Handboek Annuleren

Tijdlijnanimaties maken

  1. Photoshop Handboek
  2. Inleiding tot Photoshop
    1. Dream it. Make it.
    2. Nieuwe functies in Photoshop
    3. Uw eerste foto bewerken
    4. Documenten maken
    5. Photoshop | Veelgestelde vragen
    6. Systeemvereisten voor Photoshop
    7. Voorinstellingen, handelingen en instellingen migreren
    8. Maak kennis met Photoshop
  3. Photoshop en Adobe-services
    1. Photoshop en Adobe Stock
    2. Creative Cloud Libraries
    3. Creative Cloud Libraries in Photoshop
    4. De Touch Bar gebruiken met Photoshop
    5. Werken met illustraties van Illustrator in Photoshop
    6. De Capture-in-app-extensie in Photoshop gebruiken
    7. Raster en hulplijnen
    8. Handelingen maken
    9. Ongedaan maken en historie
    10. Standaardsneltoetsen
    11. Aanraakfuncties en aanpasbare werkruimten
  4. Photoshop voor de iPad
    1. Photoshop op de iPad | Veelgestelde vragen
    2. Kennismaken met de werkruimte
    3. Systeemvereisten | Photoshop voor iPad
    4. Documenten maken, openen en exporteren
    5. Foto's toevoegen
    6. Werken met lagen
    7. Tekenen en schilderen met penselen
    8. Selecties maken en maskers toevoegen
    9. Uw composities retoucheren
    10. Werk met aanpassingslagen
    11. Pas de tonaliteit van uw compositie aan met Curven
    12. Transformatiebewerkingen toepassen
    13. Uw composities uitsnijden en roteren
    14. Canvas roteren, pannen, zoomen en opnieuw instellen
    15. Werk met tekstlagen
    16. Werk met Photoshop en Lightroom
    17. Vind ontbrekende lettertypen in Photoshop op de iPad
    18. Japanse tekens in Photoshop op de iPad
    19. App-instellingen beheren
    20. Aanraaksneltoetsen en bewegingen
    21. Sneltoetsen
    22. Afbeeldingsgrootte bewerken
    23. Livestreamen terwijl u in Photoshop werkt op de iPad
    24. Imperfecties corrigeren met het Retoucheerpenseel
    25. Penselen maken in Capture en gebruiken in Photoshop
    26. Werken met Camera Raw-bestanden
    27. Slimme objecten maken en ermee werken
    28. De belichting in uw afbeeldingen aanpassen met Tegenhouden en Doordrukken
  5. Photoshop op internet (bèta)
    1. Veelgestelde vragen | Photoshop op internet (bèta) 
    2. Kennismaken met de werkruimte
    3. Systeemvereisten | Photoshop op internet (bèta)
    4. Sneltoetsen | Photoshop op internet (bèta)
    5. Ondersteunde bestandstypen | Photoshop op internet (bèta)
    6. Clouddocumenten openen en bewerken
    7. Samenwerken met belanghebbenden
    8. Beperkte bewerkingen toepassen op uw clouddocumenten
  6. Clouddocumenten
    1. Photoshop-clouddocumenten | Algemene vragen
    2. Photoshop-clouddocumenten | Vragen over workflow
    3. Clouddocumenten beheren en bewerken in Photoshop
    4. Cloudopslag upgraden voor Photoshop
    5. Kan geen clouddocumenten maken of opslaan
    6. Fouten met Photoshop-clouddocumenten oplossen
    7. Synchronisatielogboeken voor clouddocumenten verzamelen
    8. Toegang delen en uw clouddocumenten bewerken
    9. Bestanden delen en opmerkingen in de app
  7. Werkruimte
    1. Basisbegrippen voor werkruimten
    2. Documenten maken
    3. De Touch Bar gebruiken met Photoshop
    4. Ondersteuning voor Microsoft Surface Dial in Photoshop
    5. Toolgalerieën
    6. Prestatievoorkeuren
    7. Tools gebruiken
    8. Aanraakbewegingen
    9. Aanraakfuncties en aanpasbare werkruimten
    10. Technology Previews
    11. Metagegevens en notities
    12. Snel uw creaties delen
    13. Photoshop-afbeeldingen in andere toepassingen opnemen
    14. Voorkeuren
    15. Standaardsneltoetsen
    16. Linialen
    17. Niet-afdrukbare extra's tonen of verbergen
    18. Het aantal kolommen voor een afbeelding opgeven
    19. Ongedaan maken en historie
    20. Deelvensters en menu's
