Opmerking:

Dit artikel heeft betrekking op Adobe Illustrator CS5 en eerdere versies. Vanaf Adobe Illustrator CS6 profiteert u in Illustrator van het vernieuwde Afbeeldingen overtrekken. Bij het overtrekken van een afbeelding kunt u nu kiezen uit een breed scala aan voorinstellingen of gebruikmaken van de intuïtieve gebruiksvriendelijke bediening voor hoogwaardige resultaten. Zie Afbeelding overtrekken voor meer informatie. 

Als u een nieuwe tekening wilt baseren op een bestaande illustratie, kunt u deze overtrekken. U kunt bijvoorbeeld een afbeelding maken op basis van een pentekening op papier of op basis van een rasterafbeelding die is opgeslagen in een ander grafisch programma. U voert de illustratie in Illustrator in en trekt deze over.

U kunt illustraties het gemakkelijkste overtrekken door een bestand in Illustrator te openen of te plaatsen en de illustratie automatisch over te trekken met de opdracht Actief overtrekken. U kunt zelf het gewenste detailniveau en de vulling van de overgetrokken illustratie bepalen. Wanneer u tevreden bent met de resultaten, kunt u de overtrek omzetten in vectorpaden of een object van Actieve verf.

Voor en na het overtrekken van een bitmapafbeelding met de opdracht Actief overtrekken
Voor en na het overtrekken van een bitmapafbeelding met de opdracht Actief overtrekken

Illustraties overtrekken

  1. Open of plaats het bestand dat u als bronafbeelding voor het overtrekken wilt gebruiken.

  2. Selecteer de bronafbeelding en voer een van de volgende handelingen uit:

    • Als u de afbeelding wilt overtrekken met een voorinstelling voor overtrekken, klik u op de knop Voorinstellingen en opties voor overtrekkenbutton inhet regelpaneel en kiest u een voorinstelling.

    • Als u de afbeelding wilt overtrekken met de standaardopties voor overtrekken, klikt u op Actief overtrekken in het regelpaneel of kiest u Object > Actief overtrekken > Maken.

    • Als u overtrekopties wilt instellen voordat u de afbeelding overtrekt, klikt u op de knop Voorinstellingen en opties voor overtrekkenbutton inin het regelpaneel en kiest u Overtrekopties. U kunt ook Object > Actief overtrekken > Overtrekopties kiezen. Stel de gewenste overtrekopties in en klik op Overtrekken.

  3. (Optioneel) Pas de overtrekresultaten aan.

  4. (Optioneel) Zet de overtrek in paden of in een object van Actieve verf om.

Overtrekopties

Voorinstelling

Hiermee geeft u een voorinstelling voor overtrekken op.

Modus

Hiermee geeft u een kleurmodus voor het overtrekresultaat op.

Drempel

Hiermee geeft u een waarde op voor het genereren van een zwart-wit overtrekresultaat aan de hand van de oorspronkelijke afbeelding. Alle pixels lichter dan de drempelwaarde worden omgezet in wit en alle pixels donkerder dan de drempelwaarde worden omgezet in zwart. (Deze optie is alleen beschikbaar als de modus is ingesteld op Zwart-wit.)

Palet

Geeft een palet op voor het genereren van een kleurenovertrek of een overtrek met grijswaarden aan de hand van de oorspronkelijke afbeelding. (Deze optie is alleen beschikbaar als Modus is ingesteld op Kleur of Grijswaarden.)

Als u wilt dat de kleuren in de overtrek door Illustrator zelf worden bepaald, selecteert u Automatisch. Als u een aangepast palet wilt gebruiken voor het overtrekken, selecteert u de naam van een staalbibliotheek. (Staalbibliotheken worden alleen weergegeven in het menu Palet als ze zijn geopend.)

Maximaal aantal kleuren

Hiermee bepaalt u het maximale aantal kleuren dat in een overtrekresultaat met kleuren of grijstinten wordt gebruikt. (Deze optie is alleen beschikbaar als Modus is ingesteld op Kleur of Grijswaarden en als Deelvenster is ingesteld op Automatisch.)

Uitvoer naar stalen

Hiermee maakt u een nieuw staal in het deelvenster Stalen voor elke kleur in het overtrekresultaat.

