Effecten

Illustrator bevat allerlei effecten die u kunt toepassen op een object, groep of laag om de eigenschappen hiervan te wijzigen.

Zodra u een effect op een object hebt toegepast, wordt het effect in het deelvenster Vormgeving weergegeven. Vanuit het deelvenster Vormgeving kunt u het effect bewerken, verplaatsen, dupliceren, verwijderen of opslaan als onderdeel van een afbeeldingsstijl. Als u een effect gebruikt, moet u het object eerst uitbreiden voordat u toegang hebt tot de nieuwe punten.

De effecten in de bovenste helft van het menu Effecten zijn vectoreffecten. Deze effecten kunt u alleen toepassen op vectorobjecten of op de vulling of lijn van een bitmapobject in het deelvenster Vormgeving. De volgende effecten en effectencategorieën in het bovenste gedeelte zijn uitzonderingen op deze regel en kunnen op zowel vector- als bitmapobjecten worden toegepast: 3D-effecten, SVG-filters, Kromtrekeffecten, Transformatie-effecten, Slagschaduw, Doezelaar, Binnenste gloed en Buitenste gloed.

De effecten in het onderste gedeelte van het menu Effecten zijn rastereffecten. U kunt ze op zowel vector- als bitmapobjecten toepassen.

Voor een video over het gebruik van de deelvensters Vormgeving en Afbeeldingsstijlen gaat u naar www.adobe.com/go/lrvid4022_ai_nl.

Een effect toepassen

  1. Selecteer het object of de groep (of wijs een laag aan in het deelvenster Lagen).

    Als u een effect wilt toepassen op een specifiek kenmerk van een object, bijvoorbeeld de vulling of lijn, selecteert u het object en daarna het kenmerk in het deelvenster Vormgeving.

  2. Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Kies een opdracht in het menu Effect.

    • Klik op Nieuw effect toevoegen  in het deelvenster Vormgeving en kies een effect.

  3. Als een dialoogvenster wordt weergegeven, stelt u opties in en klikt u op OK.

    Opmerking:

    Als u het effect en de laatstgebruikte instellingen wilt toepassen, kiest u Effect > [Effectnaam] toepassen. Als u het laatstgebruikte effect wilt toepassen en de opties hiervan wilt instellen, kiest u Effect > [Effectnaam].

Rastereffecten

Rastereffecten zijn effecten die pixels in plaats van vectorgegevens genereren. Voorbeelden van rastereffecten zijn SVG-filters, alle effecten in het onderste gedeelte van het menu Effect, en de opdrachten Binnenste gloed, Buitenste gloed, Doezelaar en Slagschaduw in het submenu Effect > Stileer.

Met de RIE-functie (Resolution Independent Effects) in Illustrator kunt u het volgende doen:

  • Wanneer de resolutie in Instellingen van rastereffecten document wordt gewijzigd, krijgen de parameters van het effect een andere waarde zodat de weergave van het effect minimaal of helemaal niet afwijkt. De nieuwe gewijzigde parameterwaarden worden weerspiegeld in het dialoogvenster Effect.

  • Voor effecten met meerdere parameters krijgen in Illustrator alleen de parameters die gerelateerd zijn aan de resolutie-instelling van de rastereffecten van het document, een andere waarde.

    Het dialoogvenster Halftoonpatroon bevat bijvoorbeeld verschillende parameters. Wanneer de Instellingen van rastereffecten document worden gewijzigd, krijgt alleen Grootte een andere waarde.

Het effect Halftoonpatroon voor- en nadat de resolutiewaarde is gewijzigd van 300 ppi in 150 ppi
Het effect Halftoonpatroon voor- en nadat de resolutiewaarde is gewijzigd van 300 ppi in 150 ppi

Het effect Halftoonpatroon voor- en nadat de resolutiewaarde is gewijzigd van 300 ppi in 150 ppi
Het effect Halftoonpatroon voor- en nadat de resolutiewaarde is gewijzigd van 300 ppi in 150 ppi

U stelt de rasteropties voor een document in door Effect > Instellingen van rastereffecten document te kiezen. (Zie Rasteropties.)

Opmerking:

Als een effect er op het scherm goed uitziet, maar er afgedrukt minder gedetailleerd of rafelig uitziet, verhoogt u de resolutie van de rastereffecten van het document.

Rasteropties

U kunt de volgende opties instellen voor alle rastereffecten in een document of wanneer u een vectorobject rastert.

Kleurmodel

Hiermee bepaalt u het kleurmodel dat tijdens het rasteren wordt gebruikt. U kunt een RGB- of CMYK-kleurenafbeelding genereren (afhankelijk van de kleurmodus van het document), of een grijswaardenafbeelding of 1-bitsafbeelding (die zwart-wit is of zwart en transparant, afhankelijk van de geselecteerde achtergrondoptie).

Resolutie

Hiermee bepaalt u hoeveel pixels per inch (ppi) in de gerasterde afbeelding worden gebruikt. Wanneer u een vectorobject rastert, selecteert u Resolutie van rastereffecten van document gebruiken als u de algemene resolutie-instellingen wilt gebruiken.