    21. Bestanden plaatsen
    22. Elementen instellen met de functie Magnetisch
    23. Plaatsen met de liniaal
    24. Voorinstellingen
    25. Sneltoetsen aanpassen
    26. Raster en hulplijnen
  8. Ontwerp van websites, schermen en apps
    1. Ontwerpen in Photoshop
    2. Tekengebieden
    3. Apparaatvoorvertoning
    4. CSS kopiëren uit lagen
    5. Webpagina’s segmenteren
    6. HTML-opties voor segmenten
    7. De segmentlay-out wijzigen
    8. Werken met webafbeeldingen
    9. Webfotogalerieën maken
  9. Basisprincipes van afbeeldingen en kleuren
    1. Afbeeldingen vergroten/verkleinen
    2. Werken met raster-en vectorafbeeldingen
    3. Grootte en resolutie van afbeeldingen
    4. Afbeeldingen ophalen van camera's en scanners
    5. Afbeeldingen maken, openen en importeren
    6. Afbeeldingen weergeven
    7. Fout Ongeldige JPEG-markering | Afbeeldingen openen
    8. Meerdere afbeeldingen weergeven
    9. Kleurkiezers en -stalen aanpassen
    10. HDR-afbeeldingen (High Dynamic Range)
    11. Kleuren in uw afbeelding afstemmen
    12. Afbeeldingen omzetten in andere kleurmodi
    13. Kleurmodi
    14. Delen van een afbeelding wissen
    15. Overvloeimodi
    16. Kleuren kiezen
    17. Geïndexeerde-kleurentabellen aanpassen
    18. Informatie over afbeeldingen
    19. Vervormingsfilters zijn niet beschikbaar
    20. Informatie over kleur
    21. Kleuren en monochrome instellingen aanpassen aan de hand van kanalen
    22. Kleuren kiezen in de deelvensters Kleur en Stalen
    23. Monster
    24. Kleurmodus of Afbeeldingsmodus
    25. Kleurzweem
    26. Een voorwaardelijke moduswijziging toevoegen aan een handeling
    27. Stalen toevoegen uit HTML, CSS en SVG
    28. Bitdiepte en voorkeuren
  10. Lagen
    1. Basisbegrippen voor lagen
    2. Niet-destructieve bewerkingen
    3. Lagen en groepen maken en beheren
    4. Lagen selecteren, groeperen en koppelen
    5. Afbeeldingen in kaders plaatsen
    6. Laagdekking en overvloeien
    7. Lagen maskeren
    8. Slimme filters toepassen
    9. Laagsamenstellingen
    10. Lagen verplaatsen, stapelen en vergrendelen
    11. Lagen maskeren met vectormaskers
    12. Lagen en groepen beheren
    13. Laageffecten en laagstijlen
    14. Laagmaskers bewerken
    15. Middelen extraheren
    16. Lagen met uitknipmaskers tonen
    17. Afbeeldingsmiddelen genereren op basis van lagen
    18. Werken met slimme objecten
    19. Overvloeimodi
    20. Meerdere afbeeldingen combineren tot een groepsportret
    21. Afbeeldingen combineren met automatisch overvloeiende lagen
    22. Lagen uitlijnen en verdelen
    23. CSS kopiëren uit lagen
    24. Selecties uit een laag of grenzen van een laagmasker laden
    25. Uitnemen om inhoud van andere lagen zichtbaar te maken
    26. Laag
    27. Afvlakken
    28. Samengesteld
    29. Achtergrond
  11. Selecties
    1. Werkruimte Selecteren en maskeren
    2. Snelle selecties maken
    3. Aan de slag met selecties
    4. Selecties aanbrengen met de selectiekadertools
    5. Selecties maken met de lasso’s
    6. Een kleurbereik selecteren in een afbeelding
    7. Pixelselecties aanpassen
    8. Paden omzetten in selectiekaders en omgekeerd
    9. Basisbegrippen voor kanalen
    10. Geselecteerde pixels verplaatsen, kopiëren en verwijderen
    11. Een tijdelijk snelmasker maken
    12. Selecties en alfakanaalmaskers opslaan
    13. De afbeeldingsgebieden met de focus selecteren
    14. Kanalen dupliceren, splitsen en samenvoegen
    15. Kanaalberekeningen
    16. Selectie
    17. Selectiekader
  12. Afbeeldingsaanpassingen
    1. Perspectief verdraaien
    2. Vervaging door camerabeweging verminderen
    3. Voorbeelden van de tool Retoucheerpenseel
    4. Kleur-opzoektabellen exporteren
    5. De scherpte en vervaging van afbeeldingen aanpassen
    6. Kleuraanpassingen