Vervagen

Hiermee vervaagt u de oorspronkelijke afbeelding voordat het overtrekresultaat wordt gegenereerd. Selecteer deze optie om kleine artefacten in het overtrekresultaat te verminderen en rafelige randen glad te trekken.

Nieuw voorbeeld

Hiermee geeft u een nieuw voorbeeld van de oorspronkelijke afbeelding weer met de opgegeven resolutie voordat het overtrekresultaat wordt gegenereerd. Deze optie is handig als u het overtrekken wilt versnellen bij grote afbeeldingen. De kwaliteiten van de resultaten kunnen echter achteruitgaan.

Opmerking: de resolutie die u gebruikt bij Nieuw voorbeeld wordt niet opgeslagen wanneer u een voorinstelling maakt.

Vullingen

Hiermee maakt u gevulde gebieden in het overtrekresultaat.

Lijnen

Hiermee maakt u paden met lijnen in het overtrekresultaat.

Maximale lijndikte

Hiermee geeft u de maximale breedte aan van onderdelen van de oorspronkelijke afbeelding waaraan lijnen kunnen worden toegevoegd. Onderdelen waarvan de breedte groter is dan deze waarde, worden gebieden met een omtrek in het overtrekresultaat.

Minimale lijnlengte

Hiermee geeft u de minimale lengte aan van onderdelen van de oorspronkelijke afbeelding die kunnen worden omlijnd. Onderdelen waarvan de lengte kleiner is dan deze waarde, worden weggelaten uit het overtrekresultaat.

Nauwkeurigheid van pad

Hiermee stelt u de afstand in tussen de overgetrokken vorm en de oorspronkelijke pixelvorm. Lagere waarden zorgen ervoor dat het pad beter aansluit; bij hogere waarden is de aansluiting minder strak.

Minimaal gebied

Hiermee geeft u het kleinste onderdeel van de oorspronkelijke afbeelding op dat wordt overgetrokken. Als u bijvoorbeeld 4 opgeeft, worden onderdelen die kleiner zijn dan 2 pixels breed en 2 pixels hoog weggelaten uit het overtrekresultaat.

Hoekgraad

Hiermee geeft u de scherpte op van een wending in de oorspronkelijke afbeelding die wordt beschouwd als een hoekankerpunt in het overtrekresultaat. Zie Paden voor meer informatie over het verschil tussen hoekankerpunten en vloeiende ankerpunten.

Raster

Hiermee geeft u aan hoe de bitmapcomponent van het overtrekobject wordt weergegeven. Deze weergave-instelling wordt niet opgeslagen als onderdeel van de voorinstelling voor overtrekken.

Vector

Hiermee geeft u aan hoe het overtrekresultaat moet worden weergegeven. Deze weergave-instelling wordt niet opgeslagen als onderdeel van de voorinstelling voor overtrekken.

Opmerking:

Selecteer Voorvertoning in het dialoogvenster Overtrekopties om een voorbeeld weer te geven van het resultaat van de huidige instellingen. Als u de standaardopties voor overtrekken wilt instellen, deselecteert u alle objecten voordat u het dialoogvenster Overtrekopties opent. Als u de opties naar wens hebt ingesteld, klikt u op Als standaard instellen.

Zie www.adobe.com/go/vid0043_nl voor een video over het gebruik van Actief overtrekken. Zie www.adobe.com/go/learn_ai_tutorials_livetrace_nl voor een zelfstudie over het aanpassen van de opties voor Actief overtrekken voor een zo goed mogelijk resultaat.

De weergave van een overtrekobject wijzigen

Een overtrekobject bestaat uit twee componenten: de oorspronkelijke bronafbeelding en het overtrekresultaat (de vectorillustratie). Standaard wordt alleen het overtrekresultaat weergegeven. U kunt de weergave van de oorspronkelijke afbeelding en het overtrekresultaat echter aanpassen aan uw wensen.

  1. Selecteer het overtrekobject.

    Opmerking:

    Standaard hebben alle overtrekobjecten in het deelvenster Lagen de naam 'Overtrekken'.

  2. Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Als u de weergave van het overtrekresultaat wilt wijzigen, klikt u op de knop Vectorweergavebutton inhet regelpaneel of kiest u Object> Actief overtrekken en selecteert u een weergaveoptie: Geen overtrekresultaat, Overtrekresultaat, Contouren of Contouren met overtrek.