Achtergrond

Hiermee bepaalt u hoe transparante gebieden van de vectorafbeelding worden omgezet in pixels. Selecteer Wit als u transparante gebieden wilt vullen met witte pixels. Selecteer Transparant als u de achtergrond transparant wilt maken. Als u Transparant selecteert, maakt u een alfakanaal (voor alle afbeeldingen behalve 1-bitsafbeeldingen). Het alfakanaal blijft behouden als de illustratie wordt geëxporteerd naar Photoshop. (Deze optie geeft een betere anti-aliasing dan de optie Knipmasker maken.)

Anti-alias

Hiermee past u anti-aliasing toe om de weergave van rafelige randen in de gerasterde afbeelding te verminderen. Wanneer u rasteropties voor een document instelt, schakelt u deze optie uit als u dunne lijnen en kleine tekst scherp wilt houden. 

Wanneer u een vectorobject rastert, selecteert u Geen als u anti-aliasing wilt toepassen en de harde randen van lijnwerk wilt behouden wanneer het object wordt gerasterd. Selecteer Illustraties geoptimaliseerd als u anti-aliasing wilt toepassen die het meest geschikt is voor illustraties zonder tekst. Selecteer Tekst geoptimaliseerd als u anti-aliasing wilt toepassen die het meest geschikt is voor tekst.

Knipmasker maken

Hiermee maakt u een masker waarmee de achtergrond van de gerasterde afbeelding transparant wordt weergegeven. U hoeft geen knipmasker te maken als u de optie Transparant hebt geselecteerd voor de achtergrond.

Toevoegen rondom object

Hiermee wordt een rand die bestaat uit het opgegeven aantal pixels, toegevoegd rondom de gerasterde afbeelding. De resulterende afmetingen worden weergegeven als de oorspronkelijke afmetingen plus de waarde van de instelling voor Toevoegen rondom object. U kunt deze instelling bijvoorbeeld gebruiken om een opname-effect te creëren: geef een waarde op voor Toevoegen rondom object, kies Witte achtergrond en schakel Knipmasker maken uit. De witte grens die aan het oorspronkelijke object is toegevoegd, wordt een zichtbare rand op de afbeelding. Vervolgens kunt u een effect als Slagschaduw of Buitenste gloed toepassen om de oorspronkelijke illustratie op een foto te laten lijken.

Effecten toepassen op bitmapafbeeldingen

Met effecten kunt u zowel bitmapafbeeldingen als vectorobjecten er opvallend uit laten zien. Zo kunt u een impressionistische weergave toepassen, belichtingswijzigingen toepassen, afbeeldingen vervormen en vele andere interessante visuele effecten produceren.

Neem de volgende informatie in acht wanneer u effecten toepast op met name bitmapobjecten:

  • Effecten werken niet bij gekoppelde bitmapobjecten. Als u een effect toepast op een gekoppelde bitmap, wordt deze toegepast op een ingesloten kopie van de bitmap in plaats van op het origineel. Als u het effect wilt toepassen op het origineel, moet u de originele bitmap insluiten in het document.

  • Adobe Illustrator ondersteunt plug-ineffecten van Adobe-producten zoals Adobe Photoshop en van niet-Adobe-productontwikkelaars. De meeste plug-ineffecten verschijnen na installatie in het menu Effect en werken op dezelfde manier als geïntegreerde effecten.

  • Sommige effecten kosten veel geheugen, vooral als ze op een bitmapafbeelding met een hoge resolutie worden toegepast.

Prestaties van effecten verbeteren

Sommige effecten zijn zeer geheugenintensief. De volgende technieken kunnen helpen om de prestaties te verbeteren wanneer u deze effecten toepast:

  • Selecteer de optie Voorvertoning in dialoogvensters voor effecten om tijd te besparen en ongewenste resultaten te voorkomen.

  • Wijzig de instellingen. Sommige opdrachten, zoals Glas, zijn bijzonder geheugenintensief. Probeer daarom verschillende instellingen uit om de snelheid van deze opdrachten op te voeren.

  • Als u op een grijswaardenprinter wilt afdrukken, zet dan een kopie van de bitmapafbeelding om in grijswaarden voordat u effecten toepast. Als u een effect op een kleurenbitmapafbeelding toepast en de afbeelding vervolgens in grijswaarden omzet, krijgt u echter niet altijd hetzelfde effect als wanneer u het effect rechtstreeks toepast op een grijswaardenversie van de afbeelding.

Een effect aanpassen of verwijderen

In het deelvenster Vormgeving kunt u een effect aanpassen of verwijderen.

  1. Selecteer het object of de groep (of wijs de laag aan in het deelvenster Lagen) waarin het effect is toegepast.

  2. Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Als u het effect wilt wijzigen, klikt u op de blauw onderstreepte naam in het deelvenster Vormgeving. Breng in het dialoogvenster van het effect de gewenste wijzigingen aan en klik vervolgens op OK.

    • Als u het effect wilt verwijderen, selecteert u de effectvermelding in het deelvenster Vormgeving en klikt u op de knop Verwijderen.

Dit werk is gelicentieerd onder de Creative Commons Naamsvermelding/Niet-commercieel/Gelijk delen 3.0 Unported-licentie  De voorwaarden van Creative Commons zijn niet van toepassing op Twitter™- en Facebook-berichten.

Juridische kennisgevingen   |   Online privacybeleid