    7. De aanpassing Helderheid/contrast toepassen
    8. Schaduwdetails en hooglichtdetails aanpassen
    9. Aanpassing Niveaus
    10. De kleurtoon en verzadiging aanpassen
    11. Levendigheid aanpassen
    12. De kleurverzadiging in afbeeldingsgebieden aanpassen
    13. Snel aanpassingen aanbrengen aan tinten
    14. Speciale kleureffecten toepassen op afbeeldingen
    15. Uw afbeelding verbeteren met aanpassingen in kleurbalans
    16. HDR-afbeeldingen (High Dynamic Range)
    17. Histogrammen en pixelwaarden bekijken
    18. Kleuren in uw afbeelding afstemmen
    19. Foto's uitsnijden en rechttrekken
    20. Een kleurenfoto omzetten in zwart-wit
    21. Aanpassings- en opvullagen
    22. Aanpassing Curven
    23. Overvloeimodi
    24. Afbeeldingen voorbereiden voor drukken
    25. De kleur en toon aanpassen met de pipetten Niveaus en Curven
    26. HDR-belichting en -kleurtinten aanpassen
    27. Filter
    28. Vervagen
    29. Afbeeldingsgebieden doordrukken of tegenhouden
    30. Selectieve kleuraanpassingen aanbrengen
    31. Objectkleuren vervangen
  13. Adobe Camera Raw
    1. Systeemvereisten voor Camera Raw
    2. Nieuwe functies in Camera Raw
    3. Kennismaken met Camera Raw
    4. Panorama's maken
    5. Ondersteunde lenzen
    6. Vignet-, korrel- en neveleffecten in Camera Raw
    7. Standaardsneltoetsen
    8. Automatische perspectiefcorrectie in Camera Raw
    9. Niet-destructieve bewerkingen uitvoeren in Camera Raw
    10. Radiaalfilter in Camera Raw
    11. Camera Raw-instellingen beheren
    12. Afbeeldingen openen, verwerken en opslaan in Camera Raw
    13. Repareer afbeeldingen met de verbeterde tool Vlekken verwijderen in Camera Raw
    14. Afbeeldingen roteren, uitsnijden en aanpassen
    15. Kleurweergave aanpassen in Camera Raw
    16. Functieoverzicht | Adobe Camera Raw | 2018-versies
    17. Overzicht van nieuwe functies
    18. Procesversies in Camera Raw
    19. Lokale aanpassingen aanbrengen in Camera Raw
  14. Afbeeldingen repareren en restaureren
    1. Objecten verwijderen uit uw foto's met Vullen met behoud van inhoud
    2. Repareren en verplaatsen met behoud van inhoud
    3. Foto's retoucheren en repareren
    4. Afbeeldingsvervorming en -ruis corrigeren
    5. Eenvoudige probleemoplossing voor de meest voorkomende problemen
  15. Afbeeldingen transformeren
    1. Objecten transformeren
    2. Uitsnijding, rotatie en canvasgrootte aanpassen
    3. Foto's uitsnijden en rechttrekken
    4. Panoramische afbeeldingen maken en bewerken
    5. Afbeeldingen, vormen en paden verdraaien
    6. Perspectiefpunt
    7. Het filter Uitvloeien gebruiken
    8. Schalen en de inhoud behouden
    9. Afbeeldingen, vormen en paden transformeren
    10. Verdraaien
    11. Transformeren
    12. Panorama
  16. Tekenen en verven
    1. Symmetrische patronen tekenen
    2. Rechthoeken tekenen en lijnopties wijzigen
    3. Tekenen
    4. Vormen tekenen en bewerken
    5. Tekentools
    6. Penselen maken en wijzigen
    7. Overvloeimodi
    8. Kleur toevoegen aan paden
    9. Paden bewerken
    10. Tekenen met het mixerpenseel
    11. Voorinstellingen voor penselen
    12. Verlopen
    13. Interpolatie met verloop
    14. Selecties, lagen en paden vullen en omlijnen
    15. Tekenen met de pentools
    16. Patronen maken
    17. Een patroon maken met de Patroonmaker
    18. Paden beheren
    19. Bibliotheken en voorinstellingen van patronen beheren
    20. Tekenen of verven met een grafisch tablet
    21. Structuurpenselen maken
    22. Dynamische elementen toevoegen aan penselen
    23. Verloop
    24. Gestileerde streken tekenen met het penseel Tekeninghistorie
    25. Tekenen met een patroon
    26. Voorinstellingen synchroniseren op meerdere apparaten
  17. Tekst
    1. Werken met OpenType SVG-lettertypen