    • Als u de weergave van de bronafbeelding wilt wijzigen, klikt u op de knop Rasterweergavebutton inhet regelpaneel of kiest u Object > Actief overtrekken en selecteert u een weergaveoptie: Geen afbeelding , Originele afbeelding, Aangepaste afbeelding (de afbeelding wordt weergegeven met aanpassingen die zijn aangebracht tijdens het overtrekken) of Transparante afbeelding.

      Opmerking: Om de bronafbeelding te bekijken past u het volgende aan: Vectorweergave opGeen overtrekresultaat of Contouren.

De overtrekresultaten aanpassen

Als u een overtrekobject hebt gemaakt, kunt u de resultaten altijd aanpassen.

  1. Selecteer het overtrekobject.

  2. Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Stel de basisopties in het deelvenster Beheer in.

    • Klik op de knop Dialoogvenster Overtrekopties  in het deelvenster Beheer om alle overtrekopties te tonen. U kunt ook Object > Actief overtrekken > Overtrekopties kiezen. Pas de opties aan en klik op Overtrekken.

    Opmerking:

    Gebruik voorinstellingen voor overtrekken om de resultaten van het overtrekken snel te wijzigen.

De kleuren voor overtrekken opgeven

  1. Maak een staalbibliotheek met de kleuren die u wilt gebruiken voor de overtrek.

  2. Zorg ervoor dat de stalenbibliotheek open is en klik in het regelpaneel op de knop Dialoogvenster Overtrekoptiesbutton inhet regelpaneel. U kunt ook Object > Actief overtrekken > Overtrekopties kiezen.

  3. Selecteer de naam van de stalenbibliotheek in het menu Palet en klik op Overtrekken.

Een voorinstelling voor overtrekken gebruiken

Voorinstellingen voor overtrekken bieden vooringestelde overtrekopties voor specifieke typen illustraties. Als u bijvoorbeeld een afbeelding overtrekt die u wilt gebruiken als een technische tekening, kies dan de voorinstelling Technische tekening. Alle overtrekopties worden gewijzigd, zodat het overtrekken optimaal is voor technische tekeningen: de kleur wordt ingesteld op zwart-wit, vervagen wordt ingesteld op 0 px, de lijnbreedte wordt beperkt tot 3 px, enzovoort.

Een voorinstelling opgeven

  • Kies Object > Actief overtrekken > Overtrekopties. (U kunt ook een overtrekobject selecteren en klikken op de knop Dialoogvenster Overtrekoptiesbutton inhet regelpaneel.) Stel de overtrekopties in voor devoorinstellingen klik op Voorinstelling opslaan. Voer een naam in voor devoorinstellingen klik op OK.

  • Kies Bewerken > Voorinstellingen voor overtrekken. Klik op Nieuw, stel de overtrekopties in voor devoorinstellingen klik op Gereed.

    Tip: als u een nieuwe voorinstelling wilt baseren op een bestaande, selecteert u de bestaande voorinstelling en klikt u op Nieuw.

Een voorinstelling bewerken of verwijderen

  1. Kies Bewerken > Voorinstellingen voor overtrekken.

  2. Selecteer een voorinstelling en klik op Bewerken of Verwijderen.

    Opmerking:

    U kunt de standaardvoorinstellingen niet bewerken of verwijderen. Standaardvoorinstellingen worden weergegeven tussen vierkante haken [ ]. U kunt echter wel een kopie van een standaardvoorinstelling maken die u kunt bewerken. Selecteer hiervoor de voorinstelling en klik op Nieuw.

Voorinstellingen delen met andere gebruikers

  1. Kies Bewerken > Voorinstellingen voor overtrekken.

  2. Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Klik op Exporteren om uw voorinstellingen naar een bestand op te slaan.

    • Klik op Importeren om voorinstellingen uit een bestand te laden.

Een overtrekobject omzetten in een object van Actieve verf

Wanneer u tevreden bent met het overtrekresultaat, kunt u het overtrekobject omzetten in paden of een object van Actieve verf. Wanneer u deze laatste stap uitvoert, kunt u de overtrek op dezelfde manier gebruiken als andere vectorillustraties. Als u het overtrekobject eenmaal hebt omgezet, kunt u de overtrekopties niet meer aanpassen.

