet de geometrie van een 3D-object wilt weergeven, selecteert u Onzichtbare geometrie. Dit is handig wanneer u de functie voor het toewijzen van illustraties aan 3D-objecten wilt gebruiken als een gereedschap voor driedimensionaal kromtrekken. U kunt met deze optie bijvoorbeeld tekst toewijzen langs een zijde van een golvende lijn met diepte, zodat de tekst kromgetrokken wordt weergegeven, net als op een vlag.

    • Als u het effect wilt bekijken, selecteert u Voorvertoning.

  7. Klik op OK in het dialoogvenster Illustratie toewijzen.

    Opmerking:

    3D-tools zijn onafhankelijk van de Perspectiefraster-tools van Illustrator. 3D-objecten worden op dezelfde manier behandeld als andere illustraties wanneer ze in het Perspectiefraster worden geplaatst.

Dit werk is gelicentieerd onder de Creative Commons Naamsvermelding/Niet-commercieel/Gelijk delen 3.0 Unported-licentie  De voorwaarden van Creative Commons zijn niet van toepassing op Twitter™- en Facebook-berichten.

Juridische kennisgevingen   |   Online privacybeleid