    2. Tekens opmaken
    3. Alinea's opmaken
    4. Teksteffecten maken
    5. Tekst bewerken
    6. Regelafstand en tekenspatiëring
    7. Arabische en Hebreeuwse tekst
    8. Lettertypen
    9. Problemen met lettertypen oplossen
    10. Aziatische tekst
    11. Tekst maken
    12. Tekstenginefout met Typegereedschap in Photoshop | Windows 8
    13. World-Ready composer voor Aziatische scripts
    14. Tekst toevoegen en bewerken in Photoshop
  18. Video en animatie
    1. Video's bewerken in Photoshop
    2. Video- en animatielagen bewerken
    3. Overzicht van video en animatie
    4. Voorvertoningen van video en animaties weergeven
    5. Frames tekenen in videolagen
    6. Videobestanden en reeksen afbeeldingen importeren
    7. Frameanimaties maken
    8. Creative Cloud 3D-animatie (Preview)
    9. Tijdlijnanimaties maken
    10. Afbeeldingen maken voor video
  19. Filters en effecten
    1. Het filter Uitvloeien gebruiken
    2. De galerie Vervagen gebruiken
    3. Basisbeginselen van filters
    4. Overzicht van de filtereffecten
    5. Belichtingseffecten toevoegen
    6. Het filter Adaptief groothoek gebruiken
    7. Het filter Olieverf gebruiken
    8. Laageffecten en laagstijlen
    9. Specifieke filters toepassen
    10. Natte vinger gebruiken in afbeeldingsgebieden
  20. Opslaan en exporteren
    1. Uw bestanden opslaan in Photoshop
    2. Bestanden exporteren in Photoshop
    3. Ondersteunde bestandsindelingen
    4. Bestanden opslaan in grafische indelingen
    5. Ontwerpen verplaatsen tussen Photoshop en Illustrator
    6. Video en animaties opslaan en exporteren
    7. PDF-bestanden opslaan
    8. Digimarc-copyrightbescherming
  21. Afdrukken
    1. 3D-objecten afdrukken
    2. Afdrukken vanuit Photoshop
    3. Afdrukken met kleurbeheer
    4. Contactbladen en PDF-presentaties
    5. Foto's afdrukken in een figuurpakketlay-out
    6. Steunkleuren afdrukken
    7. Duotonen
    8. Afbeeldingen drukken op een professionele drukpers
    9. Kleurenafdrukken in Photoshop verbeteren
    10. Problemen met afdrukken oplossen | Photoshop
  22. Automatisering
    1. Handelingen maken
    2. Gegevensgestuurde afbeeldingen maken
    3. Scripts
    4. Een groep bestanden verwerken
    5. Handelingen afspelen en beheren
    6. Voorwaardelijke acties toevoegen
    7. Handelingen en het deelvenster Handelingen
    8. Tools opnemen in handelingen
    9. Een voorwaardelijke moduswijziging toevoegen aan een handeling
    10. Photoshop-gebruikersinterfacewerkset voor plug-ins en scripts
  23. Kleurbeheer
    1. Werken met kleurbeheer
    2. Kleuren consistent houden
    3. Kleurinstellingen
    4. Werken met kleurprofielen
    5. Kleurbeheer toepassen op documenten voor onlineweergave
    6. Kleurbeheer toepassen op documenten bij afdrukken
    7. Kleurbeheer toepassen op geïmporteerde afbeeldingen
    8. Kleuren controleren
  24. Content Authenticity
    1. Meer informatie over inhoudreferenties
    2. Identiteit en herkomst voor NFT's
    3. Accounts verbinden voor creatieve toewijzing
  25. 3D-beelden en technische beeldverwerking
    1. Photoshop 3D | Veelgestelde vragen over 3D-functies die niet meer beschikbaar zijn
    2. Creative Cloud 3D-animatie (Preview)
    3. 3D-objecten afdrukken
    4. Tekenen in 3D
    5. Verbeteringen in het 3D-deelvenster | Photoshop
    6. De belangrijkste 3D-concepten en -tools
    7. 3D renderen en opslaan
    8. 3D-objecten en -animaties maken
    9. Afbeeldingsstapels
    10. 3D-workflow
    11. Metingen
    12. DICOM-bestanden
    13. Photoshop en MATLAB
    14. Objecten in een afbeelding tellen
    15. 3D-objecten combineren en omzetten
    16. Structuren bewerken in 3D
    17. HDR-belichting en -kleurtinten aanpassen
    18. Instellingen van het 3D-deelvenster
Belangrijk