  1. Selecteer het overtrekobject.

  2. Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Als u de overtrek wilt omzetten in paden, klik dan op Uitbreiden in het regelpaneel of kies Object > Actief overtrekken > Uitbreiden. Gebruik deze methode als u de componenten van de overgetrokken illustratie wilt gebruiken als afzonderlijke objecten. De gevormde paden zijn samen gegroepeerd.

    • Als u tijdens het omzetten van de overtrek in paden de huidige weergaveopties wilt behouden, kies dan Object > Actief overtrekken > Uitbreiden zoals weergegeven. Als de weergaveopties bijvoorbeeld voor het overtrekresultaat zijn ingesteld op Omtrekken, zijn de uitgebreide paden uitsluitend omtrekken; ze hebben dus geen vullingen of lijnen. Verder wordt een opname van de omtrek met de huidige weergaveopties opgeslagen en gegroepeerd met de uitgebreide paden. Gebruik deze methode als u de overgetrokken afbeelding wilt opslaan als hulplijn voor de uitgebreide paden.

    • Als u de overtrek wilt omzetten in een object van Actieve verf, klik dan op Actieve verf in het regelpaneel of kies Object > Actief overtrekken > Omzetten in Actieve verf. Gebruik deze methode als u vullingen en lijnen wilt toepassen op de overgetrokken illustratie met behulp van het Emmertje voor Actieve verf.

Opmerking:

Als u een overtrek wilt maken en het overtrekobject in één stap wilt omzetten, kies dan Object > Actief overtrekken > Maken en uitbreiden of Object > Actief overtrekken > Maken en omzetten in Actieve verf.

Zie www.adobe.com/go/vid0043_nl voor een video over overtrekken.

Een overtrekobject opheffen

Als u een overtrek wilt verwijderen maar de oorspronkelijke geplaatste afbeelding wilt behouden, kunt u het overtrekobject opheffen.

  1. Selecteer het overtrekobject.

  2. Kies Object > Actief overtrekken > Geen.

Illustraties handmatig overtrekken met behulp van sjabloonlagen

Sjabloonlagen zijn vergrendelde lagen die niet worden afgedrukt en die u kunt gebruiken om handmatig afbeeldingen mee over te trekken. Sjabloonlagen zijn met 50% gedimd, zodat u alle paden die u vóór de laag tekent, duidelijk kunt zien. U kunt sjabloonlagen maken wanneer u een afbeelding plaatst. U kunt hier ook bestaande lagen voor gebruiken.

  1. Voer een van de volgende handelingen uit:

    • Als u een afbeelding wilt plaatsen als een sjabloonlaag voor overtrekken, kies dan Bestand > Plaatsen en selecteer het EPS-, PDF- of rasterafbeeldingsbestand dat u wilt overtrekken. Selecteer vervolgens Sjabloon en klik op Plaatsen. Er wordt een nieuwe sjabloonlaag weergegeven onder de huidige laag in het deelvenster.

    • Als u een bestaande afbeelding wilt overtrekken, controleer dan dat de afbeelding zich in zijn eigen laag bevindt. Dubbelklik vervolgens op de laag in het deelvenster Lagen, selecteer Sjabloon en klik op OK. U kunt ook de laag selecteren en Sjabloon kiezen in het deelvenstermenu.

    Het oogpictogram  wordt vervangen door het sjabloonpictogram  en de laag wordt vergrendeld.

  2. Trek nu over met de tool Pen of Potlood.

  3. Als u de sjabloonlaag wilt verbergen, kies dan Weergave > Sjabloon verbergen. Kies Weergave > Sjabloon tonen om de sjabloon opnieuw weer te geven.

  4. Als u een sjabloonlaag wilt omzetten naar een normale laag, dubbelklik dan op de sjabloonlaag in het deelvenster Lagen. Schakel vervolgens de optie Sjabloon uit en klik op OK.

Dit werk is gelicentieerd onder de Creative Commons Naamsvermelding/Niet-commercieel/Gelijk delen 3.0 Unported-licentie  De voorwaarden van Creative Commons zijn niet van toepassing op Twitter™- en Facebook-berichten.

Juridische kennisgevingen   |   Online privacybeleid