Belangrijk:

De 3D-functies van Photoshop worden in toekomstige updates verwijderd. Gebruikers die met 3D werken wordt aangeraden om de nieuwe Substance 3D-collectie van Adobe te verkennen, de volgende generatie 3D-tools van Adobe.

Hier vindt u meer informatie over het beëindigen van de 3D-functies van Photoshop: Photoshop 3D | Algemene vragen over de 3D-functies die niet meer beschikbaar zijn.

 
Opmerking:

Voor eerdere Photoshop-versies dan Photoshop CC is bepaalde functionaliteit die in dit artikel wordt beschreven wellicht alleen beschikbaar als u Photoshop Extended hebt. Photoshop kent geen afzonderlijke Extended-versie. Alle functies van Photoshop Extended maken deel uit van Photoshop.

Workflow voor tijdlijnanimaties

Als u animatie wilt toepassen op inhoud in de tijdlijnmodus, stelt u in het deelvenster Tijdlijn de keyframes in, terwijl u de huidige-tijdindicator naar een andere tijd of een ander frame verplaatst. Vervolgens kunt u de positie, dekking of de stijl van de laaginhoud wijzigen. In Photoshop wordt automatisch een reeks frames tussen twee bestaande frames ingevoegd of gewijzigd. De laagkenmerken (positie, dekking en effect) worden hierbij gelijkmatig over de nieuwe frames verdeeld en wekken zo de suggestie van beweging of transformatie.

Wanneer u bijvoorbeeld een laag wilt laten vervagen, stelt u de dekking van de laag in het eerste frame in op 100% en klikt u op de dekkingstop voor de laag. Verplaats de huidige-tijdindicator vervolgens naar de tijd/het frame voor het laatste frame en stel de dekking voor dezelfde laag in op 0%. In Photoshop worden frames tussen het eerste en het laatste frame automatisch geïnterpoleerd. De dekking van de laag wordt in de nieuwe frames gelijkmatig gereduceerd.

U kunt in Photoshop niet alleen frames in een animatie laten interpoleren, maar u kunt ook een per frame met de hand getekende animatie maken door te tekenen op een lege videolaag.

Opmerking:

Als u een animatie in SWF-indeling wilt maken, gebruikt u Adobe Flash, Adobe After Effects of Adobe Illustrator.

Volg de onderstaande stappen om een tijdlijnanimatie te maken.

1. Maak een nieuw document.

Geef het formaat en de achtergrondinhoud op. Zorg ervoor dat de pixelverhouding en de pixelafmetingen geschikt zijn voor de uitvoer van de animatie. Stel de kleurmodus in op RGB. Houd de resolutie van 72 ppi, de bitdiepte van 8 bpc en de pixelverhouding voor vierkante pixels aan, tenzij u speciale redenen hebt om andere instellingen te gebruiken.

Zorg dat het deelvenster Tijdlijn is geopend. Klik zo nodig op de pijl-omlaag in het midden van het deelvenster, kies Videotijdlijn maken in het menu en klik vervolgens op de knop links van de pijl. Als het deelvenster Tijdlijn is geopend in de frameanimatiemodus, klikt u op het pictogram Omzetten in videotijdlijn linksonder in het deelvenster.

2. Geef een waarde op bij Framesnelheid voor tijdlijn instellen in het menu van het deelvenster.

Stel de duur en framesnelheid in. Zie De tijdlijnduur en framesnelheid opgeven.

3. Voeg een laag toe.

Er kan geen animatie worden toegepast op achtergrondlagen. Als u animatie op content wilt toepassen, zet u de achtergrondlaag om in een normale laag of voegt u een van de volgende elementen toe:

  • Een nieuwe laag voor het toevoegen van inhoud.

  • Een nieuwe videolaag voor het toevoegen van video-inhoud.

  • Een nieuwe lege videolaag voor het klonen van inhoud of voor het maken van met de hand getekende animaties.

4. Voeg inhoud aan de laag toe.

5. (Optioneel) Voeg een laagmasker toe.

U kunt een laagmasker gebruiken als u een gedeelte van de laaginhoud wilt weergeven. Desgewenst kunt u het laagmasker van animatie voorzien om gedurende een tijdsperiode verschillende delen van de laaginhoud weer te geven. Zie Laagmaskers toevoegen.

6. Verplaats de huidige-tijdindicator naar het gewenste frame of de gewenste tijd voor het eerste keyframe.

7. Schakel het gebruik van keyframes voor een laageigenschap in.

Klik op het driehoekje naast de laagnaam. Een omgekeerd driehoekje geeft de eigenschappen van de laag aan. Klik op de stopwatch om het eerste keyframe in te stellen voor de laageigenschap waarop u animatie wilt toepassen. U kunt per keer keyframes voor meer dan één laageigenschap instellen.

8. Verplaats de huidige-tijdindicator en wijzig een laageigenschap.

Verplaats de huidige-tijdindicator naar de tijd of het frame waar de eigenschap van de laag verandert. Voer een van de volgende handelingen uit:

  • Wijzig de positie van de laag, zodat de laaginhoud beweegt.

  • Wijzig de dekking van de laag om de inhoud meer of minder te laten vervagen.

  • Wijzig de positie van een laagmasker om verschillende delen van de laag weer te geven.

  • Schakel een laagmasker in of uit.

Voor sommige soorten animaties, zoals het wijzigen van de kleur van een object of het compleet wijzigen van de inhoud van een frame, moet u extra lagen toevoegen met nieuwe inhoud.

Opmerking:

Voor animatie van vormen past u animatie toe op het vectormasker en niet op de vormlaag. U gebruikt hiervoor Tijd/verandering stopwatch voor Positie vectormasker of Vectormasker inschakelen.

9. Voeg extra lagen met inhoud toe en bewerk zo nodig de laageigenschappen hiervan.

10. Verplaats de laagduurbalk of snijd de balk bij om op te geven wanneer een laag in een animatie verschijnt.

11. Bekijk een voorvertoning van de animatie.

Gebruik de knoppen in het deelvenster Tijdlijn om de animatie af te spelen terwijl u deze maakt. Bekijk vervolgens een voorvertoning van de animatie in uw webbrowser. U kunt ook een voorvertoning van de animatie weergeven in het dialoogvenster Opslaan voor web. Zie Een voorvertoning weergeven van video- of tijdlijnanimaties.

12. Sla de animatie op.

U kunt de animatie opslaan als een geanimeerd GIF-bestand met de opdracht Opslaan voor web of als een reeks afbeeldingen of video met de opdracht Video renderen. Het is ook mogelijk de animatie op te slaan als een PSD-bestand, dat kan worden geïmporteerd in Adobe After Effects.

Keyframes gebruiken om laageigenschappen van animatie te voorzien

U kunt verschillende laageigenschappen voorzien van animatie, zoals de positie, dekking en stijl. Iedere wijziging kan zelfstandig worden uitgevoerd, of tegelijkertijd met andere wijzigingen. Als u verschillende objecten onafhankelijk van elkaar wilt voorzien van animatie, kunt u ze het beste op verschillende lagen maken.

Hier volgen enkele voorbeelden van manieren waarop u laageigenschappen kunt voorzien van animatie.

  • U kunt de positie van animatie voorzien door eerst een keyframe toe te voegen aan de eigenschap Positie en vervolgens de huidige-tijdindicator te verplaatsen en de laag te verslepen in het documentvenster.

  • U kunt de dekking van een laag van animatie voorzien door eerst een keyframe toe te voegen aan de eigenschap Dekking en vervolgens de huidige-tijdindicator te verplaatsen en de dekking van de laag te wijzigen in het deelvenster Lagen.

  • U kunt 3D-eigenschappen, zoals object- en camerapositie, van animatie voorzien. (Zie 3D-animaties maken () voor meer informatie.)

 

Als u een eigenschap van animatie voorziet met behulp van keyframes, dient u minstens twee keyframes in te stellen voor de eigenschap. Anders gelden de in de laageigenschap aangebrachte wijzigingen gedurende de volledige laagduur.

Iedere laageigenschap beschikt over een pictogram Tijd/verandering stopwatch  waarop u kunt klikken om de animatie te beginnen. Als de stopwatch geactiveerd is voor een specifieke eigenschap, stelt Photoshop automatisch nieuwe keyframes in wanneer u de huidige tijd en de waarde van de eigenschap wijzigt. Als de stopwatch niet actief is voor een eigenschap, heeft de eigenschap geen keyframes. Als u een waarde voor een laageigenschap typt terwijl de stopwatch niet actief is, blijft de waarde gedurende de volledige laagduur van kracht. Als u de stopwatch uitschakelt, verwijdert u definitief alle keyframes voor die eigenschap.

Een interpolatiemethode kiezen

Interpolatie (soms ook wel tussenvoegen) genoemd, verwijst naar het invullen van onbekende waarden tussen twee bekende waarden. In digitale video's en films betekent interpolatie meestal dat er nieuwe waarden worden gegenereerd tussen twee keyframes. Als u een grafisch element bijvoorbeeld gedurende 15 frames 50 pixels naar links wilt verplaatsen, stelt u de positie van de afbeelding in het eerste en vijftiende frame in en markeert u deze beide frames als keyframes. Photoshop interpoleert de frames tussen de twee keyframes. U kunt interpolatie tussen keyframes gebruiken om beweging, dekking, stijlen en globale belichting te animeren.

De weergave van een keyframe in het deelvenster Tijdlijn wordt bepaald door de interpolatiemethode die u instelt voor het interval tussen keyframes.

Lineair keyframe 

Hiermee wijzigt u de geanimeerde eigenschap op evenredige wijze tussen keyframes. (De enige uitzondering wordt gevormd door de eigenschap Positie laagmasker die plotseling overschakelt tussen de staten Uitgeschakeld en Ingeschakeld.)

Keyframe bewaren 

Hiermee blijft de huidige eigenschapsinstelling behouden. Deze interpolatiemethode is handig voor stroboscoopeffecten of als u wilt dat lagen plotseling tevoorschijn komen of verdwijnen.

Ga als volgt te werk om de interpolatiemethode voor een keyframe te kiezen:

  1. Selecteer een of meer keyframes in het deelvenster Tijdlijn.

  2. Voer een van de volgende handelingen uit:
    • Klik met de rechtermuisknop op een geselecteerd keyframe en kies Lineaire interpolatie of Interpolatie bewaren in het contextmenu.

    • Open het menu van het deelvenster en kies Interpolatie keyframe > Lineaire interpolatie of Interpolatie keyframe > Bewaren.

De huidige-tijdindicator naar een keyframe verplaatsen

Als u het eerste keyframe voor een eigenschap hebt ingesteld, wordt de keyframenavigator weergegeven. U kunt deze naar andere keyframes verplaatsen en u kunt keyframes instellen of verwijderen. Wanneer het ruitje voor de keyframenavigator actief is (geel), bevindt de huidige-tijdindicator zich precies bij een keyframe voor de desbetreffende laageigenschap. Wanneer het ruitje voor de keyframenavigator niet actief is (grijs), bevindt de huidige-tijdindicator zich tussen keyframes. Wanneer pijlen aan weerszijden van het keyframenavigatorvak worden weergegeven, bestaan er aan weerszijden van de huidige tijd andere keyframes voor die eigenschap.

  1. Klik op een navigatorpijl van een keyframe in het deelvenster Tijdlijn. De naar links wijzende pijl verplaatst de huidige-tijdindicator naar het vorige keyframe. De naar rechts wijzende pijl verplaatst de huidige-tijdindicator naar het volgende keyframe.

Keyframes selecteren

  1. Voer in het deelvenster Tijdlijn een of meerdere van de volgende handelingen uit:

    • Klik op het keyframepictogram om een keyframe te selecteren.

    • Houd Shift ingedrukt en klik op keyframes of sleep een selectiekader rond de gewenste keyframes als u meerdere keyframes wilt selecteren.

    • Als u alle keyframes voor een laageigenschap wilt selecteren, klikt u op de naam van de laageigenschap naast het stopwatchpictogram.

Keyframes verplaatsen

  1. Selecteer een of meer keyframes in het deelvenster Tijdlijn.

  2. Sleep een van de geselecteerde keyframepictogrammen naar de gewenste tijd. (Als u meerdere keyframes hebt geselecteerd, worden ze als een groep verplaatst en blijft de tijd tussen de keyframes hetzelfde.)
Opmerking:

Als u de tijd tussen meerdere keyframes wilt inkorten of verlengen, houdt u Alt (Windows) of Option (Mac OS) ingedrukt en sleept u het eerste of laatste keyframe in de selectie. De positie van het keyframe aan het andere uiteinde van de selectie verandert niet terwijl u sleept, zodat de animatie sneller of langzamer wordt afgespeeld.

Keyframes kopiëren en plakken

U kunt de keyframes van een eigenschap (bijvoorbeeld Positie) kopiëren naar dezelfde eigenschap in een willekeurige laag. Wanneer u keyframes plakt, weerspiegelen ze de gekopieerde verschuiving ten opzichte van de huidige-tijdindicator.

U kunt slechts keyframes van één laag tegelijk kopiëren. Wanneer u keyframes in een andere laag plakt, worden ze in de corresponderende eigenschap in de doellaag weergegeven. Het vroegste keyframe wordt bij de huidige tijd weergegeven en de andere keyframes volgen in de juiste volgorde. De keyframes blijven na het plakken geselecteerd, zodat u ze ogenblikkelijk kunt verplaatsen in de tijdlijn.

Opmerking:

U kunt keyframes tussen meerdere eigenschappen tegelijk kopiëren en plakken.

  1. Geef in het deelvenster Tijdlijn de laageigenschap weer met de keyframes die u wilt kopiëren.

  2. Selecteer een of meerdere keyframes.
  3. Klik met de rechtermuisknop op een geselecteerd keyframe en kies Keyframes kopiëren.
  4. Verplaats de huidige-tijdindicator in het deelvenster Tijdlijn dat de doellaag bevat naar het gewenste tijdstip voor de keyframes.

  5. Selecteer de doellaag.
  6. Open het menu van het deelvenster en kies Keyframes plakken.

Keyframes verwijderen

  1. Selecteer twee of meer lagen in het deelvenster Tijdlijn en ga als volgt te werk:

    • Klik met de rechtermuisknop (Windows) of met de linkermuisknop terwijl u Ctrl ingedrukt houdt (Mac OS) en kies Keyframes verwijderen in het contextmenu.

    • Kies Keyframes verwijderen in het menu van het deelvenster.

Met de hand getekende animaties maken

U kunt een lege videolaag toevoegen aan uw document als u per frame met de hand getekende animaties wilt creëren. Door een lege videolaag toe te voegen boven een videolaag en vervolgens de dekking van de lege videolaag aan te passen, kunt u de inhoud van de onderliggende videolaag zien. U kunt dan rotoscoop toepassen op de inhoud van de videolaag door op de lege videolaag te tekenen. Zie ook Frames tekenen in videolagen.

Opmerking:

Als u meerdere onafhankelijke elementen van animatie voorziet, maakt u afzonderlijke inhoud op verschillende lege videolagen.

  1. Maak een nieuw document.
  2. Voeg een lege videolaag toe.
  3. Teken op een laag of voeg inhoud toe aan de laag.
  4. (Optioneel) Schakel in het deelvenster Tijdlijn de modus voor semi-transparante lagen in door Semi-transparante lagen inschakelen te selecteren in het menu van het deelvenster.

  5. Verplaats de huidige-tijdindicator naar het volgende frame.
  6. Voeg inhoud toe aan de laag of teken op de laag, maar dan op een iets andere positie dan de inhoud in het vorige frame.
    Opmerking:

    U kunt een leeg videoframe toevoegen, een frame dupliceren of een frame verwijderen uit de lege videolaag door de gewenste opdracht te kiezen in het submenu Laag > Videolagen.

    Wanneer u met de hand getekende frames maakt, kunt u een voorvertoning van de animatie weergeven door de huidige-tijdindicator te slepen of de afspeelfuncties te gebruiken.

Lege videoframes invoegen, verwijderen of dupliceren

U kunt een leeg videoframe toevoegen aan of verwijderen uit een lege videolaag. U kunt ook bestaande (getekende) frames in lege videolagen dupliceren.

  1. Selecteer in het deelvenster Tijdlijn de lege videolaag en verplaats de huidige-tijdindicator vervolgens naar het gewenste frame.

  2. Kies Laag > Videolagen en kies een van de volgende opties:

    Leeg frame invoegen

    Voegt bij de huidige tijd een leeg videoframe in in de geselecteerde lege videolaag.

    Frame verwijderen

    Verwijdert bij de huidige tijd het videoframe in de geselecteerde lege videolaag.

    Frame dupliceren

    Hiermee voegt u een kopie van het videoframe toe op het huidige tijdstip in de geselecteerde lege videolaag.

Instellingen voor semi-transparante lagen opgeven

In de modus voor semi-transparante lagen wordt de inhoud die is getekend op het huidige frame en de inhoud die is getekend op de omliggende frames weergegeven. Deze extra lijnen worden weergegeven bij de door u opgegeven dekking om ze te onderscheiden van het huidige frame. De modus voor semi-transparante lagen is handig voor het tekenen van frame-voor-frame animaties omdat u hiermee beschikt over referentiepunten voor lijnposities en andere bewerkingen.

De instellingen voor semi-transparante lagen bepalen hoe eerdere en latere frames verschijnen wanneer de optie Semi-transparante lagen is ingeschakeld. (Zie Overzicht van het deelvenster Tijdlijn.)

  1. Open het deelvenster Tijdlijn en kies Instellingen semi-transparante lagen.

  2. Bepaal de opties voor de volgende onderdelen:

    Semi-transparante lagen tellen

    Hiermee bepaalt u hoeveel vorige en volgende frames worden weergegeven. Geef de gewenste waarden op in de tekstvakken Frames voor (vorige frames) en Frames na (volgende frames).

    Framespatiëring

    Hiermee stelt u het aantal frames tussen de weergegeven frames op. De waarde 1 geeft bijvoorbeeld aan dat er sprake is van opeenvolgende frames en de waarde 2 geeft aan dat lijnen twee frames uit elkaar liggen.

    Maximale dekking

    Hiermee stelt u het dekkingspercentage in voor de frames direct voor en na de huidige tijd.

    Minimale dekking

    Hiermee stelt u het dekkingspercentage in voor de laatste frames van de sets frames met semi-transparante lagen voor of na de huidige tijd.

    Overvloeimodus

    Hiermee stelt u de vormgeving in van de gebieden waar de frames elkaar overlappen.

    Photoshop - Semi-transparante lagen
    Semi-transparante lagen

    A. Huidig frame met één volgend frame B. Huidig frame met één vorig en één volgend frame C. Huidig frame met één vorig frame 

Een uit meerdere lagen bestaande animatie openen

U kunt ook animaties openen die in oudere versies van Photoshop zijn opgeslagen als gelaagde Photoshop-bestanden (.PSD). De lagen worden op stapelvolgorde in het deelvenster Tijdlijn geplaatst, waarbij de onderste laag het eerste frame wordt.

  1. Kies Bestand > Openen en selecteer het Photoshop-bestand dat u wilt openen.
  2. Selecteer de gewenste lagen voor de animatie in het deelvenster Lagen en kies Frames maken van lagen in het menu van het deelvenster.

    U kunt de animatie bewerken, de opdracht Opslaan voor web gebruiken om een geanimeerde GIF-bestand op te slaan of de opdracht Video renderen gebruiken om de animatie als een QuickTime-film op te slaan.

Adobe-logo

Aanmelden bij je account